donderdag 28 juni 2012

Interview Marco de Piaggi & Federico: Tentoonstelling - The Flexible and the Furious! - Radar Group




Zaterdag 30 juni om zes uur zal de architectuurexpositie The Flexible and the Furious! in Gallery Radar worden geopend. Uw razende reporter kwam op locatie kijken naar het werk in uitvoering. Voor een warm gesprek met twee van de drie leden van Radar Group, Marco de Piaggi en Federico . Het derde lid, Weronika Wawrziniak, was helaas niet beschikbaar voor een volle bijdrage maar viel soms bij. De heren zijn van Italiaans afkomst (Weronika van Poolse) en hoewel ze beide een aardig mondje Nederlands bezigden leek het ons beter dit soort moeilijke zaken in het Engels te doen. De vertaling is dan ook geheel van mijn hand. De expositie loopt tot 4 augustus.


Een stap in de toekomst

Laten we beginnen met de  moeilijke vraag: wat is de algemene richting in jullie architectuur?

Marco: We zijn geïnteresseerd in de moderne uitdagingen in onze architectuur. Dus niet in historische holle frasen.

Marco en Weronika aan het werk

Wat bedoel je daarmee?

M: Wij kijken naar de besten, maar het is niet dat we de besten imiteren. We zien architectuur als een wetenschap. Wetenschap is onderzoek. Het gaat alsmaar vooruit, leert van de fouten van gisteren, maar ontwikkelt niettemin iets nieuws. En het is hetzelfde met zowel kunst als architectuur. We zijn niet nostalgisch over architectuur.

 Federico

Wat je dus zegt is dat jullie naar de omgeving kijken, de plek waar het project moet komen, de functie van het gebouw en daar vanuit beredeneren jullie hoe het gebouw moet worden?

Federico: We proberen ons voorstel te baseren op de noden en vereisten van de competities en de cliënten. We proberen op een slimme manier te antwoorden, maar sluiten onze persoonlijk invloeden niet uit, zoals kunst bijvoorbeeld.
M: Dat is waar. De noden van de huidige mensen zijn anders dan die van twintig jaar of langer geleden. Het resultaat is uiteindelijk erg hedendaags. Er is geen specifieke vorm. We analyseren de vraag van het project. De context, de eigenheid van de plaats, de sociale behoeften en proberen dan een antwoord te geven.
F: In de opvatting van de meeste mensen heeft elke kunstenaar een… stijl. Voor mij en ook voor de anderen van ons is dat zeker niet het juiste woord om onze architectuur te definiëren. Er is alleen het project en wij proberen een antwoord te geven.
M: Natuurlijk, om niet hypocriet te willen zijn moet ik zeggen dat we naar een taal kijken. En deze taal is… Als we kijken naar hedendaagse architectuur in films, tijdschriften en op internet houden we erg van OMA (Rem Koolhaas) en Sanaa van Kazuyo Sejima & Ryue Nishizawa en Herzog & Demeuron. Ieder heeft een geheel andere taal, maar werkt ook met een hedendaagse benadering. Deze grote namen hebben een taal, maar niet een echte… STIJL.



Dus het is een soort constructivisme waarin je het gebouw construeert uit allerlei invloeden, met als uitgangspunt de noden van het project?

F: Als identiteit zijn we nog steeds onder constructie. We weten niet eens zeker of het nodig is om zo’n sterke identiteit te hebben. Dat we naar onze tijdgenoten en het verleden kijken betekent nog niet dat hun taal de onze is. Het is alleen een voorbeeld van hoe een project van een competitie of cliënt opgelost kan worden. En dan besluiten we aan de hand van onze interesses in architectuur en in kunst. Vooral Weronika is in dat laatste nog meer onderlegd dan wij.

Er zijn andere meer ingewikkelde en gecompliceerde onderdelen: hoe mensen willen leven en bewegen…


M: Probeer te begrijpen dat we met zijn drieën zijn en dat al de inbreng, van wat de cliënt wil, onze artistieke interesses, de vereisten van de plaats en het gebouw, door ieder apart moet worden overwogen. Dus hoe het gebouw tot stand komt is iets dat we niet zo makkelijk kunnen vertellen. Dat is waarom hedendaagse architecten schema’s en grafieken gebruiken. We proberen op die manier het proces rationeel en inzichtelijk te maken. Voor mij is het belangrijk dat het begrijpelijk is. Het is een manier om… (Marco vraagt het in Italiaans aan Weronika) nederig te zijn. Bescheiden!


 Als we naar de afbeeldingen  hier aan de muur kijken kan ik wel een bepaalde gemeenschappelijke vorm in de esthetiek herkennen.
F: Je bedoelt dat je een soort van overeenkomstige houding kan zien in de projecten? Ik denk dat we op dit moment erg gelijk zijn in hoe we het algemene uiterlijk benaderen. We discussiëren meer over de strategie van het gebouw, van de binnenkant. Daarna hebben we het natuurlijk pas over of een raam blauw of een andere kleur moet hebben. We komen daarin erg overeen. Ik zie geen sterke verschillen tussen ons.

M: Maar aan elk project, elk beeld dat je hier ziet gaan eindeloze discussies en een soort van worstelen met elkaar vooraf. En dat maakt een project moeilijk, want we praten er soms dagen over zonder echt iets te doen. We hebben eigenlijk van de Nederlanders geleerd na bijvoorbeeld vijf dagen praten daarmee te stoppen en iets te gaan doen.

Het is tijd voor de laatste vraag. Wat is jullie gedachte achter de tentoonstelling?

M: De tentoonstelling is een soort retrospectief van de laatste zeven projecten die we afgelopen drie jaar hebben gemaakt. We begonnen zonder een helder idee van wat we aan het doen waren. We benaderden elk project op een andere manier. Na drie jaar besloten we te stoppen om te kijken wat we hadden gedaan en wat de verbinding was tussen de projecten. Hier hangt wat we hebben geleerd. Zo zijn we bewuster geworden van wat we aan het doen waren. We vonden twee belangrijke punten die als een soort draden door ons werk trokken. Je ziet hier op de muur ook de draden die de projecten met elkaar verbinden aan de twee belangrijke ideeën: Flexibiliteit en Aanpassingsvermogen. Dit komt voort uit de reflectie dat in de maatschappij deze twee begrippen zo algemeen zijn geworden. Ik kan me niet herinneren dat ik tien jaar geleden zo vaak met ze ben geconfronteerd. Misschien waren ze er wel, maar niet zo modieus als tegenwoordig. In Amsterdam zijn er bijvoorbeeld mensen… zwervers… Hoe zeg je dat in het Engels? Clochards? (Ik moet even lachen. Je eigen taal niet spreken is niet makkelijk). Zwervers die elke twee of drie maanden van huis wisselen. Mensen verhuizen de hele tijd. Van Beijing naar Amsterdam en verder. Architectuur is niet immuun voor deze begrippen.

Flexibiliteit zit in het gebouw. Aanpassingsvermogen  gaat over waar het project wordt geplaatst. Zoals dat bijvoorbeeld hetzelfde project op dezelfde tijd in Amsterdam of Beijing kan worden gebouwd.
F: Of zelfs in dezelfde plaats…

Dus dit gaat net alleen over jullie eigen lessen, maar ook over het tonen aan bezoekers wat jullie hebben geleerd?

F: Wat we hebben ontdekt dat veel voorkomt in onze projecten kan er ook weer uit verdwijnen. Misschien zie je het wel nooit meer terug.

M: Maar wat we in deze analyse hebben gevonden is dat we werken vanuit de maatschappij. Ik denk dat de maatschappij onze gedachten en projecten leidt. Natuurlijk denk ik dat flexibiliteit en aanpassingsvermogen onze basis zal blijven. Misschien waren we onbewust naar deze woorden geleid, maar nu zijn we er bewust van.


De tentoonstelling is een stap in de toekomst?

M: Ja!

Het lijkt mij dat dit dan het interview beëindigt, nietwaar?

M: Maar wacht, ik heb het nog niet eens over het belangrijkste gehad! (gelach)

Oké, Marco, wat is dan het belangrijkste?

M: Het belangrijkste in onze architectuur is de natuur. De meeste moderne en hedendaagse architectuur gaat over de hoogste wolkenkrabbers en zaken zonder hart. Met ons is dat geheel anders! Voor mij is natuur hetzelfde als architectuur. Dit is een verhaal dat ik altijd graag vertel: In het begin van de mensheid leefden we zonder schuilplaats en toen gingen we leven in grotten. En we dachten: dit is heel leuk, hier is geen regen, niemand kan onverwacht binnen komen. En toen bouwden we een huis in een boom en imiteerden we de grot in de boom. Snap je? Dat is nog steeds van belang in architectuur. Het is een imitatie en abstractie van de natuur. Het bouwen van een schuilplaats is de belangrijkste taak van de architect. Maar dan met de hedendaagse taal, toegepast op de noden van de tegenwoordige maatschappij. Ik leerde dat van Picasso. Hij zag tekeningen in een grot en deed iets overeenkomstig, maar dan op een voor hem moderne manier. Ik wil de mensen niet bang maken met grote wolkenkrabbers of vreemde vormen. Ik zou het vreselijk plezierig vinden als iedereen het gewoon zou begrijpen en leuk vinden.



Impressies van de opening





donderdag 21 juni 2012

Interview: Marco Rump - Expositie Formalisme.nl


Tussen 20 juni en 18 juli exposeert de kunstenaar Marco Rump in De Oude Kerk zijn schilderijen. De opening vindt zondag 24 juni plaats, tussen 14.00 en 17.00. Uw razende reporter en de kunstenaar hadden een tête à tête in de sfeervolle Spiegelkamer van De Oude Kerk, over wat hem in zijn kunst bezighoudt.



Wat is de kerngedachte achter je werk?

Ik wil mijn werk zoveel mogelijk zichzelf laten zijn. Dat het helemaal gaat over hetgeen mijn werk is en helemaal niets anders suggereert of probeert te zijn dan wat het is. En in het geval van schilderijen is dat alle formele aspecten waar een schilderij over gaat, dus verf, de afmetingen, de vorm van de drager. Dat soort zaken. De drager gaat over de drager, de verf gaat over de verf. Goed, als de verf over de drager zit, dan zie je niet zoveel van de drager, maar ik probeer al dat soort dingen van begin af aan opnieuw te benaderen. Zo van wat is het eigenlijk en wat kun je er mee, en dan vooral in de zin van wat het IS.

De kunstenaar zelf in actie


Een soort tabula rasa benadering?

In de zin dat in de geschiedenis schilderijen vooral zijn gebruikt om iets te vertellen. Dat probeer ik zoveel mogelijk te vergeten en zo opnieuw iets te maken dat helemaal vrij is. Daarom is een schilderij ook interessant, want dat kan helemaal vrij zijn. Een object heeft een constructie nodig om rechtop te blijven staan en dat soort dingen, wat in principe ook met een formele benadering gedaan kan worden, maar een schilderij is in mijn ogen het meest vrije esthetische object dat er is.

Je benadert alle aspecten van de verf, maar ik zie dat je vaak in heel dikke lagen schildert. Is dat een voorkeur van jou of denk je dat je ook heel dun zou kunnen werken?

Dat zou kunnen, maar als je heel dunne verf gebruikt dan is het heel moeilijk om het over verf te laten gaan. Waarschijnlijk zal het dan meer over de drager of de ondergrond gaan. Dat kan prima, maar dat is weer een ander ding. Dat is waarom ik van die hele dikke lagen verf heb waardoor de ondergrond helemaal verdwijnt. Dan gaat het ook echt alleen over verf.



Ik zie op deze tentoonstelling dat je als drager vooral vierkanten hebt, maar ik weet dat je ook andere vormen hebt gedaan.

Ik vind het vierkant heel interessant omdat het zo dwingend is. Als je iets wil naschilderen buiten het schilderij (een landschap b.v. – Ozy)  is het heel toevallig dat het perfect vierkant is. Dat vind ik interessant. Bij andere series is het doek rechthoekig. Dan is de hoogte en breedte bepalend voor wat er in het beeld gebeurd. Zoals wanneer een kwart cirkel wordt getrokken over de hoogte van het doek, dan beslaat dat ook een bepaald gedeelte van de lengte van het doek. Dat brengt automatisch weer een aantal andere punten of lijnen in het doek. En het is ook weer heel logisch dat die lijnen gekozen zijn, want die komen weer voort uit het feit dat het doek zo hoog is. Soms krijg je daar ineens heel spannende composities door. Maar dat is dan eigenlijk toevallig. Het is niet dat ik een compositie bedenk en dat ik daar een formaat doek bij zoek.



Dus je werkt echt vanuit het doek naar het schilderij?

Ik stel van tevoren een aantal dingen vast. Wat ik over het algemeen het meest kies zijn de kleuren van het schilderij en het aantal kleuren. Bij deze series zijn dat vier kleuren, met als klein uitstapje vijf. Wit als extra element. Dan is meestal de opdeling van het beeld het getal vier en ook het getal vijf omdat dat het aantal tussenruimtes tussen de kleuren zijn. Overigens is het ook zo dat het vierkant weer met die vier kleuren te maken heeft. Op zo’n manier zoek ik associaties bij elkaar zodat het nog meer kloppend wordt en ook voelt. Het hoeft niet precies te kloppen, maar ik vind het wel belangrijk dat er een soort logica in wordt herkend. De mensen hoeven niet het aantal kleurtjes te tellen, maar het zal logisch voelen ten opzichte van een aantal andere keuzes. Met vier kleuren is het tellen natuurlijk snel gedaan, maar ik heb ook met zeven kleuren gewerkt en dan wordt het anders.



 Hoe lang ben je al met schilderen bezig?

Ik vind dat ik sinds 1995 bezig ben, want toen studeerde ik af van de tekenopleiding en ben ik eigenlijk aan de denktrant begonnen waar ik nu nog steeds mee bezig ben. Zo’n beetje mei-juni 1995. Daarna heb ik Handvaardigheid gedaan en heb gelijk dat idee in 3D toegepast. Het was een hele vrije periode om daar zo mee bezig te zijn. Vanaf dat moment heb ik eigenlijk niks anders gedaan.

Wat zijn je invloeden?

De belangrijkste persoon is wel Imi Knoebel. Ik denk dat hij het doet zoals ik het ook doe, maar dan ieder op zijn eigen manier. Hij geeft ook niets anders weer dan wat de schilderijen zijn. Hij heeft bijvoorbeeld hele opstellingen gemaakt met alleen spielatten, waardoor hij dan de schilderkunst benadrukt.

Waarin zijn jullie anders?

Hij is in de zeventig, dus er is een generatieverschil. Hij heeft de abstractie van het schilderij meegemaakt in de jaren vijftig zestig en ik denk dat hij daarom veel meer met de traditie van het schilderij bezig is geweest. Hij heeft het schilderij eigenlijk vrij gemaakt samen met die hele lichting, zoals Gerhard Richter en Günther Förg en Blinky Palermo, vooral Duitsers eigenlijk. Die zijn belangrijker voor mij geworden dan de Abstract-expressionisten zoals Barnett Newman en Rothko. Wat zij doen wordt eerder informele kunst genoemd. Dat gaat meer over de persoon en persoonlijke expressie. Het gaat met die Duitsers en mij helemaal niet daarom. Het gaat mij helemaal niet om mij, maar om het werk. Dus Imi Knoebel en het Bauhaus-denken, zoals Form follows function, die hele praktische benadering. Mijn werk heeft ook veel met vormgeving te maken, zoals de inbusboutjes aan de zijkanten van de doeken in het aluminium.

Het grote verschil is dus dat jij eigenlijk alles onmiddellijk helemaal op de schop gooit en Knoebel moest helemaal hier naartoe werken?

Ik denk dat als je in die tijd opgroeide je veel meer moest verdedigen waarom je abstracte kunst maakte.

Er is dus geen formeel verschil tussen jou en hem?

Als ik naar zijn werk kijk dan had ik die ook kunnen maken. (gelach) Voor mijn gevoel, niet dat ik zo goed ben, maar in de zin hoe we het benaderen en dat we daarin praktisch hetzelfde zijn. Daarom werden mijn ogen ook zo geopend toen ik zijn werk zag. Maar hij gebruikt heel andere kleuren, hij gebruikt heel andere principes.



De interne logica is bij hem dan anders bij jou?

Ja. Iedereen die formele kunst gaat maken doet dat met zijn eigen logica, dus wat dat betreft worden dingen altijd weer overnieuw gemaakt en zijn ze ook echt anders.

In zekere zin is dat dan toch een persoonlijk ding dat er overblijft?

Absoluut. Het is meer dat het er bij mij niet over gaat dat ik dat wil uitdragen. Je moet toch die kleuren kiezen en hoe bewust je dat ook probeert te doen, er spelen altijd onbewuste dingen mee. Dat wil ik ook zeker niet ontkennen. Ik ben ook nog steeds een groot bewonderaar van Barnett Newman en dat soort kunstenaars.

Heb je een doel in gedachte met je werk?

Een specifiek doel heb ik dus niet. Ik wil graag het werk zichzelf laten zijn.

Verpakkingsmateriaal door de kunstenaar gemaakt


Hoe verhoudt je kunst zich tot de rest van de wereld?

Niet, dus.

Je zegt niet, maar het is soms net alsof, als iemand een landschap schildert hij een verhaal toevoegt. Een met het werk van jou en bijvoorbeeld Anish Kapoor is het alsof jullie de letters zelf maken.

Dat wij de esthetiek van het font maken? Daar zit wat in. Ik zeg trouwens dat mijn werk zich niet tot de wereld verhoudt, de schilderijen an sich niet, maar de expositie die ik maak verhoudt zich nadrukkelijke tot deze kerk. Als ik zo’n expositie maak is dat ook mijn kunst en is het een ding an sich dat zich verhoudt tot waar het staat.

Wat trekt je in het exposeren bij de Oude Kerk?

Er is hier traditie en er zijn gedachtegangen die daar verband mee hebben. Wat ik heel mooi aan deze kerk vind is dat het een Protestantse Kerk is, of is het gereformeerd? Wat ik vooral belangrijk vind is dat het niet Katholiek is. (gelach) Want dat vind ik heel mooi bij mijn werk passen. Qua gedachten… Ik bedoel niet dat ik iets met godsdienst heb, maar die manier van denken, dat je het in de letter zoekt en niet in het grote gebaar, dat past natuurlijk beter bij mijn werk dan de tierlantijntjes die ik anders zou kunnen maken.

 
 Youtube opbouw expositie door M.Ozymantra


Die mooie gebrandschilderde ruiten en de weerspiegeling van de zon op de vloer sluit dan wel weer mooi op jou werk aan.

Ja, maar alleen door de kleureffecten en niet door wat er in die ramen uitgebeeld wordt. Dat is zeker iets. Ik maak geen schilderijen om mensen chagrijnig te maken. Wat ik ook echt interessant vind is dat de kerk een stuk cultuur en geschiedenis is, in mijn ogen is die godsdienst passé, en dat ik daar iets aan mag toevoegen voor twee en een halve week dat vind ik bijzonder. Ik ben een totale atheïst en dat ik in zo’n kerk mag hangen had misschien dertig jaar geleden niet gekund. Zo gaan we tenminste vooruit.



Foto's: M. Ozymantra
Schilderijen: Marco Rump
Achtergrond: De Oude Kerk
Cameo: Jan Mevius, Sweelinck



Impressies van de opening op 24 juni

 Met live semi-akoestisch optreden van Labasheeda.








zondag 17 juni 2012

Schijnheilig ontzet







olieverf op doek
4 x 35 x 40

Gedurende de laatste tien jaar wordt elk leuk kraak en anti-kraakpand in Amsterdam ontmanteld. Het is al zover dat we hier nauwelijks nog alternatief geklede mensen op straat zien. Het nieuwe alternatief is je kleden als een beursjongen, met het haar vet en strak naar achter, met de das achter de broekriem. Verder zien we steeds meer een soort van hanenkam bij onze Medelanders. Niet in opstand, maar als uitspraak van stoere mannelijkheid. Ik kan er weinig mee. Hoe de tijden kunnen veranderen. Dat zullen mijn opa's en oma's ook gezegd hebben toen de jaren zestig werden vervangen door de jaren zeventig en al dat alternatieve plots de maatstaf was geworden. Hun wereld vergaan zonder dat ze er erg in hadden. Natuurlijk is er nog altijd de Occupy-beweging en die betekent gelukkig nog echt iets, maar het heeft ook weg van een reservaat om alle andersdenkenden en anderskledenden in weg te stoppen.

Schijnheilig is een poging iets van de vroegere geest te bewaren. Het draait niet om de plek, maar om het ideaal. Het ideaal van vrij wonen voor iedereen. Geen leegstaande bedrijfsterreinen, maar gezonde woonbuurten waar studenten ook goedkoop hun plekje kunnen vinden. Schijnheilig staat voor alternatieven op de reguliere woonmarkt waar ook plaats is voor de combinatie galerie/podium/atelier/wonen. Daar heb ik zeker wat mee.

Deze vierluik is geschilderd met als uitgangspunt de ontruiming van Schijnheilig op de St. Antoniebreestraat in Amsterdam. Er werd dapper maar vreedzaam tegen geprotesteerd en toch vond de politie het nodig met man en macht (een voltallige ME) iedereen uit elkaar te jagen en enkelen zonder directe aanleiding te arresteren. Het is misschien een teken des tijds dat er niet breeduit in de media tegen is geprotesteerd of dat het niet landelijk in het nieuws kwam. Tegenwoordig zit Schijnheilig in de Vondelbunker bij het Vondelpark. Een prachtige werkelijk ondergrondse plek.

Meer info over Schijnheilig hier.
Lees mijn vorige blog over Schijnheilig hier.

zondag 10 juni 2012

Waarom deze blog?


Vroeger maakte ik een tijdschriftje met enkele vrienden. We hadden er veel plezier aan. Het had een kleine verspreiding. Nog steeds droom ik soms van een papieren publicatie door mij en anderen. Deze droom zal voorlopig niet kristalliseren. Papier lijkt achterhaald, in ieder geval op die manier. Een blog kan een tijdschrift van één man zijn, voor iedereen die het wil opzoeken.

Aangezien ik nog geen kans heb gezien bij een gerespecteerde uitgeverij te worden gepubliceerd geniet ik van de mogelijkheid mijn werk online te presenteren. In deze pagina’s heb je al korte verhalen, gedichten, romanfragmenten, schilderijen, illustraties, boze en lieve maatschappijgerichte columns en bespiegelingen over kunst kunnen vinden. Door te publiceren kan ik werken aan perfectie.

Maar ik heb nog meer plannen om de blog mee te vullen. Zo ga ik interviews afnemen met bevriende kunstenaars van verschillende achtergrond. Misschien zal ik op den duur ook niet-bevriende kunstenaars hiervoor uitnodigen. Verder wil ik graag een segment in het leven roepen genaamd ‘Neerlanda’. Hier zal gezocht worden naar dat typisch curieuze Nederlandse dat langzaam verdwijnt of reeds weg is en waarvan ik de sporen in 'moderne media' kan terugvinden. Over Chiel Montaigne bijvoorbeeld. En dan mijn hoogst persoonlijke kijk op dit soort fenomenen. Ook ga ik interviews publiceren over hoe mensen speelden tijdens hun kindertijd. Een soort antropologisch onderzoek heeft iemand het gekscherend genoemd. Daarnaast zal je nu en dan een filosofische verhandeling van persoonlijke aard kunnen lezen in het segment ‘Het buitenaardse oog’. Een manier van kijken die ikzelf gekscherend ‘ozymantrisme’ noem.

Mocht je interesse en waardering voor deze blog hebben laat dit vooral op de pagina’s zelf merken, zodat alle zwijgers die meelezen zich net als ik extra gesterkt voelen. Je kan je opgeven als volger en reacties achterlaten wanneer je hiertoe genoopt voelt. Ik zou het zeer waarderen! Vind je het maar niks dat ik dit naar je stuur dan voldoet een enkel mailtje om van de zendlijst verwijderd te worden. Ik zal mijn best doen elke week een onderhoudende aflevering te presenteren, dat allemaal zonder financiële ondersteuning. Eerlijk gezegd zou ik reclame op deze pagina lelijk vinden. Misschien komt er nog een knop om te doneren, wie weet.

Dat was het dan, het einde aan mijn eerste en voorlopig ook echt laatste redactioneeltje. Zo dik is mijn tijdschrift tenslotte nog lang niet. Aandacht en tijd voor inhoud. Liefde voor schoonheid in haar diverse vormen. We gaan vrolijk door. En dat is niet niks met een baan erbij!


 At peace in creation
illustratie M. Ozymantra

zondag 3 juni 2012

De wonderlijke avonturen van Alfred de kat - 8

Het verhaal van Alfred de kat is niet een doorsnee vertelling waarin we allerlei menselijke gevoelens en eigenschappen aan dieren toekennen om zo iets over onszelf te zeggen. Het is een poging te kijken vanuit het perspectief van een dier dat misschien wel zo vreemd aan ons is als onze blik aan die van een buitenaards wezen. Overigens net als dat het perspectief van een kat zo vreemd is aan dat van een specifieke vogelsoort als de kraai. Als uitgangspunt neem ik wetenschappelijk onderzoek, eigen en andermans observatie. Het totale vermijden van menselijke interpretatie zal natuurlijk onmogelijk zijn. Al was het maar dat een dier niet in woorden denkt en onze woorden tegelijk ontoereikend als te betekenisvol zullen zijn. Een zekere mate van romantische interpretatie is dan ook niet te ontgaan. Niettemin staat het zo ver af van de normale knuffelverhalen dat het menigeen kan afschrikken. Natuurlijk zal ook in dit verhaal veel worden verteld over ons menselijk bestaan, maar dan door de lens van de aliens waarmee we samenleven.


Het springen van rechts naar links, van boven naar beneden bleef Alfred verstoren. Alleen de kinderen konden zo tegen het nerf van de wereld schuren. Zelfs de mens bewoog anders. Alleen jonge katjes konden de volwassene tegen zichzelf keren. Alfred bleef maar onrustig opkijken, de rug iets gebold. Een ekster kwam overvliegen. Het luide kwetteren verraste hem, terwijl dat niet hoefde. Hij wist al heel lang dat Jules over zou vliegen en zo zou kwetteren. Gelukkig maakte Lules, die volgde, hem niet nerveus.

Er was niks schattigs aan het jonkie en zijn springen. Het was de dodelijke ernst van een dier dat leerde. Hoe alles om hem heen werkte kwam op deze manier traag naar binnen. De patronen van leven en dood, van beweging en stilstand lagen allemaal netjes te wachten. Alfred werd er stil van. Het jonkie zou niet dichterbij komen. Het verdween in een struik van grote glanzende bladeren die knetterden bij het bewegen.

Alfred kon het niet laten toch te schrikken van het andere jonkie achter hem. Zich verzettend tegen de angst, de behoefte zijn gezicht te redden overheersend, verzat hij zich alleen maar. Schoorvoeten opzij als de krabben uit de mythen, zijn rug schuivend, draaide hij voorzichtig iets. Deze was zwart met een wit puntje op de rechterpoot en de staart. Een doodsteken. Hij wist dit. Dit jonkie zou vroeg sterven. Jules en Lules kwetterden luidruchtig naar elkaar, met grote vliegsprongen van tak naar tak, bladeren los schuddend. Het jonkie keek vol verbazing omhoog. De wereld was zo groot en vol verrassingen. Door de bomen schitterde de blauwe lucht en het wit van onwerkelijk luie wezens. Dat moesten echt wel de goden zijn, dacht het jonkie. Ach, was ik maar bij de goden.

Voor alle dieren waren de wolken de goden. Dat was tenslotte waar de regen en de zon vandaan kwam. Ze hoorden wel eens over vogels die zo hoog als de goden vlogen, maar dat waren ook niet de slimste dieren. Het gebrek aan zuurstof maakte dat ze hele gesprekken met de goden voerden, maar er weinig anders dan halfslachtige boodschappen van konden overbrengen. Ze hadden er geen benul van.

Alfred ontspande zich. Dit jonkie zweefde, dat was waarom deze snel dood zou gaan. De wetten van de wereld hadden geen greep op het diertje. Hij was duidelijk al één met hemel en de dood. Hij hoefde deze geen lessen meer te leren en het jonkie liep dan ook vrolijk langs Alfred om zich bij zijn zusje te voegen. Alfreds haren sprongen enigszins op bij het voorbijgaan van de jonge heilige.

Wordt vervolgd





Inkt op papier
M. Ozymantra