vrijdag 31 mei 2013

Over het ontstaan van een roman...


... over Aan traagheid ontkomen


Een boek kan ook ontstaan aan een strand. Ook schrijvers gaan naar het strand. Dat wist ik toen nog niet, dat ook schrijvers naar het strand gaan. Al was het dan een zoetwaterstrand, aan de weg naar Durgerdam, met een vriend en zijn vrouw, ook een vriend. We zaten daar, koel van het briesje, de zon een sluier die levendig schitterde en ik vroeg het, ik stelde die vraag: wat zou je doen als je nog maar een jaar te leven hebt? Ik weet niet waarom. Het was denk ik zomer 1998 en we hadden de lerarenopleiding nog niet zo lang geleden afgerond. Tot mij kwam het antwoord snel en ik wachtte ongeduldig tot ik het mocht zeggen. Als steller van open vragen hoor je nou eenmaal niet als eerste te antwoorden. Ik zou dat boek gaan schrijven. Op de terugweg viel het me te binnen. Waarom wachten voor ik dat zou doen, dat boek schrijven?

Natuurlijk ontstond dat boek niet aan het strand. Het is een mooi sprookje dat de schrijver met de voeten in het fijne zand kan zitten en dat een verhaal tot hem of haar komt. Een boek is opgebouwd uit veel van dat soort momenten. Het strand en de verbeelding. De ervaring en de idealisering. Mijn behoefte om te schrijven is pas laat ontstaan. Op een gegeven moment werden de verhalen die ik las steeds meer aangevuld met eigen verzinsels. Maar iets verzinnen maakt nog geen schrijven. Nee, de behoefte om iets aan een ander mee te delen maakte voor mij het verschil. Er waren schrijvers, ik ga hun namen nu niet noemen, die mij het gevoel gaven dat een verhaal meer is dan alleen vermaak, dat het de wereld kan veranderen. Enig ander bewijs voor de macht van verhalen had ik niet dan dat ik zelf was veranderd door wat ik las. Op een dag begreep ik het: ik wilde ook schrijver zijn.

De eerste keer dat ik deze specifieke coffeeshop binnenstapte, die ook Fatal Flowers heette, wist ik dat er een verhaal lag. Iedereen kon het zomaar oppikken, maar ik had er blijkbaar als enige oog voor. Het was niet dat ik niet eerder in coffeeshops was geweest. Jarenlang vertoefde ik in De Tweede Kamer, met mijn rugtas en schetsboek. Aantekeningen, invallen, observaties, avonturen met vage mensen in vage gesprekken. Ik was ambitieus als schilder, daar lag mijn concentratie. Maar de Fatal Flowers was anders. Er werkte iemand achter de bar die ik als vriend beschouwde, er kwamen mensen uit allerlei lagen van de bevolking. De dorpse sfeer was Utrecht, waar de eigenaars vandaan kwamen, en de Amsterdammers vormden een vreemde mix. Ik wist dat hier mijn verhaal lag. Het enige dat ik hoefde te doen was het te beleven. Dit was ergens in 1994.


 *

Misschien begint een boek met iemand die ergens binnenstapt en wordt gegrepen door de omstandigheden, maar voor er een verhaal is heeft er veel zweet gepareld. Het was de eerste keer dat ik een lang stuk proza ging schrijven. Gedichten deed ik al, een kort verhaal was er ook uitgekomen. Je zou kunnen zeggen dat ik schrijven nog moest leren. De gedachten waren er, het verhaal ook, ik kon zelfs complete woorden typen. Ik kon alleen nog niet vertellen.

Ernstig als ik dacht dat een echte schrijver zou zijn zette ik een streng schema op. Elke dag, van negen tot twaalf schrijven, daarna nakijken. Dat heb ik een maand lang volgehouden, wat op zich een mirakel was. Ik liet er iets van lezen aan verschillende mensen, ik kreeg kritiek, en begon weer opnieuw. Ik kan me niet meer herinneren hoe lang ik erover deed om de eerste versie van het boek te schrijven. Ik heb er ergens nog wel de aantekeningen van liggen. Het zou Caleidoscoop heten en in de naam lag het besloten: het zou die hele tijd die ik probeerde te verhalen van alle kanten tonen. Als een waaier van donkere beelden zou het aan de lezer moeten voorbijtrekken. Ik herschreef het en legde het weg, herschreef het weer, legde het weer weg. Verzon een nieuwe titel. En nog één.

Gedurende die jaren was het boek het enige houvast dat ik had, de enige band met mijn verleden. Ik neem aan dat menigeen zo beleefd was niet te zeggen dat ze het belachelijk en absurd vonden dat ik telkens weer en nog steeds met hetzelfde boek bezig was. De rit was ondertussen belangrijker geworden dan de aankomst. Op een gegeven moment vertelde ik er niet meer over. Als iemand vroeg wat ik in het weekend of de avond had gedaan, was het niet meer dan ‘Ach, je weet wel, het boek…’. En toen las ik dat Thomas Mann 14 jaar over De Toverberg had gedaan. Niet dat ik mij met hem vergelijk in kwaliteit, maar het was een geruststelling.

Misschien deed ik er wel lang over naar de smaak van derden, maar ik leerde zo vreselijk veel door telkens dezelfde stof door te lopen. Steeds maar weer met die hamer op het hete staal, tot het precies de vorm had die ik dacht dat het zou moeten zijn. En dat hete staal was niet het boek, maar mijn geest. Ik schreef niet alleen dat ene boek in dat ene jaar dat ik nog had te leven, maar ik schreef ook mijn schrijverzijn, degene die ik was of wilde worden. Voordat ik wist wat ik kon moest ik alles hebben geprobeerd dat ik dacht dat ik zou willen. Het begon met imitatie om vervolgens langzaam los te laten. Niet alleen waarvan ik dacht dat het zou moeten zijn, maar ook van de literaire eisen. En natuurlijk ook het los laten van het los laten. Ik leerde ook veel van hoe anderen het deden. Maar ik deed geen schrijversvakschool of een cursus. Ik moest alles leren aan de hand van observatie en nadenken. Zoals schrijvers dat vroeger deden, dacht ik.


*

Ik stuurde de verschillende versies naar uitgeverijen. Ze moeten daar wel moe van me zijn geworden. Ik schreef korte verhalen met een beetje succes. Uiteindelijk legde ik het boek weg omdat het af was. Ik lieg natuurlijk. Misschien was het wel af, maar ik legde het eigenlijk weg omdat ik er niet meer in geloofde. Het zou niks worden. Er ging tijd voorbij. Ja, plotseling had een andere schrijver succes met een laag-bij-de-gronds onderwerp. En ik dacht bij mezelf, kijk als er daar ruimte voor is, waarom dan niet voor een roman over een coffeeshop? Dus nog een keer, maar dan helemaal vanaf de grond, herschreef ik het en kwam tot een titel, degene die het nu heeft. Daar was ik in 2009 mee klaar. Iets meer dan 10 jaar later.

En toen was het grote wachten. En toen werd er hier en daar positief gereageerd. Soms zelfs serieus. En toen verloor ik plotseling mijn geduld en begon aan mijn tweede roman. En toen was er een uitgeverij en een contract en die kostte me een jaar hangen en wurgen waar niks uit kwam. En nu ben ik bij deze uitgeverij die toch eigenlijk meer een tramhalte is dan een warme plek voor een auteur. En natuurlijk raast het door mijn hoofd: had ik het niet bij een eerdere versie moeten houden? Had ik niet beter mijn tweede boek kunnen voortduwen? Had ik moeten wachten en wachten en wachten op een uitgevrij die er zelf ook meer tijd in zou willen investeren? Ook al heb ik het manuscript naar zo’n beetje iedereen gestuurd en lijkt de tijd van de eigenzinnige auteur zo’n beetje ten einde. Is dit, deze versie, van het boek wel goed? Is het goed genoeg om op de lezers los te laten?

Het is een begin, denk ik dan. Een begin start altijd ergens waar je het niet verwacht en leidt langs wegen die je nog niet eerder hebt gezien. Een debuut hoeft niet perfect te zijn. Ik hoef niet perfect te zijn. Ik wil een boek schrijven dat een lezer kan beïnvloeden, kan veranderen, maar ik weet absoluut niet of ik dat kan. Ik doe mijn best en daar zal het bij blijven. Alles dat ik kan zeggen is dat het een jaar welbesteed is geweest.

Illustraties van mijn hand, uit schetsboek en op los papier, gemaakt in de periode 1994-95

zondag 26 mei 2013

Gisteren, zaterdag 25 mei, 2013,


werd er geprotesteerd tegen de oplossing van het voedseltekort van de wereld. Ja, in verschillende steden kwamen duizenden demonstranten bij elkaar om de arme landen nog verder in de vernieling te helpen. Het was een groep mensen die overal samenzweringen ziet, voornamelijk geleid en voorbereid door het grote en altruïstische voedselbedrijf Monsanto, onder andere van Unilever en Coca Cola. Zij gaan honger de wereld uit helpen door boeren het beste genetisch aangepaste zaad aan te bieden, zodat elke oogst groots en overdadig zal zijn. De hoorn des overvloeds door kapitalisten in elkaar gesleuteld.

Wat maakt het uit dat op ieder kilo zaad over de hele wereld een paar dollarcenten extra wordt geheven? Het grote goed is ermee gebaat en een bedrijf mag daar best een centje van meepikken. Wat maakt het uit dat er een verbod komt op vrije zaden en thuis tuinieren? De meeste van ons doen dat toch al niet meer. Het voedsel gaat allemaal door de supermarkt en dat is nou juist de plaats waar Monsanto zijn voedsel aanlevert.


Mooier kunnen we het niet maken. Prachtige oogsten waar alleen een beetje allround gif tegenaan moet, want anders vreten de beesten alles kaal. Genetisch gemodificeerd voedsel is namelijk nogal kwetsbaar als het om natuurlijke vijanden gaat. Een kleine ruil, zal u zeggen. Het is inderdaad gif dat slecht is voor de boer. Dan wordt die boer maar wat voorzichtiger. En de boer moet inderdaad zijn zaden elk jaar opnieuw aanschaffen, want ze zijn grotendeels steriel. Maar dat is allemaal de moeite waard voor een einde aan de honger.

En ach, die onzin over het gelijktrekken van economieën, dat gezanik over eerlijke handelstarieven, die vooruitgang in Afrika, Azië en Zuid-Amerika, dat is allemaal gezever om de aandacht af te leiden. Daar gaat het helemaal niet om. We kunnen toch niet verwachten van politici dat ze zorgen voor een eerlijkere verdeling van voedsel en rijkdom over de hele wereld? We kunnen toch niet verwachten dat rijkere landen minder grondstoffen gaan gebruiken en zuiniger met de natuur zullen omgaan?

Laten we eerlijk wezen: gen-gemodificeerd voedsel is het beste dat ons kan overkomen. Nooit meer de zorg van de onvoorspelbare natuur. Nooit meer een hongerig kind op de wereld. Mensen die daar tegen zijn zijn paranoïde. Ze hebben geen vertrouwen in bedrijven en kapitalisme. Dat zeker een heel klein deel bestaat uit overactieve mensen die overal iets achter zoeken, maakt de rest ook ongeloofwaardig. Geen wonder toch dat de officiële media er nauwelijks aandacht aan heeft besteed? Ze zouden wel gek zijn!
 

Een paar verwarde demonstranten op de Dam, 25 mei, 2013

donderdag 16 mei 2013

Interview Daniël Bras - dichter


Mijn persoon mag geen naam hebben


Daniël Bras schrijft gedichten op het snijpunt van theater en poëzie. Hij publiceerde die gedichten in tijdschriften als Passionate, Tzum, Lava, Krakatau, Meander en Op Ruwe Planken. Korte verhalen werden opgenomen in Digther en Op Ruwe Planken.

In het voorjaar van 2000 organiseerde De Rode Hoed een tentoonstelling van zijn poëzie en fotowerk. In 2002 won zijn toneelstuk Tribunaal de tweede prijs in het festival Hollandse Nieuwe nr. 6. In 2007 werd zijn gedicht ‘of muren vol vochtkringen’ bekroond met de Jean-Paul Franssens Poëzieprijs. In 2008 maakte hij deel uit van het festival ‘Verste Tekst’ van Platform Theaterauteurs.

De afgelopen jaren trad hij onder meer op tijdens Onbederf’lijk Vers, Vers van het mes (Perdu), Lava literaire avond, Zuidwolde, OpStaan, Wordscape en Werelddichters. Organiseerde literaire bijeenkomsten in de Oude Kerk te Amsterdam. Publiceerde in eigen beheer de bundels Van het leven luis (1988) en De stilte van een ongeschonden stad (2000).


Zijn werk is te vinden op zijn blog Omdat ik een onbekende niet vraag.



*



Gezien ik je als toneelschrijver en dichter ken vraag ik je als eerst als welke van de twee kunnen we je beschouwen?

Als dichter.

Hoelang doe je dat al?

Professioneel ben ik in ’83 begonnen, maar mijn eerste werk schreef ik in ’74. De aanleiding was het wereldkampioenschap voetbal. (gelach) Het waren geen gedichten over het dramatische verlies, maar waarover dan weet ik in godsnaam niet meer. Ik heb het wel gelijk gebundeld en aan mijn familie laten lezen. In die tijd schreef ik wel wat sneller. Dat was nog met de hand. Ik heb het helaas niet meer. Het zat ook niet meer in mijn moeders nalatenschap. Ik had het in het net uitgeschreven en het wel laten lezen, maar het was maar één exemplaar. Ik weet ook niet waarom ik het had gemaakt. Ik was twaalf en had niets van huis meegekregen dat in deze richting wees.


Het wereldkampioenschap voetbal


Wat is je eerste herinnering van je allereerste scheppingsproces?

Ik weet het eigenlijk niet meer. Ik weet wel dat toen ik op vakantie ging toen ik zestien was, dat ik toen al heel wat gedichten schreef. De eerste waren meer songteksten.

interieur atelier Daniël

Voor welke band schreef je ze, welke band wilde je graag spelen?

In die tijd veranderde dat nogal. Ik ben opgevoed met Franse chansons, daarna Neil Diamond, daarna kwam Bob Dylan… Ik probeerde een stijl te vinden. Dat was allemaal in het Engels en pas in 1980 dacht ik nou ja ik wil het in het Nederlands doen. Pas nadat ik in Eindhoven woonde en besloot naar Amsterdam te gaan.

Is dat onder invloed van literaire voorbeelden gebeurd?

Ongetwijfeld. Ik denk dat het sterk beïnvloed is geweest door de Vijftigers. Slauerhoff kende ik al en ik was erg gegrepen door Jotie t’ Hooft. Dat moet de middelbare schooltijd zijn geweest. Met zijn verzameld werk kwam ook een korte biografie uit. Dat tragische van zijn leven werkte wel op de verbeelding. Vanuit dat idee ben ik meer naar de poëzie gegaan dan naar songteksten. Lucebert maakte zo’n indruk op me dat het bij me opkwam dat ik poëzie zou kunnen schrijven als een soort levensvervulling.

interieur atelier Daniël

Wanneer ben je met het schrijven van toneel bent begonnen?

Dat kwam vanuit die songteksten. Door die Franse chanson leerde ik Michel Fugain kennen en die had een soort musical-achtig theater. Dat leek mij interessant en toen heb ik ook geprobeerd zoiets te schrijven.

Hoe heeft zich dat dan ontwikkeld?

Ja, nou, aan het eind van het eerste jaar van de sociale academie moesten wij een presentatie houden en toen heb ik voorgesteld een toneelstuk te maken. Dat was ergens in ’83. Toen zat er weer een tijd tussen tot ik Samuel Beckett tegenkwam, wat mij weer op gang heeft gezet. Nee, dat is niet helemaal waar, in 1984 heb ik mijn eerste toneelstuk opgevoerd, dat heette Bierkaai. Ik wilde een collagestuk maken. Ik weet niet meer hoe ik daarbij kwam. Het was bij een jongerencentrum in Amsterdam. Het ging over een man die stervende was en zichzelf inbeeldde dat hij Jezus was die de wereld redde. Het bestond uit stukken uit de Deerhunter, poëzie van onder andere Bilderdijk en korte teksten van mij. Het waren allerlei samengestelde fragmenten die niet zo zeer een verhaal vertelden als wel een gevoel uitdrukten. Eigenlijk wilde ik me daar verder in ontwikkelen en ben op een toneelschrijfcursus gegaan, maar omdat de docent alleen maar geïnteresseerd was in Tsjechov was dat voor mij te rechtlijnig. Daar had ik niet zo’n zin in. Niet avontuurlijk genoeg. Wat ik wel bij Beckett vond.




Uiteindelijk gaat het over de levenservaring



Met avontuurlijk bedoel jij vooral de vorm?

Niet alleen maar chronologisch een verhaal vertellen, over niets praten zoals bij Tsjechov gebeurt, met daar achter die gevoelens. Bij Beckett komen de gevoelens veel meer naar voren.

interieur atelier Daniël

Hoe zou jij de fusie willen beschrijven die er in jou werk heeft plaatsgevonden tussen poëzie en toneel?

In een periode dat ik gedichten schreef begon ik ze te vermengen met gefingeerde dagboekfragmenten, wat uiteindelijk resulteerde in een werk dat ik een performance noemde. Eigenlijk poëzie voor het toneel, niet alleen als toneelstuk, maar ook als voordracht. Het was ook omdat je in de jaren tachtig een beperkt aantal voordrachtsdichters had. Simon Vinkenoog, Jules Deelder, Johnny van Doorn, Diana Ozon waren de hoofdmoot en die vond ik of betekenisloos of te schreeuwerig. Omdat het me in toneel wel lukte betekenisvolle zinnen te zeggen wilde ik het combineren. Dat heb ik geprobeerd in mijn eerste, in eigen beheer uitgegeven, boek ‘Van het leven luis’.

Je hebt het nu vooral over vorm, maar wat gaf jou werk betekenis en dat van bijvoorbeeld Johnny van Doorn niet?

Uiteindelijk kwam ik er natuurlijk achter dat het wel meevalt, maar het verschil toen was voor mij groot omdat er ook een generatieverschil is. Johnny en Simon kwamen uit de beats (jaren 50 literaire stroming uit de VS) en dat leidt tot een zwakke afgeleide. Omdat iets overbrengen in het Nederlands een hele andere manier is dan in het Engels. In het Engels kan je er een bepaalde schwung aan geven, terwijl het in het Nederlands vaak schreeuwerig wordt. Bovendien komt het geforceerd over omdat ze een bepaald Amerikaans gevoel proberen uit te drukken in Nederlandse setting. Wat je ook wel ziet in de hiphop, wat een Amerikaanse manier van uiten is. Het heeft een lange tijd geduurd voordat er hier een goede vorm in kwam.

Ja, maar je hebt het dan nog steeds over de vorm. Wat voor iets probeer je met je schrijven over te brengen?

(lange stilte)

Uiteindelijk gaat het over de levenservaring die IK heb opgedaan. Als ik kijk naar een werk als 'Zeghen’, dat eigenlijk een familieverhaal is over een zoon die weggestuurd wordt door de ouders en terugkomt, gaat dat heel sterk over niet geaccepteerd worden. Het gaat heel sterk over wat wordt doorgegeven door de ene generatie aan de andere.

Als je afstand neemt van die bundels die je hebt gemaakt…

Van het leven luis, De stilte van een ongeschonden stad, Zeghen en het laatste was Argument, het grote dikke boek. Alle vier zijn ze weer anders, omdat het over een periode van 20 jaar is geschreven… Wat een gemeenschappelijk noemer is?

Van het leven luis - poëzie 1988


Ja, ja, dat is een behoorlijke hoeveelheid werk… Dat je lust hebt om te experimenteren met de vorm is duidelijk, maar…

Ik geef mijn persoonlijke interesse er in weer. Het is moeilijk om over jezelf te zeggen wat de betekenis precies is…

Ik heb de indruk dat je een zo breed en gedifferentieerd mogelijk beeld probeert te geven van de wereld die je kent, of zie ik dat verkeerd? Genuanceerd! Ik probeer het niet terug te brengen tot een reclameboodschap, want je probeert zo genuanceerd mogelijk te zijn. Ik denk dat genuanceerd op zich al een boodschap is, je wil daar al iets mee zeggen, maar als je nou genuanceerd wilt vertellen over je schrijverschap…

Wat ik uiteindelijk wil uitdrukken? Dan kan ik alleen maar iets over de bundels zelf zeggen. Ik kan niet vanuit een vogelperspectief naar mezelf kijken en dan…


Je schrijft met het leven dat je leidt


Is het zo persoonlijk voor je dat het moeilijk is afstand te nemen?

Nee, nee, helemaal niet. Wat dat betreft is het allemaal niet zo biografisch. Je schrijft met het leven dat je leidt.

Ah, wacht even, je zegt dat je niet autobiografisch schrijft, maar dat je werkt met het leven dat je hebt. Dus, vertel eens, waar zit hier…

Je doet ervaring op met het leven en dat is dan hoe ik ook in mijn werk omga met bepaalde situaties. Als ik schrijf over een zoon die wordt weggestuurd en die jaren later weer terugkeert naar zijn geboortehuis kan ik alleen schrijven over de gevoelens die ik dan zou hebben.

De stilte van een ongeschonden stad - poëzie/expositie 2000


Zijn dat dan de gevoelens die jij jezelf verbeeldt dat die persoon zou hebben?

Ja. Omdat ik alleen uit eigen ervaring kan schrijven. Maar dat maakt het niet autobiografisch.

Maar hoe kom je er dan toe om een boek te schrijven over een zoon die uit huis wordt weggestuurd?

De aanleiding was een van de acteurs die meedeed aan het toneelstuk Tribunaal. Hij was uit Iran gevlucht en vroeg me, schrijf eens een toneelstuk voor mij. Daar ben ik mee aan de slag gegaan. Ik heb niet zelf de ervaring dat ik werd weggestuurd.

En het gaat niet over een Iraanse jongen, het gaat over een Hollandse jongen.

Ook niet per se. Er zit geen aanduiding in waar en over wie het speelt. Het speelt zich nog eerder af in een Joodse omgeving omdat de jongen in het kader van zijn dertiende verjaardag een fragment uit een boek moet voorlezen voor zijn bar mitswa. Ik heb niet zoveel ervaring met islamitische gewoontes.

Dus toen hij vroeg om een stuk voor hem, een Perzische man, te schrijven, schreef jij iets over een Joodse man, en dan ook nog vijf jaar later. Heeft hij het ook gelezen?

Nee! (gelach) Maar dat was de aanleiding. Omdat het verhaal van vluchteling zijn mij interessant leek. Het verhaal van niet meer in de omgeving te wonen waar je bent opgegroeid, niet meer bij je ouders te zijn…

En waarom is dat dan interessant voor jou?


Het verhaal van vluchteling zijn


Omdat het dramatisch interessant is.

Oké, maar als je naar dramatiek zocht dan had het ook iets in de trant van Shakespeare kunnen zijn. Je had ook over man-vrouwrelaties kunnen schrijven of politieke kopstukken. Je pakt een vluchteling, zijn verhaal.

Ja, het was een interessant verhaal.

Je voelt je betrokken bij de vluchteling?

Ja, en de vraag is natuurlijk waarom ik dat voel… Misschien komt dat uit mijn persoonlijke gevoel van onthechting. Ik denk dat het daar mee te maken heeft. Vanuit mijn onthechting uit de familieomgeving.

En compassie, behoefte aan medeleven?

Dat is interessant, omdat ik vanuit een redelijk streng christelijke opvoeding sterk het idee mee kreeg dat je de vluchteling moet helpen. Dat is een familietraditie. Dat heb ik in het dagelijkse leven misschien iets minder gedaan dan in mijn poëzie…

Je hebt het virtueel gedaan en dan voor de hele wereld? (Gelach) Is dit iets dat je in je andere werk zou kunnen terugvinden?

In zoverre dat het in de eerste bundel, Van het leven luis, gaat over het proces van onthechten. Het gaat over een jongen die weggaat met de trein en in de stad terechtkomt en daar totaal onthecht raakt van zijn jeugd en wie hij was. In zekere zin wordt hij ook een vluchteling.

Zeghen - poëzie/toneel 2010


Een autobiografisch gegeven dat je in een andere setting heb gezet en niet meer als zodanig herkenbaar is, maar wel refereert naar je toestand van toen?

Tja, dat kan je altijd achteraf zeggen, maar als ik ermee bezig ben dan is dat veel meer instinctief. Wat ik opschrijf komt uit mezelf, maar verbeeld ik naar een andere situatie.

Dat christelijke motief van Zeghen, naastenliefde, het helpen van een vreemdeling, zijn er nog meer van dat soort aspecten terug te vinden?

Als je het over onthechting hebt laat de eerste bundel dat proces zien en Zeghen is het spiegelbeeld daarvan, namelijk het proces onder woorden brengen van het proberen te helen. Ik weet niet in hoeverre dat autobiografisch zou zijn. Dat is een interessant gegeven. Hoe kan je als mens terugkeren naar de persoon met wie je hebt gebroken?

Terug naar je eigen persoon van toen? Ik bedoel, die persoon gaat weg, komt terug, maar de mensen kennen hem nog steeds zoals hij was toen hij wegging…

Ja, en daar blijkt uit dat die heling niet mogelijk is. In Zeghen zijn alle personen, zeker de moeder en de vader, erg egoïstisch en de zoon wil graag geaccepteerd worden, liefgehad, en dat kunnen ze niet.

En de andere twee bundels die je nog niet heb genoemd?

Stilte van de ongeschonden stad is meer een bundel… Ja, dat is grappig, als je het er over hebt zie je meer de verbanden! (luid gelach) Kijk, die is begonnen als een kerstmis-cyclus op verzoek van de Rode Hoed. Het was voor een kerstconcert. Ze vroegen mij om een paar gedichten. Die zijn toen ook uitgevoerd. Daar is een bundel uit ontstaan van vier delen. De eerste drie gingen over verlies. Het laatste deel was gebaseerd op het Orpheus en Eurydice verhaal, op zoek naar de doden, naar degene van wie je afscheid hebt genomen. Dat gaat dus ook over afscheid en terug proberen te halen.

Argument - poëzie 2011


En de vierde bundel?

Argument gaat in feite over de politieke situatie in het land. Het is een weerspiegeling over de jaren sinds 1995. Omdat ik mij in die periode enorm kwaad maakte over de toenmalige partijleider van de vvd. Die maakte de opmerking dat de voormalige communisten van Nederland zichzelf in het openbaar zouden moeten verantwoorden. Dat was een langzaam smeulend vuurtje dat werd opgestookt door twee politici waarvan eentje is vermoord. Ik vroeg mij af waarom ik me zo aangesproken en beledigd voelde als Wilders tekeer ging tegen de linkse kerk. Ik zit politiek in het links-midden en alles waar hij tegen ageert heb ik goedgekeurd. Niet alles, maar algemeen gezegd. Fortuyn vond het een zwarte bladzijde in de Nederlandse geschiedenis en Wilders vindt het nog erger. Ik wilde onderzoeken waarom dit mij raakte. Vervolgens zag ik dat in die hele periode niet alleen de pvda in de regering zat, maar ook de vvd.

Het is dus eigenlijk een onderzoek naar je beweegredenen, gespiegeld en gekanteld in poëzie. Wordt daar in de poëziewereld niet erg op neergekeken als je maatschappijbewust en betrokken bent? Loop je niet het gevaar dat je in gestolde betekenissen schrijft?

Tja… Ik heb de hele woede van Wilders als een persoonlijke aanval ervaren, dus in zoverre is het een persoonlijke bundel en niet zozeer een politieke. Hoewel ik het wel erg politiek heb gemaakt.


Ik wilde onderzoeken waarom dit mij raakte


Maar als iemand over vijftig jaar deze bundel leest, in hoeverre kan deze zich daar dan in herkennen?

Omdat het niet over specifieke politieke daden gaat, maar over politieke ideeën. Over sociaal-democratie, liberalisme, over vrijheid, over marktwerking…

En over buitenstaanders?

En over buitenstaanders! (gelach) Ja, ook, zeker!

Waarin jij eigenlijk voor je gevoel de buitenstaander bent?

Ja. Die bundel bestaat weer uit vijf boeken. Het eerste is een toneelvertelling over een fabriekseigenaar die als vooroorlogse imperialist leeft. Vervolgens komt er een onderzoek naar wat het liberalisme heeft betekend in de afgelopen 50 jaar. Dat gaat over de periode Van Agt. Dat gaat over berufsverboten, de Baader-Meinhoffgroep, dat soort dingen. Van de jaren zeventig tot aan het liberaal conservatisme van Wilders. Maar in hoeverre kun je voor die politieke veranderingen alleen de linkse kerk verantwoordelijk stellen?

*

foto's interieur atelier Daniël door M. Ozymantra
foto's dichtbundels Daniël Bras


Andere interviews op Ozymantra Speelt:

Marco Rump (schilder)
Marco de Piaggi & Federico (architecten)
Saskia van der Giessen - Labasheeda (muzikant)
Gerben den Heeten (illustrator)

donderdag 9 mei 2013

Guerilla op het internet


Hoewel ik een hartstochtelijk verdediger ben van het internet, zelfs in die mate dat ik er bepaalde Verlossende kanten in zie, zie mijn tweede blog ooit (hier en hier nog meer over het internet), denk ik dat er natuurlijk ook kanttekeningen mogen worden geplaatst. Niet alleen de voor de hand liggende, zoals  degenererende omgangsvormen, verslavende effecten, contactstoornissen, zelfmoordneigingen, smaakvervlakking, maar ook een die minder vaak wordt besproken in de ‘mainstream media’: privacy.

Gij die niets hebt te verbergen hoeft niet bang te zijn. Dat is het vaak uitgesproken mantra. Of er echt mensen zijn die niks te verbergen hebben, die geen zwakheden in geheimen hebben gewikkeld, die geen pleziertjes in het ondermaanse hebben, of die gewoon de behoefte voelen sommige stukjes van zichzelf voor zichzelf te houden, is maar de vraag. Geen vraag is wat de grote bedrijven graag met uw gegevens doen. Geld verdienen. Over de rug van elke gebruiker.

Dat kennis macht geeft aan degene die er iets mee kan, is misschien spreekwoordelijk. Dat een bedrijf zoveel kennis kan verzamelen dat ze je volgende ejaculatie of eisprong kunnen voorspellen, en daar een plak reclame tegenaan kunnen smijten, is de niet al te verre toekomst. Geef Facebook of Google nog tien jaar. Misschien kunnen ze het al. Misschien weten ze al precies wanneer jouw zwakke moment is dat je kan worden verleid tot een koopje.

De vraag of het erg is dat ze weten wat je wilt kopen en wanneer, of het uitmaakt dat je alleen van hen koopt, alleen hun internetwereld ziet, dat je een onderdeel bent van hun grote kapitalistische machine, die mag best gesteld worden. Hoort de macht over je leven bij een bedrijf of bij jezelf? Ligt de macht over je leven eigenlijk ooit alleen bij jezelf? Is het misschien beter dat als die macht dan niet alleen bij jou ligt, deze het best bij zo veel mogelijk verschillende spelers ligt?

En een andere vraag zou kunnen zijn: hoe behoud ik mijn stukje macht? Of: hoe voorkom ik dat de grote informatiebedrijven teveel macht krijgen? Het antwoord is natuurlijk precies daarin gelegen: informatie. Hoe meer ze weten over een individu, hoe meer ze weten over grote groepen, hoe meer ze die kunnen bespelen voor hun eigen doel: winst. Ze werken met algoritmes die aan de hand van grote hoeveelheden gegevens voorspellen en oordelen. Ze scherpen deze algoritmes aan zodat het steeds makkelijker wordt algemene uitspraken te doen, ook over individuen. Ook over jou stoelgang.

Het argeloos je gegevens op internet zetten is om veel redenen onhandig. De werkgever kan die foto van dronken-jij de avond voorheen tegen je gebruiken. Een hacker vindt je e-mailadres handig om je te besmetten met een virus of rootkit. Alleen daarom al is het handig bepaalde informatie achter te houden. Maar gegevens zoals je volledige naam, je woonplaats, wat je leuk vindt op Hyves, waarnaar je googled, dat is wat de grote bedrijven graag willen.

Daarom zal je soms moeten liegen. Strooi zand in de molen van algoritmes door zo nu en dan ontrouw aan jezelf te zijn. Wees onvoorspelbaar. Een pseudoniem is nooit weggegooid. Dat je op Mars leeft mag onzin zijn en natuurlijk weten ze beter (isp-trackers), toch voelt het alsof hun maaltijd licht is aangebrand. Zeg vooral dat je van Police Academy iii houdt (waar), maar vermeldt ook dat je La Notte hebt gezien (waar?). Maak er een leuk mismasje van. Je echte vrienden weten beter, de rest kan het weinig schelen, Facebook wil je er voor aan het kruis nagelen. Het Internet is niet van hen.

Under pressure
illustratie M. Ozymantra

vrijdag 3 mei 2013

De windbel – een roman van Lucas Hüsgen


Wat mag je verwachten als je in het hoofd van een moordenaar vertoeft? Hoeveel van ons mogen zich moordenaar noemen? Niet van vliegen, verdomde vliegen vlieg eens op, maar van een mens. Waarschijnlijk niemand die dit leest, anders wil ik u niet kennen. Ik heb zo’n vermoeden dat niemand die dit leest een groter dier dan een vlieg heeft doodgemaakt. Verdomme, vlieg eens op vlieg, of ik doe je wat! Doden doen wij nou eenmaal niet meer. Wij kopen ons vlees in de supermarkt en laten de staat een vonnis uitvoeren. Voor het gevang, let wel.


 Enkele van de eilandjes bij Yeosu, Zuid Korea. Een gedeelte van de roman speelt daar af


En als je een roman leest met in de hoofdrol een moordenaar, wat wil je dan weten? Het is al vreselijk genoeg dat we ons kunnen verbeelden iemand te vermoorden, een boek lezen van een begenadigd schrijver over een moordenaar is voor velen een opgave. Onze nieuwsgierigheid zou het wel eens kunnen winnen van onze ethische overtuiging. Misschien vragen we het ons wel eens af hoe dat moet zijn, leven in het hoofd van een moordenaar.

De roman is het beste middel om iets te laten zien van die verborgen wereld. Net als iedereen kan de schrijver zich inbeelden, maar anders dan iedereen kan de schrijver het uitdrukken. Verwacht je het mooie rechte proza van een Grunberg in Gstaad 94-95? Een seriemoordenaar die geordende monologen houdt alsof hij de was doet. Of verwacht je het romige, het barokke, het intens particuliere van Hüsgen? Misschien is het soms even volharden, maar je verwacht verwarring, opstand, onderschatting, overduiding, herhaling, het malende zelf van iemand die zich probeert te overtuigen, die een herinnering probeert weg te drukken. Je verwacht de gecontroleerde gekheid van iemand die op de vlucht is en in Zuid-Korea terechtkomt om daar zijn laatste dagen door te brengen. Je zou best eens in de complexe geest van Bas van Tongeren kunnen terechtkomen.

Ik las op hetzelfde moment ook Dautzenbergs beschaafde roman Extra Tijd, waarin een thema speelt waar ik mij erg betrokken bij voel, de vader-zoonrelatie, maar dat pakte me geen moment echt. Alles was mooi, alles was volgens de regels, met hier en daar zelfs een leuk gek uitstapje, maar de stroom van woorden in De Windbel trok me mee in een maalstroom van angst en verwarring. Met voor mij een hoogtepunt in een gedachtegang over atomen, ja ja. Naarmate ik dichter bij het eind kwam werd de beklemming steeds groter. Wat was er echt voorgevallen? Lucas’ boek is een gevarentocht, een van die momenten in proza dat de lezer een ware ervaring ondergaat.


De windbel is te verkrijgen in iedere boekwinkel of via uitgeverij Het Balanseer. Lucas Hüsgens blog is hier te vinden.


 Uitzicht op de haven van Yeosu, Zuid-Korea