woensdag 21 november 2012

Het realisme van Gerb-Art - interview met Gerben den Heeten


Ondanks de drukte van zijn professionele leven lukt het me tekenaar Gerben den Heeten van Gerb-Art te spreken te krijgen. Ik ken hem al een tijdje en weet dat werk voor alles gaat. Het is alweer even geleden dat ik zijn huis heb gezien. Meestal spreken we af in de stad waar hij dan uit zijn tas de meest uitzinnige, maar ook bijzondere, tekeningen haalt. Gerbens huis is tegenwoordig zeer gezellig. Je kan de vrouwenhand erin terugzien. Hijzelf spendeert het grootste deel van zijn tijd achter de tekentafel. Boven het computerscherm hangen een paar schetsjes en voorbeeldjes. Alles is zoveel netter dan je je zou voorstellen. Het is een geoliede operatie. We gaan zitten in de zitkamer en praten eerst wat over het verschil tussen striptekenaars en ‘gewone’ mensen. Het is iets waar hij recentelijk over zat te lezen. Natuurlijk verschillen we van mening, maar dat is ook niet waarvoor ik langs ben gekomen. Ik wil hem vragen over hoe hij hier terecht is gekomen, over wat van hem de tekenaar heeft gemaakt die hij nu is.


Wanneer besefte jij, op welke leeftijd en welke manier, dat je tekenaar wilde worden?

Eigenlijk wist ik dat al op vroege leeftijd. Dat cliché. Van zodra ik een potlood had begon ik te tekenen. Maar één van mijn vroegste herinneringen was op de kleuterschool. Dat ik aan het tekenen was en dat heel fijn vond. Ik realiseerde me ook dat ik kon visualiseren wat ik in mijn hoofd had zitten.



En wat zat er in je hoofd?

Ik was altijd heel erg bezig met prehistorische dieren. Met van die grote tanden. Dat zijn van die fases. Dinosaurussen, inderdaad. Uiteindelijk is het zelf verzonnen, omdat je het niet letterlijk kan maken. Ik had dan wel plaatjes van dinosaurussen gezien, daar ben je dan mee bezig, maar de fantasie gaat dan op gang. We kregen erover op school, maar in je hoofd gaat dat verder. Het wordt veel groter dan op school. Toen ben ik begonnen met tekenen. En werd ik er bewust van ik dat heel leuk vond en, bovendien, kreeg ik ook van anderen te horen: ‘wat goed dat je dat kan’ en dat werkte versterkend.


Wat was dan daarna het eerste omslagpunt?

Eigenlijk omdat ik tijdens die lagere school merkte dat tekenen mijn ding is, ben ik het steeds meer gaan ontwikkelen, ook buiten school en thuis. Van achter je bureau te zitten in je kamer en dan maar tekenen. Ik heb het over illustratief tekenen, ja. Ik had als kind vrij veel angsten, dat is natuurlijk vrij normaal voor kleine kinderen. Ik was bang voor heel veel dingen waar ik eigenlijk geen vat op had. Dinosaurussen was een fase. Ik was ook heel erg bang voor de dood, maar ook voor het donker, voor spoken en geesten, onder het bed en in de slaapkamer en oorlog. De Koude Oorlog en de Derde Wereldoorlog die er aan stond te komen. Dat probeerde ik allemaal in die tekeningen te stoppen. Als ik dat nu terug zie zijn het heel vaak oorlogstaferelen, bloederige toestanden. Dan hebben we het over tienjarige leeftijd. Zeg maar acht, negen, tien jaar.

Je werd toen vooral beïnvloed door striptekenaars?

Ja, ik ben altijd erg in popculture geïnteresseerd geweest. Waarschijnlijk omdat ik uit een working class environment kom. Kunst werd bij ons niet gestimuleerd. Gewoon tv, radio, stripboekjes. Ik wist niks van kunst af of de kunstscène, maar van Storm, Eppo, Robbedoes, stripjes. Die hebben mij geïnspireerd en die ging ik natekenen. Uiteraard Marvel Comics met de superhelden. Je hebt van die fases, dan ben je klaar met de Eppo en is het op Koninginnedag alle comics kopen. En die bestuderen en natekenen.

Wanneer ben je bij Disney terechtgekomen?

Disney sluimerde al een hele tijd. Op de lagere school, als kleine jongetje, zat ik uren in de bibliotheek Disneyboeken te bestuderen. Ik dacht toen al dat het feit dat ik daar zo mee bezig was wilde zeggen dat ik het. Erg. Belangrijk. Vond. Dat was ook een fase. Alles was toen Disney. Illustreren, natekenen, mijn eigen verhaaltjes, animaties, dat was ook zoiets. we hebben het nu over 13, 14, 15 jaar. De vroege puberteit. Ik was toen eigenlijk nog niet bezig met dames op papier te maken. Ik keek vooral veel naar Disney-animaties. De jaren 30 tot eind jaren 40. De Gouden Periode. Bijvoorbeeld de Sorcerers Apprentice, uit Fantasia. Het is een bepaalde tekenstijl die heel wollig is, heel vol. Zoals Donald Duck in die tijd, die wordt heel vol getekend en warm, schaduwtjes en de achtergronden. Het zijn allemaal schilderijtjes. Prachtig! Het wordt ook gezien als de topperiode van animatie. Door anderen en door mij. Je hebt ook de jaren 50, maar door budgettering ging de kwaliteit van de animatie achteruit.

Je bent uiteindelijk naar de kunstacademie gegaan?

Uiteindelijk… Ja. Maar ik wil nog zeggen dat ik rond mijn 17de nogal twijfelde over mijn tekenaar-zijn. Ik dacht, iedereen gaat economie studeren, ik moet ook maar. Scheikunde gaan doen of zo. Terwijl die bètakant in mijn hoofd niet werkt, dus dat had bij voorbaat al geen zin. Toen ben ik na de havo, na een overbruggingsperiode, toen dacht ik laat ik de gok wagen en ben naar de Rietveld Academie gegaan. En dat was een hele grote stap. Ten eerste wist ik helemaal niet wat dat was, maar tekenleraar Jan van Diemen,  sportschilder, maar dat terzijde, die zei ‘dat moet je gewoon proberen’. Toen heb ik toelating gedaan voor de avondopleiding, want ik was te laat voor de dagopleiding. Achteraf was dat belachelijk. De avondleiding is voor mensen die een beetje zijn gesetteld. Ik had allerlei stripachtige tekeningen meegenomen en om me heen zag ik dingen liggen waarvan ik dacht ‘what the fuck?’. ‘Kom ik hier met mijn stripjes.’ Maar goed, de docenten zagen het toch zitten. Alleen werd ik wel op de dagopleiding geplaatst. En zo begon het avontuur Rietveld.

Hoelang heb je er over gedaan?

Ik heb er vier jaar gezeten. Het eerste jaar heb ik twee keer gedaan. Het eerste daarvan was gewoon dramatisch. Een en al ellende. Gewoon ongelofelijk. Je kan wel zeggen angst. Voor die hele wereld waar ik in terecht kwam. Dat contrast tussen mijn eh bescheiden wereldje van working class, Christelijke middelbare school en dat gerenommeerde instituut de Rietveld Academie was zo groot, dat kon ik allemaal niet bevatten. Er werd mij ook het advies gegeven van ‘Gerben, eigenlijk ben je te jong, je moet een wereldreis maken, you need some back up’, maar dat heb ik niet gedaan. Toen ben ik een beetje de kunstenaar gaan spelen. ‘Als dit van me verwacht wordt, dan ga ik dat gewoon zijn.’ Dat is een paar jaar goed gegaan, maar ik kon toch mijn ei niet kwijt. En wat is dat ei? Mijn ambachtelijke tekenkunsten. Mijn populaire cultuur. Het was een mooie en leerzame periode, maar ook erg moeilijk.

Wat heb je ervan opgepikt?

Soms vraag ik het me af. Het is bijna 20 jaar geleden. Ik ben eindelijk klaar met het afbetalen van de studieschuld. Ik neem dat tenminste aan, want krijg al een tijdje niet meer de giro’s binnen (gelach en gegiechel van beide kanten). Ik heb geleerd een brede visie te ontwikkelen op veel vlakken. Ik heb geleerd met allerlei verschillende types mensen te kunnen omgaan. Ik had naast de Rietveld ook een periode van Sturm und Drang. Daar hoef ik natuurlijk niet veel over uit te wijden, maar als je je hele leven beschermd bent opgevoed en je vrij bent van het ouderlijk nest, dan is het tijd van knip knap die kettingen doorknippen en de darkness ingaan. Eigenlijk begon mijn puberteit toen pas (gegiechel). Op mijn 23ste. Na vier jaar ben ik er afgezet, want ze dachten ook ‘voor jou is hier geen plek’. Ik vond dat niet erg. Ik kon daar mijn creativiteit niet kwijt en de dingen die ik deed werden weer niet opgepikt of goed gevonden.


Vertel eens iets over de periode daarna?

Toen ben ik met een vriend een soort kunstenaarsduo begonnen. Hij was dan meer van de kunst en ik van het toepassen en met animatie bezig. We noemden onszelf Het Bedrijf. Dat was meer zijn uitvinding. Hij wilde zich ook als zodanig presenteren. Dat we bijvoorbeeld Armani pakken hadden met camouflagekleuren, dat soort dingen. Een beetje al la Gilbert & George. We probeerden samen als een ontwerpduo verder te komen. Uiteindelijk is dat stukgelopen omdat hij meer de kunstrichting wilde opgaan en ik poppetjes wilde blijven tekenen. Toen kwam ik mijn toenmalige agent tegen, Jorgen Bolle en die had een potentieel klusje, een Katja Schuurman stripje en dat leek me wel wat. Vanaf dat moment is mijn commerciële tekencarrière begonnen. Toen heb ik eigenlijk de richting gekozen die ik nog steeds doe. Niet meer twijfelen, maar gewoon met je eigen dingetje dat je al sinds de kleuterschool kan geld bijeen sprokkelen.

En dat lukt?

Haha, nou ja, pieken en dalen, ups en downs, goeie tijden slechte tijden en noem al die clichés maar op. Maar het is een struggle.


Zou je het aanraden aan mensen die kunnen tekenen of heb je meer nodig dan alleen kunnen tekenen?

Ja, je hebt heel veel meer nodig dan alleen maar kunnen tekenen. Je hebt bijvoorbeeld goede contacten nodig. In eerste instantie gaat het om wat je kan, maar wie bepaalt of het goed of slecht is? Jij kan wel denken dat het goed is, maar als je het naar een agentschap stuurt en die zegt, ‘ja we hebben al tien van die gasten die dat ook kunnen’ dan bepalen zij wat de norm is voor jou. In de commerciële tekenwereld is het alleen of je hebt een agentschap. En dat laatste heeft grote voordelen. Je bent heel erg afhankelijk van die stem van buitenaf of het aanslaat. Om te slagen heb je best een bepaalde stijl nodig, maar het zegt niet alles. Het hangt er ook een beetje vanaf welke richting je op wil gaan. Wil je bijvoorbeeld een superheldenstijl nastreven dan ga je in die hoek zitten. Ik ben een allrounder. Voor vele dingen inzetbaar. Waarbij dan een cartoony stijltje de overhand heeft. Ik ben geen realistische tekenaar, maar zou het wel kunnen! Dat cartoony zit zo in mij dat ik dat meestal hanteer. Maar ik houd wel van uitstapjes maken.


Ik weet dat je ook stripjes hebt gemaakt…

Ja, paar stripjes gemaakt, tekenfilms, allemaal in die periode met Florian. Die animatiefilmpjes waren ontzettend moeilijk. Daar ben ik maar mee gestopt. Wij scanden bijvoorbeeld alles in met een bewakingscamera en in een Amiga moest je dat beeldje voor beeldje achter elkaar plakken. Dat was dan Florians taak. Ik kwam met honderden tekeningen op a-viertjes, armpje hier, hoofdje daar. Het zag er helemaal niet uit. Tegenwoordig is het een stuk makkelijker. Je hoeft het niet eens meer in te scannen. Je tekent het direct op het scherm en laat het direct bewegen.
Stripjes tekenen vond ik vreselijk om te doen. Op een gegeven moment belandde ik in De Erotiek, die altijd sluimerend aanwezig was, maar dat werd steeds heftiger. Ik heb het eigenlijk nog niet vertelt, maar dat is ook een belangrijke periode geweest. Toen ik Black Eye Pictures had geformeerd. Het was mijn alias. Dat is ten tijde van de Rietveld ontwikkeld. Ik wilde eigenlijk undergroundachtige strips en sculpturen maken. Heel fetishachtig. Young Jerk bijvoorbeeld. Ik had zoveel plannen voor strips en hele albums, maar strips tekenen is niet mijn ding en meer dan schetsen is er eigenlijk nooit van gekomen. Uiteindelijk heb ik toch er wat getekend. Ik nam toen contact op met Eros Comics in Amerika. Ik dacht van laat ik het proberen. Zij antwoordden dat ze graag werk van mij wilden. Ik was ontzettend blij, want dacht van, hier gaat het nu gebeuren ‘Amerika, Amerika!’. Dat bleek mee te vallen. Ik heb wel wat mogen maken en ik ben zelfs de enige Nederlander, misschien zelfs de enige tekenaar die in vijf verschillende boekjes strips heeft gehad en daar OOK de covers voor heeft gedaan. Die stripjes zijn jaren later onder de naam Perversia uitgebracht en die verkoop ik nog steeds op beurzen. Dat is eigenlijk mijn enige wapenfeit op stripgebied.


Om af te ronden. Waar wil je terecht komen, wat is je toekomstperspectief?

Dat is een moeilijk iets, want het liefst zou ik doorgaan zoals ik altijd heb gedaan, maar ik woon niet alleen meer. Mijn vriendin steunt mij natuurlijk in alles, maar die heeft ook bepaalde eisen over welke richting we samen op moeten gaan. Dus dat betekent steeds meer dat als ik iets doe de vraag komt ‘wat levert me dat op?’. Vroeger deed ik alles omdat ik het leuk vond, maar nu denk ik bij wat ik doe hoe ik dat commercieel kan exploiteren. Ik ben bijvoorbeeld bezig met een opdracht voor een bedrijf voor een aantal piraatjes, maar ondertussen ben ik bezig met wat ik er nog meer uit kan halen. Geld verdienen om een bepaald leven met partner te kunnen leiden wordt steeds belangrijker. Ik ben 41 dus kan niet meer dromen. Die dromen die ik altijd heb gehad verdwijnen steeds meer. Het wordt steeds meer een soort realisme. Als je een huis wil kopen kan je niet een half jaar met een stripalbum bezig zijn. That’s how the cookie crumbles! (Gelach.)



 


Gerben is veel te vinden op beurzen. U kunt voor tekeningen op commissie via zijn website contact opnemen of via zijn Facebook. Ook voor professionele opdrachten kunt u daar terecht.







Alle foto's met toestemming van Gerben den Heeten gepubliceerd

woensdag 7 november 2012

Over volwassen strips gesproken – Age of bronze


English translation down the page

1

Het valt me soms op dat literatuur vaak wordt gemeten naar haar meest volwassen spreker, iemand als Coetzee of Tolstoy en dat de strip bijna altijd naar zijn meest kinderlijke vertegenwoordiger. Dat terwijl er in de literatuurwereld meer dan genoeg onvolwassen leesvoer wordt gedrukt en er in de strip genoeg zeer hoogstaande werkjes worden gepresenteerd. Misschien is het zo dat literatuur langer bestaat, pas wordt gelezen als men ouder is, en de strip een vrij recente uitvinding is, waarvan ieder eerst de speelse boekjes krijgt en daarna niet meer aansluit bij het diepgaande voer. Laat ik duidelijk maken dat ik vertalingen van romans door striptekenaars zoals Dick Matena, van bijvoorbeeld De Avonden, niet reken tot de volwassen strip. In zekere zin mag dit soort vertalen als een verarming van de strip worden gezien. Misschien is het zelfs een parasiteren door de literatuur. Aan literaire vertalingen naar de strip deed men tussen 1940 en 70 in de VS al met hun Classics Illustrated serie. Karakteristieke en inventieve verhaalmogelijkheden worden meestal ontweken ten faveure van iets dat eigenlijk alleen voor woord is bedacht. De manier waarop beeld en woord tijd vertellen, een verhaal bewegen en stil zetten, thema’s op verschillende manieren mengen, waaraan de tekenaar ook bijdraagt door stijl, wordt grotendeels uit de weg gegaan. Zeker in deze moderne vertellingen. Een echt volwassen strip voldoet aan geheel andere eisen dan een roman.
Overigens kunnen de zogenaamde kinderstrips, zoals Guust of Asterix, heel goed worden genoten door, inderdaad, van 9 tot 99. Ouderwets vermaak voor elke generatie en niks om op neer te kijken. Elk album een juweeltje van innovatie, creativiteit en speelsheid met een sterk thema.

Er kunnen best voorbeelden worden genoemd van strips die uit het eigen universum van verbeelding komen en daarin grootse stappen hebben gezet richting het volwassen publiek. Maus van Art Spiegelman bijvoorbeeld. Maar voor dat hij dit maakte werkte hij al de mogelijkheden van de strip uit op een manier die alleen geraffineerd kan worden genoemd. Kunst voor de kunst, waarin hij het lichte van de strip binnenste buiten trok en sequentie plat vlak uitwerkte. Daarin was hij zeker niet de eerste, of laatste. In de Amerikaanse ‘underground’ (waar hij uitkwam) werd er al lang volop geëxperimenteerd. Natuurlijk is er ook zoiets als 'De Avonden' in het Engels. Neem bijvoorbeeld Robert Crumbs bijbelvertelling. Maar door diens stijl en karakter wordt het verhaal geheel anders. In Yummy Fur deed Chester Brown ook de bijbel, maar dan vier keer de vier apostelen van het Nieuwe Testament. Door zorgvuldige keuzes uit de bijbeltekst weet hij telkens een andere karakteristieke sfeer op te roepen die past bij de betreffende apostel. Het maakt dat de verhalen, die allen min of meer hetzelfde beschrijven, doordrenkt raakten van het karakter van de vertellers. Op deze manier wordt het ons gegund om Christus letterlijk door de ogen van de apostelen te zien. Het woord wordt minder urgent, maar de intentie van de vertellers en hun emotionele geladenheid des te meer.
In elke strip zoeken de karakteristieken van woord, beeld en opeenvolging naar de uiterste en meest geschikte betekenisvorm. Of het gaat om Lucky Luke of de bijbel.

2

De Amerikaan Eric Shanower heeft ons de afgelopen jaren op iets speciaals bediend dat nog maar net tot onze landerijen is doorgedrongen: Age of Bronze (in het Nederlands: Het bronzen tijdperk (Saga Uitgaven), wat toch iets van de kracht van het origineel mist). Het is een omvangrijke benadering van de Illias, een boek dat in de Verenigde Staten altijd extra aandacht krijgt wegens hun superheldencultuur. Deze mag gezien worden als een moderne voortzetting van de klassieke Griekse heldencultus. Het zou al voldoende zijn voor menig liefhebber als Shanower probeerde het verhaal zo natuurgetrouw na te vertellen, maar wat hij doet gaat verder dan in literatuur of geschiedenisboeken wordt gedaan. Hij heeft alles dat refereert aan de Illias verwerkt in een coherent verhaal. Het enige dat echt afwijkt is dat hij, net als in de film Troy, de goden weglaat. Als er wordt gevraagd om hun aanwezigheid, zoals met de godin Thetis, moeder van Achilles, presenteert hij haar als mens. Ze is in dat geval cultisch leider met grootse aantrekkingskracht op iedereen rondom haar. Het is een interpretatie van hoe de goden in de verbeelding zouden kunnen zijn geslopen die getrouw aan de werkelijkheid kan zijn. Zo zijn er tempels in Midden-Amerika gevonden, die, deurtje na deurtje openend, begonnen bleken als graven voor een koning. Deze had door de tijd heen goddelijke status verkregen. En niet alleen verwerkt Shanower alles dat in de Illias staat en de teksten die voornamelijk overgeleverd zijn uit de vijfde eeuw voor Christus, maar ook latere verhalen krijgen een plaats, zoals Shakespeares Troilus en Cressida. Wat er verder aan archeologisch bewijs is gevonden over de tijd waarin de Illias zou hebben plaatsgevonden (1200 voor Christus), maakt dat we niet de typische Corythintische helmen zien waar normaal gesproken alle helden mee worden getooid. Die werden pas duizend jaar of zo later modieus. In plaats daarvan dragen ze de hoofddeksels waarvan we ondertussen zeker denken te weten, door vondsten en schilderingen, dat de Myceners en tijdgenoten ze moeten hebben gedragen. Achterin het boek dan ook uitgebreide bronlijsten.

De manier waarop Shanower (ook schepper van verschillende boeken rond Oz, uit het verhaal van L. Frank Baum) zijn wereld verbeeldt is vrij basaal. Zwart-wit tekeningen die consistent in beheerste kaders opeenvolgen en zodoende een fijn ritme op de pagina veroorzaken. Geen enkel plaatje springt er echt uit, wat eigenlijk vanzelfsprekend zou moeten zijn in een strip. Tenslotte gaat het om de samenhang die een consequente benadering oproept, waardoor de lezer zich geheel in het verhaal kan verliezen. Juist op deze manier, wanneer tekenwerk en tekst naar de achtergrond stappen, ontstaat de gestalt in het hoofd van de lezer. Als een film, maar niet als een film. Waar je bij film eigenlijk geen rustpunt hebt, tenzij met de pauzeknop, waardoor het oog de hele tijd mee wordt getrokken, kan de lezer van een strip het eigen ritme bepalen. Rustig inzoomen, stil terugbladeren, de stemmen vormgeven, pagina's overslaan om later toch  lezen. Natuurlijk probeert Shanower ons een bepaalde kant op te duwen. De opeenvolging van platte en staande kaders tonen verschillende snelheden waarbinnen het vertelde afspeelt. Als de kaders wegvallen, vanwege een droomsequentie of een andere bijzondere gebeurtenis, valt dit extra op. Zijn in eerste opzicht enigszins houterig aandoende koppen en lichamen worden dermate consistent uitgevoerd dat iedereen een eigen karakter krijgt. Bovendien sluit het aan en verwijst het naar de schematische manier van afbeelden die gewoon was in die tijd en waar ook de Illias zelf in woord regelmatig gebruik van maakt. Het ging in Homerus' tijd niet om de allerindividueelste expressie van het allerindividueelste voelen, maar om een iconische, ondertussen soms stereotype, manier van uitdrukken. Alsof elk mens en ding Het Mens en Het Ding is. Niettemin laat hij ruimte voor de lezer door het maar al te menselijke gedrag van zijn karakters. Zo valt het niet moeilijk een emotionele verbintenis aan te gaan. Juist dit contrast tussen het stijve en het liederlijke is wat de strip, maar ook de mythen zelf, boeiend maakt. Het zwart-wit, gecombineerd met de iconisch verstolde uitvoering, maakt de pagina’s soms wat ondoorgrondelijk voor de beginnende lezer. Eenmaal gegrepen laten ze niet meer los.
De intentie is om het in 7 delen te doen, maar bij deel drie is er al sprake van een 3A-deel, dus dat gaat nog even duren. Geen enkel probleem, zou ik zeggen, voor deze Asterix voor volwassenen.

Een preview van twee pagina's van  Age of bronze 32.



Gekleurde platen voor de tablet-versie



Ondertussen zijn er drie delen in de Verenigde Staten verschenen bij Image Comics, allen in zwart-wit, voorgepubliceerd in korte ‘comics’ van plusminus 22 pagina’s. Een kleurenversie voor de tablet is hier te verkrijgen. Waar kunt u dit langzaam groeiende meesterwerk in Nederland kopen? De dappere Belgische uitgeverij Saga Uitgaven bedient onze markt onder de titel Het bronzen tijdperk. Te bestellen via http://www.sagauitgaven.be/index.html Ze delen elk boek in twee. Binnenkort verschijnt het tweede deel. U kunt zich natuurlijk ook direct bij meneer Shanower opgeven voor nieuws en informatie op http://www.age-of-bronze.com/. Kijk ook even naar de links aldaar, want een hoop te smullen voor iedereen die geïnteresseerd is in de authentieke wereld van de Illias. Facebook pagina hier. Een stripzaak die ook comics verkoopt kan vast helpen aan de losse deeltjes of complete boeken. Vraag ernaar. Hoe meer mensen ervan weten hoe beter.

English translation


1

Sometimes I notice how literature is measured by it’s most mature representative, like Coetzee or Tolstoy, and that the comic strip (it is kind of difficult to translate this from Dutch to American, since both have such different approaches in publication) is almost always measured by it’s most childish representative. Though considering that in the world of literature also a lot of immature stuff is produced and that the comic strip presents enough high minded works. Maybe it is so that literature has existed longer, which one reads when one is older and comic strips are a quite recent invention, which people read when they’re young and abandon when they grow up. So they miss the connection to the profound stuff. Let me make it clear that I don’t consider translations of novels by artists like Dick Matena, of De avonden (a famous Dutch novel by the writer Gerard reve), a mature comic strip. From a certain perspective this kind of translation could be seen as an impoverishment of the comic strip. Maybe literature is even some kind of parasite in this case. Literary translations were already done in the US during the 40s-70s in the Classics Illustrated series. Characteristic and innovative possibilities of telling a story are mostly avoided in favor of something that’s only made for words. The way in which word and image tell about time, animate a story, mix themes in different ways, to which the artist adds style, is largely avoided. Certainly in these modern tales. A really mature comic strip complies with very different demands then a novel.
Of course, so called children comics, like Guust (Gomer Goof) or Asterix, can be very well enjoyed by, indeed, 9 till 99 years old. Old-fashioned entertainment for every generation and nothing to look down upon. Every book is a jewel of innovation, creativity and playfulness with mature themes hidden inside them.

There can be named a few examples of comic strips that grew out of their own universe of imagination, which made giant steps towards a mature audience. Maus by Art Spiegelman for example. But before he made that he already explored the possibilities of the comic strip in ways that could only be called refined. Art for art in which he used the levity of the comic strip, pulled it inside out and explored experimental sequences. Of course he wasn’t the first nor the last to do that. Prior to him there was plenty of experimenting in the ‘underground’, both in American as in European. Of course there’s something like ‘De avonden’ in English, take for example the retelling of the bible by Robert Crumb. But his style and personal character redid the whole story. In Yummy Fur Chester Brown ‘did’ the bible too, but then four times the four apostles from the New Testament. By careful choices from the original text, he extracted a different characteristic atmosphere that fit the concerned apostle perfectly. It drenched the stories, which are all kind of the same, in the particular character of the narrator. The wording itself gets less urgency, but the intention of the narrators and their emotional charge electrifies the reader.
            In every comic strip the characteristics of word, image and sequence search for the utmost and most suitable shape of meaning. Whether we talk about Lucky Luke or the Bible.

2

The American Eric Shanower treated us in the past years on something special that hasn’t penetrated our country yet: Age of bronze (in Dutch published by Saga Uitgaven, Belgium, Het bronzen tijdperk, a translation that misses something of the power of the original, though it means exactly the same). It’s an extensive approach to the Illiad, a book that gets extra attention in the United States on account of it’s superhero culture, which could be seen as a modern continuation of the classical Greek hero cult. It would’ve been enough for most lovers of the Homeric tales if Shanower had tried to render the story as faithful as possible, but what he’s doing goes further than what has happened in literature or in history books. He’s incorporated everything that refers to the Illiad in a coherent story. The only thing that really deviates is that he, like in the movie Troy, omits the Gods. If there is need for their presence, like with the goddess Thetis, mother of Achilles, then he will present her as a human. She then is the cultic leader with great attraction to anyone around her. It’s an interpretation of how the gods could’ve sneaked into our imagination, that could well be true to reality. A temple has been found in the middle of America for a god, that seems to have been started as a grave for a king. Through the ages this king had gained godly status. And Shanower not only incorporates everything from the Illiad and texts that have been delivered from the 5th century before Christ, he also uses newer stories, like Troilus and Cressida by Shakespeare. What has been discovered as archeological evidence about the age that the Illiad really could’ve happened (about 1200 BC) avoids that we see the typical Corinthian helmets (around 500 BC) that the hero’s are generally outfitted with. They now get the headgear from which we guess that it’s likely Mycenaeans and contemporaries wore them. In the back of the book are also a comprehensive index and language list.

The way in which Shanower (also creator of different books playing in the universe of Oz) sculpts his world is pretty basic. Black and white drawings in consistent frames, by which he creates a sweet rhythm on every page. Not one picture really stands out. In a way this should be always the case in a comic strip. After all it’s about the coherence that a consistent approach calls forward, through which the reader can totally immerse itself in the story. Exactly in this way, when artwork and text take a step back, the gestalt arises in the mind. As with a movie, but not like a movie. In a movie you never have a pause, unless you use the button, so the eye gets pulled along all the time. But the reader of a comic strip can decide it’s own rhythm. Quietly zooming in, silently paging back, shape the voices, skip pages to read later on. Of course Shanower is trying to push us in a certain direction. The sequence of lying and standing frames show different speeds within the story. When the frames are left out for a dream sequence or another special happening this attracts extra attention. His at first glance seemingly stiffly drawn heads and bodies, are done so consistently that everybody gets his own character. On top of that this refers to the schematic way of depicting so common in that age and in the way words are used in the Illiad. In those days it wasn’t about the most individually expression of individual feeling, but about the iconic, sometimes stereotypical expression. As if every man and thing were The Man and The Thing. Nevertheless he leaves enough space for the all too human behavior of his characters, so it isn’t be difficult to connect emotionally to them. Exactly this contrast between stiffness and lechery is what the comic strip, but also the myths themselves, makes so fascinating. Its black and white, combined with the iconic coagulated execution, renders the pages sometimes inscrutable for the virgin reader. Once captured you won’t be able to put it down.

It is the intention to do the story in seven parts, but with part three they already split it in A and B, so it will take some time before the series finishes. No problem, I’d say, for this Asterix for the mature.

Afterword with the English version

Translating the article, which took a bloody long time I admit, it occurred to me in what dire straits Dutch comic culture is these days. In part one of the blog I’m explaining things that should be, and probably are, perfectly clear to a lot of Americans and other comic loving nations. On the other hand, after more consideration, I realized that the comic strip everywhere seems to be either at a standstill or even in decline. Either it’s a constant re-using of clichés or it’s a flight in art obscurity. Though super hero movies attract more attention every year and improve in quality too, the super hero comics get lower sales every year. Great comic strip geniuses from the past are still making interesting or at least entertaining comics strips, but new ones tend to take the step into movies or art. In the Netherlands there is no popular comic strip anymore. Nothing besides three frame gags. Which are surprisingly successful, but they don’t amount to a complete album. Initiatives to start up magazines as there used to be, two or four pagers as part of a large album, don’t succeed or fail to even start. Even revivals of old successes falter quickly.

Is the time of the comic strip at an end? Was it really nothing but a dream that the comic strip could compete for attention with the movie and the novel? Of course a product like Age of bronze seems to contradict this. As well as the popularity of people like Alan Moore, Grant Morrisson and Frank Miller. But a few successful and innovative persons does not make a culture. To make the comic strip significant again ambition is needed, over a broad range, from amateurs to professionals and also a keen sense of the possibilities and shortcomings of the medium. It needs people to take it seriously, though it’s at heart a light-hearted medium. But especially this light-heartedness makes for a great communication and a splendid way to reach large groups of people with art and a vision. Even online there is great opportunity, though one shouldn’t dismiss the power of the paper comic book.

In this day and age in which people tend to move away from the word, don’t like to read prose as much as they maybe should, the combination of word an picture makes perfect sense. So why isn’t anyone really picking up on this? Is it just not rewarding enough anymore to put so much effort in a page that gets thrown away after one read? Is it that in our culture there is no honor to be gained in slaving over 48 pages of pure genius for what some call the immature mind? Or is it that the new mediums, like movies, internet and games, take prominence over the comic strip? Is it only something for art-artists, who are not satisfied with one picture at the time, but are not overly concerned with communicating or the history of the medium they work in? Is it something only for steroid induced mass producing hacks who love their heroines cool, masculine and half nude? Is it only for the guys who can make a joke last for three frames at best and do this the rest of their lives for a modest but okay fee? Where are the new Goscinnys, the new Kirbys and Ditkos, the new Corbens, the new Hergés, Franquins, Lawrences, Lodewijks and Rosinskis, Crumbs and Sheltons? Whatever happened to the comic strip?