vrijdag 28 september 2012

Secret of creation


Olieverf op canvas
2011
50 x 100 cm

Al vanaf dat ik begon met schilderen heb ik een fascinatie met de materie en het directe van verf. De ware sensatie van schilderen ligt voor mij eerder daarin dan in het creëren van illusies. Ik zoek de hele tijd naar een manier om de inhoud van wat ik schilder tot uitdrukking te brengen in de manier waarop ik schilder. Zo vertelt de verf net zoveel over wat er gebeurt als het afgebeelde.

In dit schilderij heb ik gekozen voor een ongewoon formaat. Soms is dat omdat ik nog wat doek over heb, maar altijd is het omdat ik er plezier aan heb. Ik had tenslotte van dit stuk canvas ook meerdere kleine doekjes kunnen maken. In een eerder schilderij, The big pink, benaderde ik mijn onderwerp op eenzelfde manier. Een kijkje door een uit monumentale verfstreken opgebouwde laag van groen, maar een verscholen wereld. Wat er precies gebeurt is niet meer te achterhalen voor de toeschouwer. Het is in een dunne, precieze, bijna grafische manier geschilderd. De roze tonen suggereren iets van vlees of leven, de blauwen vormen daarmee een contrast. Het fijne priegelwerk daarop suggereert verschillende substanties. Het koud-warm contrast tussen de kleuren verhevigd de intensiteit alleen maar. De onmiddellijkheid van het groen en het doorgewerkte van de onderlaag verhevigd de spanning.

woensdag 26 september 2012

Het Stedelijk Museum – Tussen ambitie en praktijk


Niet veel mensen weten dat ik een jaartje suppoost ben geweest bij het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het was één van mijn eerste baantjes nadat ik school had verlaten en heeft mijn liefde voor het gebouw en zijn kunst vergroot. Zo ben ik dankzij de overzichtstentoonstelling liefhebber van Arnulf Rainer geworden .. Na driehonderdduizend keer langs hetzelfde werk lopen kan iets echt onder je huid gaan zitten. Of het valt op hoe vreselijk en saai het is, of het tegengestelde. Daarom was de heropening van het Stedelijk voor mij gevuld met veel herinneringen en verwachtingen. Een museum voor zo lang sluiten, iets wat overigens maakte dat ik bijzonder vaak in het Haags Gemeentemuseum ben geweest, moet dan toch echt voor een goede reden zijn geweest. Wat de redenen voor de vertraging ook mogen zijn geweest. Al konden we dan een tijdje terecht in de prachtige locatie bij het Centraal Station.

Dit stuk gaat in ieder geval niet of nauwelijks over de geëxposeerde kunst. Tenslotte is smaak persoonlijk en bovendien hingen veel van de nu getoonde werken er ook voor de sluiting. Mensen die de kunst van het Stedelijk toen mooi of interessant vonden zullen niet teleurgesteld zijn. Waar het om gaat is die enorme badkuip waar zoveel over te doen was. Is het een toevoeging, is het een versterking, was het de moeite waard, of toch niet?

Hoewel de badkuip een prachtige vorm heeft en mooi met het oude gebouw is verbonden, krijgt het niet de ruimte op het Museumplein dat het nodig heeft. De Albert Heijn verbergt de ingang, vlak achter trekt de nieuwbouw van het Van Gogh erg veel aandacht, daarachter het Rijksmuseum en om de één of andere reden hebben ze de sculptuur van Richard Serra zo gezet dat deze bijna de punt van de kuip raakt, waardoor de ruimte nog meer wordt ingekrompen. Beetje claustrofoob zou zich behoorlijk ongemakkelijk kunnen voelen tussen zoveel ongelijksoortige bouwsels en indrukken. Het is goed te zien hoezeer Amsterdam eigenlijk te klein is voor dit soort initiatieven. In Parijs of Berlijn zou er aanzienlijk meer ademruimte zijn. Nu lijkt het de muur van een negentiende-eeuwse salon die helemaal dicht is geplamuurd met schilderijen.




Er stond een rij en dat was begrijpelijk. Ze moesten een beetje grip houden op het bezoekersaantal en bij de meeste grote musea zou er zodoende een rij staan. Natuurlijk is de gemiddelde Amsterdamse museumbezoeker daar niet van gediend. Regelmatig liep er iemand uit de rij om te vragen of het misschien anders kon, wat er aan de hand was, of er geen uitzondering kon worden gemaakt. Tja, bij Musee d’Orsay of Tate Gallery sta je ook rustig te wachten. Helaas bleek er meer aan de hand. Er zijn maar vier deuren, waarvan twee draaideuren, waarvan één in gebruik. Daarachter was het al stampvol en stond men haaks op de ingang te wachten voor een kaartje. Er is jammer genoeg geen aparte ingang voor Museumkaarthouders zoals bij het Van Gogh, of een machine zoals bij de Hermitage. Eenmaal het kaartje moest ik me door de wachtende rijen worstelen om bij het toegangspoortje te komen. Natuurlijk heb je daar minder last van op gewone dagen, maar toch strijdt het enigszins met de zelf uitgeroepen ambitie om een topmuseum te zijn. Dat zou niet alleen moeten worden afgemeten aan de hand van de kwaliteit van de kunst, maar schept ook de verwachting van een gestage grote en groeiende hoeveelheid bezoekers. Zeker bij blockbusters zal dit het museum opbreken en vragen over professionaliteit doen opwerpen. Even een leuke pluspunt: je kan OOK met een 2 euromunt de locker gebruiken. En die winkel is geweldig! Veel moeilijk te vinden boeken over kunst, filosofie en dan ook nog boeken gevuld met kunst! En je kan hem betreden zonder een kaartje te hoeven kopen. Daar zal je me vaak zien.

Het leek logisch leek om direct na het poortje, dat moeilijk openging omdat het kaartje eerst niet, en niet alleen bij mij, werd gelezen, door te lopen. Naar de Donald Judd en het portret van de koningin door Luc Tuymans. Maar, dwars als altijd, wilde ik eerst die badkuip van binnen bekijken. Dat bleek lastiger dan misschien nodig. Tussen de kaartjesverkoop en het restaurant, een trap naar beneden, langs de bekende bloemen van Warhol. Van daar de zo vaak genoemde roltrap waar menigeen van onder de indruk is. Eerste even beneden. Een expositieruimte in drieën verdeeld in het midden waar een brede gang om heen loopt. Als geheel indrukwekkend, maar de kunstwerken erin hebben zeker ruimte nodig. De gang is vol geplakt met enorme bijna onleesbare teksten van Barbara Kruger, bij nadere beschouwing citaten van bijvoorbeeld Barthes en Orwell. Ik hoorde een tiener tegen haar vriendin zeggen: vet cool, man, en dacht ook zoiets, maar dan anders. Het Stedelijk is daar altijd goed in, dat monumentale bijna megalomane formele. Je krijgt het gevoel in een kunstwerk te staan dat volledig boven je uitstijgt waardoor er een prettige desoriëntatie ontstaat. Dat de tekst nauwelijks was te lezen deed er aldus weinig toe. Dat het indruk maakt op tieners spreekt voor zich. Kunst voor de massa? Bijna. Zo overweldigend als een billboard.

Op de achtergrond het portret van de koningin door Luc Tuymans. 
Prachtig, maar ze kijkt nogal vreemd van ons weg.





Ik maakte me zorgen. Was dit waarvoor ik acht jaar had gewacht? Een enorme ruimte waar bijna niks in stond of gebeurde, met kunst die me nauwelijks echt raakte? Maar dat is smaak. Er zijn er vast genoeg die er helemaal opgewonden van worden. Ik vond bijvoorbeeld de Sigmar Polke monochromen geweldig. Maar toch, erg veel ruimte, ja, voor erg weinig. Ik kreeg niet het gevoel dat ze hier iets van hun opslag hadden neergezet. Dit leken allemaal aankopen van de laatste paar jaar. Eindelijk was het tijd voor de fameuze roltrap. Inderdaad een prettige ervaring, maar niet meer dan dat. De roltrap aan het Pompidou doet ook altijd weer iets nieuws en dan heb je het uitzicht over Parijs. Misschien niet zo subliem in zichzelf gekeerd als deze trap, misschien wat romantisch en sentimenteel, zelfs als ze er kunstwerken aan verbinden, maar toch.


De badkuip zelf bestaat blijkbaar uit twee verdiepingen die ruim van opzet zijn, met veelal nieuw werk. Ik liep er uiteindelijk enigszins teleurgesteld uit. Wat zo massief aan de buitenkant leek, bleek heel normaal van binnen. Nou is het dat ik van normale museummuren houd, wit en vierkant, dus zo teleurgesteld was ik niet. Maar was daar die badkuipvorm voor nodig? Een moment werd er echt gebruik gemaakt van de vorm, bij een kunstwerk van Suchan Kinoshita. Het is te hopen dat dit vaker gebeurt. Vandaar uit was ik al snel in het oude gebouw, met al die oude vertrouwde vrienden. Barnett Newman en Robert Ryman, maar langzaamaan ook andere, onbekendere Stedelijkbewoners. Een prachtige Daan Golden, een bijzonder ding van Cosima von Bonan. Weer een restaurant. Weer een restaurant? Waarom twee restaurants? Zo groot is de plek toch niet? De meest prettige verrassing was beneden bij de ingang. Breitner, die hier hoort, maar die ik nooit eerder hier had gezien. Een prachtige ruimte vol met Cobra, mooi overgaand via Jorn naar Dubuffet en mijn favoriet van Matta en nog meer. Heerlijk om Cobra zo bij elkaar te zien. Een goed eerbetoon en overduidelijk nog een vitale kunststroming. Als dit het gevolg is van de uitbreiding dan ben ik fan. Laat die megalomane objecten en dingen daar maar staan. Geef  hier ruimte aan de oude modernistische meesters! Degene die nog echte barrières moesten breken.


Constant Nieuwenhuis - Een held van me, en dit werkje
 is ook nog eens heel bijzonder, fragiel en schoon!


Was het de acht jaar wachten waard? Heb ik gewacht? Natuurlijk niet echt, maar ik miste mijn wekelijkse dosis kunst. Er zat me wel iets anders dwars. Het oude gebouw had een andere ingang en je merkt dat de looprichting daardoor nogal verwarrend en onoverzichtelijk is. De bekende trap waar ik ooit Harry Mulisch op heb zien stijgen, na achter zijn terloops met een grande gebaar afgeworpen jas te springen, is  grotendeels functieloos. De ruimtes op de helft zijn verdwenen, de statigheid is ontnomen. Misschien nog een kleine operatie in het mortel en dat bijstellen? En misschien die design eindelijk eens afstoten? Het heeft behoefte aan een eigen museum en ik heb weinig behoefte aan design in een kunstmuseum, hoe aantrekkelijk het ook is. Want juist die aantrekkelijkheid stoot me af. Kunst hoort meer te wringen dan te bekoren. Het heeft geen nut en is juist daarom zo belangrijk. En Grayson Perry hoort niet bij design. Punt.

Waar ik nog op hoop, en dat is onder mijn andere pet als kunstschilder, dat het Stedelijk weer wat meer gaat fungeren als registrator van de Amsterdamse kunstwereld, zoals de door henzelf zo vereerde Sandberg deed. Dus niet alleen kijken op kunst- en Rijksacademies, maar verder, dieper in de krochten, zodat iedereen een gelijke kans heeft.

Het is natuurlijk makkelijk achteraf met kritiek te komen. Uiteindelijk ben ik zeer blij dat de tent weer open is en wen ik ook wel aan de nieuwigheid en zijn beperkingen. Het Stedelijk is te lang dicht geweest om er niet licht euforisch over te zijn. Misschien is de uitgelatenheid van rond de opening wat overdreven. Het is namelijk een beetje als de terugkomst van een goede oude vriend die een nieuw huis heeft gekocht waarvan de bel het niet goed doet en waar alles, meubels en inwoners, nog zijn plaats moet vinden.

Ik liep per ongeluk binnen bij het omwisselen van de band. 
De ruimte was zonder projectie ook boeiend.

 Sigmar Polke - Heb ik ooit een overzichtstentoonstelling van gezien
 in Hamburg, maar niet genoeg waarde aan gehecht. Prettige, luchtige kunstenaar



Suchan Kinoshita - Suchkino (2012)
De enige plek waar gebruik wordt gemaakt van de vorm van de badkuip. 
Of is dat zo?


Doorkijkjes.

Cosima von Bonin - When ardour is replaced by ennui (2006)

Een hele oude vriend: Jeff Koons

Megalomaan, monumentaal, formeel.

Naar de oude trap.

Nog een restaurant?

Een rijtje voor The beanery.
Zelfs een museumkaart geeft hier geen voorrang!


Een prachtige nieuwe vriend: Daan van Golden.



Boeddha in reflectieve bui, Nam June Paik, vriend :)

Simone Forti - Angel (1975-1977)
Geweldig ding, nieuwe aankoop. 
Blijft de vraag waarom we niet vaker zulke kunst zien.
Een klein jongetje was zo blij toen ik liet zien
 dat het te fotograferen is :)


Natuurlijk vergeet ik weer dat een filmpje niet zo makkelijk is recht te zetten als een foto.


Ye goode aulde Lucio Fontana.

Akira Kanayama - Ballon (1957)

Kinderlijk flauwe poging tot punk-kunst van Erik van Lieshout.
Pim Fortuijn dissen in het Stedelijk Museum. Beetje dubbelop.
Kan hij beter opsturen naar geenstijl.nl.
Daar zou het effect hebben. Had qua aankoop niet gehoeven.

Paul Mccarthy die zich weer eens kunstelijk vermaakt. En ons ook.

 Goed, ik heb niks op met design in het Stedelijk, maar 
dit pikte mijn oog toch en, tja, is bijzonder. 
Kon alleen niet de naam van de maker vinden.

 Het is zeker bijzonder om buiten het originele museum binnen te zitten.

vrijdag 21 september 2012

New Jersey seconden wegen zwaar (2)


Ik kwam er niet aan toe het interieur van het restaurant te bekijken, aangezien we buiten op het terras zaten. We hadden uitzicht op de stalen treinbrug, de rokende putdeksels en de vliedende Newyorkers in hun shirtjes en overhemden. Het werd beschenen door zacht oranje straatlicht. Wij twee zaten intiem knie aan knie te ouwehoeren met de kunstenaar en zijn gevolg. Dat bestond uit een oranjeharig vriendinnetje en drie esthetisch verantwoorde homofielen met ieder hun eigen precieuze gebaartjes en prima conversatie. De Argentijn probeerde haar te versieren met brede gebaren en een joviale grijns verborgen in zijn grijszwarte baard, maar dit dwong mij meer aansluiting bij haar te zoeken. De melancholisch bestelde Heineken zette ik nauwelijks gedronken weg vanwege de roestige smaak. In plaats daarvan volgde ik het voorbeeld van de homo met het vierkante brilletje en bestelde een Duvel. De man bleek een plezierige liberaal te zijn van het soort waar Europeanen maar al te verzot op zijn. Ze vertegenwoordigen voor ons een Amerika dat vertrouwd overkomt. Er werd gepraat over Irak en die idioot van een Bush, terwijl het gezelschap knabbelde aan de copieuze maaltijd van patat en hamburgers. Wij pikten hier en daar een frietje mee. Ik had niets besteld in de dronken veronderstelling al gegeten te hebben en zij had niet genoeg geld. Het voedsel was ook niet zo belangrijk met witte wijn in de geest en Belgisch bier voor de neus. Toen het eten klaar was en het bier gulzig was opgedronken bleef men nog hangen, plannen makend voor de rest van de lome avond. Wij te zeer bezig met ons steelse aanraken en plezierig overstappen van onderwerp op onderwerp. Het meeste van de conversatie ging aan ons voorbij. Toen het gezelschap druk opstond en onze drankjes ook betaalde, strompelden wij achter ze aan, de armen om elkaar geslagen om elkaar niet kwijt te raken. Plotseling waren we ze kwijt, of misschien deden we het opzettelijk. Ik had in ieder geval geen zin meer in de Argentijnse flirt. Ik wilde met niemand liever zijn dan met haar. We gingen op zoek naar een andere bar.
            De overgang van gesprek naar kussen telde minder dan een seconde. Het was niet eens een gedachte, hoogstens een zweem van haar ogen in de mijne, zoals we dat wel meer die avond  hadden gedaan. De drukke mensen waren niets anders dan achtergrond. De alomtegenwoordige televisies schitterden vergeten in groen en sportpak. De ruimte was gekleurd in pastel en blauw licht, een felle tint roze hier en daar. De bar had vol gestaan met longdrinkglazen gevuld met zoete likeur, whisky, wodka en frisdrank – er was nauwelijks een biertje te bekennen. De mensen waren gekleed in nette blanke pakken en prachtig gestileerde jurken. De gezichten stonden leeg als een kraakpand in een zakendistrict.
Dat alles deed er niet toe nu ik haar mocht proeven, nu zij zich over had gegeven en mijn mond afzocht naar geheime sensaties. Sommige van die sensaties bleken we niet te delen, aangezien ze aan het einde van elke kus hongerig in mijn lip beet, een pijn die niet opwond, maar me stekend wakker schudde. Nog net ontkwam ik aan bloeden. Niet afgeschrikt verplaatste ik haar als was ze een handtas, naar een tafel, een bankje, een vrije plek om sensueel de dans te delen. Ze gleed langs me naar beneden tot ze op het salonmeubel zat en hing achterover, waarop ik over haar boog als een rover in de nacht die net de paerlen van de prinses gevonden had, mijn arm om haar holle rug en mijn lippen op haar hals. Ik beet er zacht in - de tedere vampier. Die zachtheid waar zij een te hard accent aan gaf. Misschien gaf ze de pijn door die anderen haar hadden gegeven. Dronken van elkaar draaiden we rond een gezamenlijk middelpunt. We waren als twee planeten gevangen in een kosmische baan. De rest van het universum en haar mogelijke preutsheid was vergeten. De enige werkelijkheid was degene die net geschapen werd, van moment tot moment. Haar zwarte ravissante haren waren wapperende medusaslangen. Mijn glimlach was een verering van alles dat de wereld zo mooi maakte, alles waar mijn herfstbruine ogen op mochten rusten: haar gezicht.
            Buiten was het wazig in de mist van witte wijn. We liepen hand in hand tot ze me onbehouwen los liet. Het was alsof ze zichzelf los liet. Te lang had ze al handen vastgehouden die uiteindelijk leeg bleken. Ik daarentegen voelde niets anders dan de dringende behoefte haar te omhelzen en zachte woordjes toe te fluisteren. Betonnen licht spiegelde van de straat om de nacht grijs te maken. Donkere portieken fluisterden onduidelijke boodschappen. Ik had een probleem. Om geld te besparen zat ik in een hostel met zeker vier anderen op een kamer. Hoewel vast niet iedereen er nu zou zijn voorvoelde ik toch een situatie met deze dame, nu we zo in elkaar verstrengeld waren geraakt. Misschien als ik helder had kunnen nadenken. Misschien als de bisschop van Canterbury even van zijn wolk zou afkomen. Ik legde de kamersituatie uit.
            “Kunnen we naar jou plek?”
            “Ik woon in New Jersey en heb een huisgenoot.” Een eenzame Newyorker stapte straf langs met een plastic boodschappentas in de hand. Aan de andere kant van de straat zaten twee mannen in een auto te roken. Ik herinnerde me een parkje in de buurt van de galerie, waar ik eerder op de dag langs was gekomen.
            “Kom, laten we hier heen gaan…”
Seks in de vrije natuur was me altijd goed bevallen, dus in fantasie zag ik ons al bezig. Ware het niet dat Newyorkse parken, met uitzondering van Central Park, moeilijk ‘park’ genoemd konden worden. Plantsoen was misschien een betere benaming. Veel steen, een paar bankjes en wat struiken, met in het midden een fontein van de grootste doorsnee saaiheid. Was dit genoeg haar te verleiden haar broekje naar beneden te doen in deze allesomvattende koude, terwijl ze in de een of andere ongemakkelijke positie stond? Daar op de hoek lag het antwoord op mijn stille bidden. Het heette The Chelsea Hotel. Ik had het al eerder in de gids gevonden, maar volgens internet was het vol. Zo duidelijk kwamen die stukjes informatie niet meer in mijn schompige kop. Zeker niet na dat we nog even tegen een muurtje hadden gehangen en onze mond hadden bezocht. De welbekende beneveling benam me elke vorm van rede zoals monetaire overwegingen.
            “Misschien is er hier een kamer vrij. Ik betaal.”

De foyer van het hotel was zo haveloos als de buitenkant, met rechts een ingezakte bank, daar tegenover een Ikea salontafel (iedereen weet hoe weinig tot de verbeelding sprekend Ikea vervalt), een grof tapijt met vetvlekken en brandplekken en een mistig half open loketraam. Daarachter dreef het bolle hoofd van een Indiase man, waaraan een even bol lichaam bleek te zitten toen we bij de open deur kwamen. Hij bleef rustig zitten, al was duidelijk, zelfs voor mijn dronken blik, dat hij zich niet op zijn gemak voelde.
            “Ik zou graag een kamer voor de nacht willen.” De Indiër bekeek ons lang, zuchtte een keer diep, stond kalm maar zwaar steunend op en schuifelde achter de kassa. Het was een optelmachine uit de jaren zestig of iets in die geest, met grote knoppen en een rode voor de afrekening. De cijfers waren vierkant en draaiden hoorbaar over hun rol.
            “Negenig dollah, alsoeblief.” Ik schrok van de prijs, maar besefte dat als ik met haar wilde zijn, dat het hier moest gebeuren. Mogelijkerwijs maakte het ook indruk op haar als ik zonder Hollands protest zou betalen. Nu was er nog geld voor. Rustig telde ik het uit, althans, rustig voor andermans ogen, want de biljetten bleken enigszins ongehoorzaam aan mijn vingers. Alsof ze een band met de portemonnee hadden opgebouwd:
“Nee, haal ons niet uit huis, we zijn er nog niet klaar voor!”
“Tsk, tsk,” Fluisterden mijn nagels terug.
            De smalle gangen naar de kamer waren hel in een soort van onaards licht. Het verval liet zich ook hier zien. De kamer zelf bleek niets anders dan een alles overweldigende lamp te hebben. Terwijl zij op het toilet zat, deed ik die uit en zette de televisie op een zender die wel beeld liet zien, maar dan in een veelkleurige confetti van ruis. De roze en oranje schaduwen vochten met groene en blauwe op de muren van bladerend behang. Na een schuchter praten startte het kussen weer en van daar werd het naaktzijn gezocht. Ze bleek geen condooms bij zich te hebben, net zomin als ik, dus trok ik broek en shirt weer aan en liep blootsvoets naar beneden. Als eerste maar eens de dikke Indiër wakker porren. Zonder schaamte keek ik hoe de man verward nadacht. Het vermaakte me midden in de nacht en spaarzaam gekleed te vragen naar een werktuig voor seks. De Indiër wist het niet en wist ook niet waar het over ging, eigenlijk. Een mogelijkerwijs vaste gast van enkele jaren jonger wees op het aanliggende winkeltje. Inderdaad, daar waren genoeg condooms te koop om de nacht door te komen. Bescheiden één gekocht hebbende liep ik breed glimlachend naar boven.
We deden wat ik het leukst vond. Haar prachtige jonge lichaam stond open voor allerlei onderzoek. Ze schaamde zich dat haar schaamhaar terug was gegroeid. Het was niet zo’n volle bos als mijn laatste vriendin had, maar evengoed, er zat een stug zwart vachtje. Het kon me niets schelen, maar ze weerhield me van beffen. Ik schrok, want er was niets mooiers in de wereld dan dit terug groeiende kuthaar. Ik zou met genoegen een altaar van haar maken, maar ze schaamde zich. Voor haar eigen lichaam. Een zacht en blank lichaam met perfecte rondingen en prachtige borsten. Een lichaam dat zich over me boog en met genoegen pijpte. Tanden die alweer iets te hard beten, nu in mijn eikel, maar goed, ik weerhield me van kermen op de verkeerde manier. Een lichaam dat met genoegen op de knieën op de rand van het bed ging en zich van achter liet nemen. Ze zei het dat haar favoriete positie was. Ik had het niet zo op de missionarispositie en haar variaties. Het uitzicht op die billen was geweldig. Met de verdieping vlak boven de spleet, uitwaaierend in de ruggengraat, die geprononceerde schouders voorover gebogen. Met de nek om teder vast te houden en dat haar om als teugels aan te trekken, terwijl zij kreunde wanneer ik haar billen af en toe zacht met de platte hand kletste. Toen ze omkeek, omhoog kwam en me smachtend kuste, voelde ik de hitte van binnen exploderen. Een condoom verbruikt. We lagen rustig tegen elkaar en praatten wat over vroegere vriendjes en het ‘Cubaan zijn’. Zij had dorst en ik wilde meer. Ik trok broek en shirt aan om nieuwe voorraad te halen bij de verbouwereerde Indiër.

Bij het naar buiten treden was het licht schel op een zachte manier. Het was later dan gepland. In ieder geval dan zij wilde, want ze moest nog naar New Jersey om huiswerk op te halen. Ik had de dag vrij en zou zelfs nog even kunnen slapen. Waar we ons bevonden was me onduidelijk. In een nevelig gebied tussen droom en werkelijkheid, dat zeker. Maar hoe terug te komen naar het hostel en waar haar naartoe te brengen? Ze liep snel met korte benen, terwijl ik haastige passen nam met lange. Zoals gewoonlijk, zelfs met import uit New Jersey, was iedereen in New York stukken sneller.
            Nog steeds ging ze gekleed in het zwart en gebreide werk van de nacht voorheen, maar op de een of andere manier had ze een metamorfose ondergaan. Haar gezicht zag er scherper uit, de ogen lagen geïsoleerd als eilanden in een Noorse zee. De jukbeenderen waren hoger en paardachtig. Haar zwarte haar vocht woest om vrijheid onder de trendy herenhoed met veren. Ze schudde haar kont een beetje met elke stap. Afgezien van haar bijten was ze prachtig. Zo aantrekkelijk voor mijn solitaire hart dat ik bang was dat ze een fata morgana was. Ik greep voorzichtig naar haar hand om me van haar werkelijkheid te vergewissen, tot ze zich los trok. Het leek er op dat ze het niet besefte. Ik voelde plots hoe koud het buiten was, hoe mijn doorslapen kleren alle lucht toelieten. Mijn geslacht kleefde slap tegen het been, half opgehangen in de synthetische onderbroek. Ik wilde haar vastpakken en de liefde verklaren. Ik wilde met haar een boot nemen naar een verlaten eiland, of desnoods naar Cuba, om daar een gezin te stichten en elke dag rum te drinken. Ik kon geen van deze woorden uiten. We stonden op een weg tussen grote bakstenen flatgebouwen. Het viel me op dat er hier geen winkels waren, wat toch echt ongewoon voor deze stad was. Het heette Cabrini Green en ik kon me herinneren er in Give me liberty over gelezen te hebben. Het waren housingprojects voor de arme Afro-Amerikanen geweest. Nu zag het er enkel aftands en vervallen uit, met alle gezelligheid van een uitvaart op de vuilnisbelt. Zij had geen tijd, maar ik had haar even vastgepind. Ik moest dit zeggen met mijn volle aandacht.
            “Ik zou wel verliefd op je kunnen worden.” Ze keek rusteloos om zich heen, naar de donkergroene struiken, naar het bakstenen muurtje met de metalen reling, naar de kinderen die elkaar vervaarlijk een honkbal toegooiden. We hadden al e-mail en telefoonnummer uitgewisseld.
            “Ik moet me haasten, anders wordt het echt allemaal te laat.”
            “Kan ik je vanavond zien, of morgen?” Ze antwoordde niet, maar begon in plaats daarvan weer te lopen.
            “Hier moet je links af om bij je hotel te komen.”
            “Ik loop wel met je mee tot aan de metro.”
            Tijdens het lopen stak ik een sigaret op, iets waarvan ik wist dat ze er een hekel aan had.
            “Voor jou zou ik hiermee stoppen.” Het was maar een gebaar van woorden. Tenslotte was ik pas weer begonnen met roken toen ik in Amerika aankwam. Bij Port Authority kusten we gepassioneerd tot afscheid. Times Square was druk en overbelicht als altijd, zeker nu de bleke zon zich mengde met de neonreclame en de videoboodschappen. Ergens op het midden, waar voetgangers wachtten om verder over te steken, stond een dame met blote borsten liedjes te zingen die ze begeleide met een akoestisch gitaar. Het leek een beetje onzinnig om nog te slapen, dus zocht ik een Diner op voor een thee en een muffin met creamcheese. Er waren nog zoveel plekken om te bezoeken. Ik rook nog steeds haar geur in mijn neus en proefde haar smaak in mijn mond. Dat zou ik deze dag niet meer verliezen.





olieverf op doek
90 x 110 cm, 2008

vrijdag 14 september 2012

New Jersey seconden wegen zwaar (1)

Ik dwaalde door eindeloos rechte straten geschapen door een vrijmetselaar in achterafuurtjes in achterafkamertje tussen de pakhuizen van Williamsburg. Mijn ankers sleepten pijnlijk achter me aan, hangend in mijn lever. De druk van een leven werken voor lui die ik nooit had gezien en waar ik zoveel maling aan had dat het gal de achterkant van mijn tong schuurde. Ik was op zoek naar een land wild en weids zoals enkel solitaire wolken zich kunnen voorstellen. Ik was in de Verenigde Staten om te kijken of het leven daar prettiger zou kunnen zijn.
Ik was onzeker en instabiel en vroeg me af of er in de toekomst iemand zou zijn die de andere helft van mijn gebroken hart dichtbij haar boezem kon dragen. Ik liep over de straten met een glimlach, dat wel, want anders zou het leven ondragelijk zijn. Met een glimlach liep ik door New York.
            Men kan Manhattan zien als een omgekeerde wijnfles. In het midden is er ruimte voor het etiket genaamd Central Park. Steeds lager worden de straatjes gedwongen dichterbij te komen in de nek, waar ze de vreemde wirwar veroorzaken die zo eigen is aan Wallstreet en omgeving. Dat is waar de wolkenkrabbers als op de plattegrond van een middeleeuws stadje staan. Van boven naar beneden, van rechts naar links, heeft men in het bovenste gedeelte van de fles een mathematisch plan getrokken om het aroma van de wijn op zijn best te doen uitkomen. Avenues in de lengte, Streets in de breedte. Meestal wist ik bij verlaten van een metrostation waar ik was. Dan stapte ik met die montere Newyorkse voeten tegen de wind in, tegen de pijn in mijn rug en benen in, tegen alles in dat me zou kunnen tegenhouden. Ik wilde de stad in een korte tijd van mij te maken, zodat ik uiteindelijk kon voelen hoe het was om een Newyorkse straatsteen of gebouw te zijn. Tot nu toe was het een New York van zoet en vlees, omdat op elke hoek shaslick of gebrande pindas werd bereid. Tot nu bleek het om lompe stad die blijkbaar genoeg aan zichzelf had. Meestal was ik het die dankjewel en hebeenprettigedag tegen de winkelbediening zei. Nooit eerder was ik een restaurant uitgekeken door een ober die niet kon wachten met opruimen tot de Chicken Biryani op was. Alleen op straat verontschuldigde iedereen zich, met een rechtszaak in gedachten.
            De galeries in Chelsea die ik tot nu toe had bekeken waren allen dicht. Blijkbaar hielden ze dezelfde uren aan als in Amsterdam. Ik ging graag naar galeries. De rustige witte muren en de onverwachte kunstigheden geven me plezier. Bovendien vond ik het leuk om te zien wie nog meer kwam, speciaal op openingen, wanneer het vreemd getooide publiek binnendruppelde. Het gaf altijd dat prettige gevoel in een soort van buitenland te zijn. Nog nooit had ik een kunstwerk gekocht of gehuurd, maar telkens zocht ik naar wat mijn eerste zou zijn, of welke mijn muren zou sieren en mijn dromen mocht beïnvloeden. Helaas was het onmogelijk gebleken ergens naar binnen te kijken gezien de vreemde gewoonte van Newyorkse galeries om de ramen te blinderen. Galerie Tierköpf, van Christine Tierköpf zei de tekst op het raam, zag er net zo gesloten uit als de anderen, maar de deur stond op een kier. Ongedwongen als een dief duwde ik hem zacht open en ging de helder verlichte ruimte binnen. Na iets van drie stappen merkte de grijzende man achter de balie me op en groette vriendelijk. Een kapsel daarnaast, dat eruit zag alsof het ontploft was, liet ook een blik zien, maar die was minder ontvankelijk. Een jongeman met de air van een betrapte huisbaas keek hoog vanachter zijn grote neus naar beneden, waar ik stond, boven hem uit torenend en toch zoveel kleiner. Ik groette vriendelijk en vertelde voor de galeries te zijn gekomen, maar dat die tot mijn teleurstelling allen waren gesloten.
            ‘Vooral vervelend aangezien ik helemaal uit Europa kom en niet zoveel tijd heb om opnieuw langs te gaan.’
            ‘Tja,’ zei de oudere man in zacht Amerikaans, ‘ze zijn inderdaad gesloten, maar als je even wacht kan je mee naar een opening.’
            George was zijn naam en als een kind zo blij legde hij me uit wat George zijn hele leven al deed: het op elkaar leggen van stenen. Niet drie of vier of vele malen meer, nee, nee, twee. Twee puntige onbewerkte stukken rots van onbepaalde afkomst. Soms werd zo’n steen hem gegeven of gestuurd door een bewonderaar of vriend. George daagde de stenen uit op elkaar een evenwicht te vinden. George lachte verlegen bij het tonen van zijn kunstje. Zijn gerimpelde vel trok strak en vulde zich met bloed, zo blij was George. Gloeiend rood als watermeloenvlees. Ik kon het niet laten ook te glimlachen, maar dit meer uit een soort van schaamte voor George, die al zijn jaren in twee balancerende stenen had gelegd. Het leek me zo onbenullig, zo totaal nutteloos. Realiserend dat ook dat de charme was van kunst, voelde ik een warmte voor deze kindman die ondanks zijn jaren kon lijken op een kleine jongen. Juist dat onbenullige maakte het leven onschuldig en frivool. En ja, het zal zeker een graad van een onbekend soort ambacht vereisen om twee ruwe dingen op elkaar te laten balanceren. Het deed me denken aan hoe moeilijk het is twee mensen met elkaar in harmonie te laten zijn. Het deed me denken aan de vrouwen die me nog steeds in dromen en dagdromen vergezelden. Het was alsof hij het ene universum op het andere zette en verwachtte dat de twee vrede zouden hebben. In alle oprechtheid en bijna geheel op zijn Amerikaans zonder reserve vertelde ik George dat het werk geweldig was: Awesome! George lichtte geheel op. Door die vrolijkheid leek hij nog eens twintig jaar te verliezen.
           ‘Nog even en dan ben ik klaar en kunnen we weg.’
            ‘Kan ik ergens mee helpen?’

De binnenkant van de witte kubus was grijs in het spaarzame licht tussen de grauw geklede mensen. Ze hadden wijn in de hand, want wijn was nu eenmaal wat men op openingen dronk. De vrolijkheid was binnen zekere grenzen omdat er aanwezigen waren die er belang bij hadden een goede indruk te maken. Er waren er ook die als roekeloos gekwalificeerd konden worden. Sommigen omdat het ze gewoonweg niets kon schelen en anderen omdat ze het gevoel hadden actie en rührigkeit te moeten veroorzaken. Op het moment dat George en ik binnenkwamen wachtte iedereen. George ontmoette beneden al bekenden die hij enigszins verlegen, maar toch vrolijk, aan mij voorstelde. Ik wist niet goed wat er mee aan te moeten. Al deze mensen zaten in de kunst en ik had er enkel een halfslachtige liefde voor. George loste dit elegant op door te vermelden dat ik kunstenaar was. Blijkbaar was dit genoeg, want er werd niet verder gevraagd. De expositie ging over de samenwerking tussen Nam June Paik en John Cage, twee kunstenaars waarvan ik niets wist, of überhaupt de naam had gehoord. De meevoelende George fluisterde me in dat de twee elkaar in een soort van professioneel hobbyisme hadden ontmoet.
            Het was moeilijk uit te maken waar naar te kijken: haar borsten gevangen in een spinnenweb gemaakt door breipennen of haar giraffenogen die zoveel intelligentie uitstraalden. Ik zal het niet hebben over haar glimlach die de Titanic had kunnen redden door de ijsberg te smelten. We waren vreemden hier, dus misschien was dat een reden om naar elkaar toe te trekken. Wie weet wat hormonen met de mens doen. Ik kon het niet laten haar aan te spreken op het moment dat we beide voor een kunstwerk stonden, op het moment dat we elkaar passeerden op weg naar een ander uitzicht. Niet vaak was ik zo brutaal en niet vaak reageerden vrouwen zo toegankelijk, maar in enkele seconden hadden we een gesprek en liepen we betweterig langs de kunstwerken. Zij had tenminste nog enige geloofsbrieven in de vorm van een kunstopleiding, maar ik blufte me langs de geëtaleerde eruditie. Inderdaad was ze sexy, maar belangrijker was dat ik al snel het gevoel had haar intiemer te kennen dan die paar seconden konden rechtvaardigen. Ik probeerde contact te houden met George en diens vriendenkring, maar ze waren zo oud en weinig appetijtelijk in hun aanbidding van een tijd die sinds de millenniumwende tot het verleden was gaan behoren. Hun verhalen gingen over de vergane glorie van de moderne westerse kunst en archeologisch verantwoorde rockbands. Ze spraken niet over het voor het eerst zien van dingen met de gretigheid van een kind. Wat bij haar zo sterk was dat het me overweldigde. Speurend naar iets van waarde in de holle grijze wereld van de galerie hingen we warm aan elkanders woorden. Ik dreef steeds verder van George af en telkens leek de man er ouder uit te zien, gerimpeld als een leeggelopen ballon, aangetast door een geheimzinnige ziekte uit de honderdduizend jaar oude stad Tamaghis. Het bezwerende begin uit The Hexx van Pavement tikte een eigenaardige weg door de paden van mijn brein: Capistrano swallow, answer to your inner voice and please return / God installed that radar in your pointy little beak, so you'd return.
De performance werd aangekondigd. Vol verwachting ging men in een kring rond het midden van de ruimte staan, waar een op een guillotine lijkend sculptuur van hout en Oosters doek en een miniatuurpiano stonden. Zij ging wijn halen. Bij terugkomst ontmoette ze mijn teleurgestelde ogen. Ik ging er zelf maar op uit voor mijn wijn. Zij hield mijn zware rugzak tussen haar stevige benen. Na lang wachten kwam een magere Chinese vrouw op met een vijftal kermende miniatuurpiano’s aan een touw in haar kielzog. Ze liep door de ruimte en tussen het publiek. Het leek nogal amateuristisch, maar toen ze bij de guillotine achter de piano plaatsnam en een stuk liet horen, wat blijkbaar van John Cage was, kon ik het niet laten te klappen. Het had verrukkelijk aandoenlijk geklonken en toch zo ernstig dat ik evengoed was geraakt. En mijn gezelschap ook. Zo deelden we een vreemd gevoel, onbeschrijfelijk als de passerende wind tijdens een Bretonse avond. Ondanks de dood van de twintigste-eeuwse avant-garde bleek haar botten hand in staat uit het graf te reiken en ons hart te raken. Ze haalde twee glazen zoete witte wijn voor onze dorstige tongen. Ze had vergeten dat ze eigenlijk alleen opereerde. Toegegeven dat er een band was ontstaan. Alsof die niet vanaf het begin aanwezig was geweest!
            Hoe we van de galerie naar het restaurant kwamen zal wel een geheim blijven, voor eeuwig verborgen achter de nevel van alcohol. Ik sprak iemand aan, iemand sprak mij aan, ik zij iets tegen haar en iemand sprak tegen mij en, ach, nee, zó ging het: toen ik de galerie binnenkwam, vond een vriend van George mijn Nederlandse naam zo opmerkelijk omdat er een ander was met dezelfde naam, een Argentijnse kunstenaar. Hij móest ons absolutely aan elkaar voorstellen. Gedurende het verblijf in de galerie bleven de Argentijn en ik elkaar groeten, dit bij wijze van grap die enkel wij deelden. Toen het tijd werd de gelegenheid te ontruimen sprak ik hem aan en werd uitgenodigd om verder te gaan, naar een restaurant. De nevel van alcohol blijkt niet zo ondoordringbaar als op het eerste gezicht.

Wordt vervolgd.

 Manhattan bottleneck
illustratie M. Ozymantra

donderdag 6 september 2012

Lucas Hüsgen (portret)


Lucas Hüsgen (portret)
olieverf op linnen
65 x 80 cm, 2011


In 2011 kwam de schrijver, dichter en essayist Lucas Hüsgen bij mij langs voor een aantal zittingen om zijn portret te maken, iets waar we het al eerder over hebben gehad. Ik had er op dat moment een kleine serie van portretten in olieverf van verschillende mensen op zitten en daarom ging deze me relatief makkelijk af. Na enkele kleine schetsjes was het tijd voor de olieverf. Het wees zichzelf en was daardoor één van de plezierigste portretten die ik had gemaakt. Natuurlijk werkte het zeker mee dat Lucas met veel plezier zat en we er goede gesprekken bij hielden, maar eerlijkheid gebied dat dit met al mijn modellen tot dan het geval was. Het schilderij hangt nu bij hem in huis.

Voor meer van mijn portretwerk.
Voor de blog van Lucas en zijn werk.





Lucas is thuis
foto Lucas Hüsgen