vrijdag 25 mei 2012

Meiramgul - fragment (1)


uit de ongepubliceerde roman Meiramgul

De weken die volgden op onze tweede kus, op onze tweede avond, waren, zoals dat vaak gaat, hemels te noemen, al is de hemel in dit soort tijden erg zweterig. We moesten alles over elkaar ontdekken, maar deden ons uiterste best dit ontdekken zo lang mogelijk te rekken. Het zou een ramp zijn geweest als we te snel alles hadden geweten. Liefde groeit op in onwetendheid. Nieuwsgierigheid is de beste katalysator voor passie. We spraken nauwelijks. Dat is niet geheel de waarheid. We spraken nauwelijks over waar we echt aan dachten. We hadden het over het weer, ons verleden in een roze spiegel, over koetjes en kalfjes, over de beste manier om kip klaar te maken. We zaten in barretjes en becommentarieerden de clientèle alsof we recensenten van het leven waren. We zochten naar die hoekjes waar niemand anders kwam en kropen daar tegen elkaar op in woordloze lust, stil zinderend van elke aanraking die onze huid overkwam. We keken naar bandjes en ik vergat te denken, want ik keek alleen naar haar, zelfs als ik niet naar haar keek. Mijn naar binnen gekeerde ogen keken altijd naar haar silhouet. Ik herkende haar in de verte als ze op de fiets aan kwam rijden en ze niets meer was dan een broze vlek van beweging. De manier waarop ze over het stuur zat gebogen en verbeten stuurde was mij al snel net zo bekend als het model waarin ik mijn haar elke ochtend bracht. We moesten lachen als ze druipend van de regen zich als een kat uitschudde in de ingang van een klein restaurant, terwijl ik erbij stond als een verdronken giraffe, de haren plakkerig tegen het voorhoofd. Ik miste het niet dat ik geen recensie meer schreef, dat ik geen zinnig woord uit de pen kreeg. Er werd wel geklaagd bij De snaar. Ze hadden dat stukje over Thin White Duke geplaatst nadat ik had verteld over DHNU! en ze zaten met smart te wachten op een diepte-interview, op meer achtergrond, op het uitvlezen van deze bijzondere materie, maar ik deed niet anders dan dromen in haar lichaam, zwijmelen in haar woorden, drinken van haar ogen.
            We waren er wel bij toen Thin White Duke zijn anderhalve minuut tv-tijd kreeg en het was spectaculair genoeg te noemen. Niet zozeer het optreden zelf als wel het nogal kort geknepen interview achteraf. Ik was er vaker geweest en vond het niet zo spannend, maar Antheia zag het als een bijzonder ding, al kende ze het programma geheel niet. Ze had nog nooit naar de Nederlandse tv gekeken. Ze bezat tv noch verzekering, vaste telefoon, huurlasten, baan of wat dan ook. Geen toekomst en geen verleden, want het verleden was vroeger en iets om over te praten met vrienden, maar niet om in te leven. Ze leefde alleen in het nu, in wat ze nu wilde en wat ze nu wilde was ik, al zei ze dat nooit. Dat zou geheimen bekennen betekenen en dat deden we niet. We zaten in het foyer van de Mooie Hoed, een cultureel pand aan de Singelgracht, met uitzicht op allemaal bon ton grachtengordel en Hilversummmige lui in het zwart en bedrukte truien. De gestreepte hemden waren niet van de lucht, met van die grote manchetknopen schitterend van het valse koperen licht. De dames koerden en de mannen bromden geruststellend. De opwinding was te proeven, maar zij merkte dat niet. Haar verleden in het zuiden van Europa had haar immuun gemaakt voor onze bedeesde manier van uiten. Net als iemand die altijd heet voedsel at geen smaak had voor de lauwe zoute hap van een Zwitser, zo miste zij elk subtiel teken van vermaak bij de Nederlander. We zaten aan de granieten bar met de blik van keurmeesters. Ze merkte iets op over iemands snor of de manier waarop een vrouw zich had opgemaakt en ik haakte er gretig en denigrerend op in. Het was ons vermaak en ik schaamde me er niet voor. We waren de eigenlijk sterren van dit feestje en de rest had het nog niet door. Onze cocon van tevredenheid creëerde een prachtig schild van onverschilligheid. Het zal vast ook niet geholpen hebben dat ze nog geen woord Nederlands sprak of verstond.
            Studiotijd is een vreemd fenomeen. De meeste programma’s worden opgenomen en dan is er veel dode tijd. Camera’s worden verplaatst, instructies worden gegeven, interviews en gesprekken worden opgewarmd of enigszins ingestudeerd en als er publiek bij is kan deze het allemaal observeren, maar meestal is het zo saai en is men zo opgewonden over het vooruitzicht in beeld te komen dat men nerveus met elkaar kletst. Bij een liveprogramma als DHNU! gaat het allemaal anders. Zodra het publiek binnenkomt is er wel even dode tijd, maar de televisiemensen razen heen en weer. Hun tijd is erg kostbaar, zij zijn het meest opgewonden. Wij, het publiek, zagen het ontroert aan. Zoveel drukte, zoveel haast, zoveel passie, voor maar een half uurtje! We zaten daar op de achterste rij en het maakte ons geheel niet uit of we in beeld kwamen. Wij waren er voor Daniel en zijn band. Antheia kende hem nauwelijks. Ze hadden één keer ontmoet en ze vond hem niet geheel sympathiek, maar dat had ze bijna altijd met mensen die ze voor het eerst ontmoette. Ze was kieskeurig in haar liefde voor anderen. Toch was ze blij voor hem en ook voor mij. Ze wist dat dit een groot moment was. Ik had hem al lang gesteund. Ik had hem in het blad gepromoot en op die manier hing er voor mij ook echt iets vanaf. Succes van de band zou op mij afstralen en zodoende ook op haar. Binnen een kwartier nadat we binnen waren gekomen begon de openingstune.
De zaal zoals ik hem van tv kende was maar half gebouwd. Alleen waar de camera mogelijk op zou rusten zag er tv uit. Achter ons was een leegte gevuld met kabels en contactdozen. Er hingen op maar een paar plekken gordijnen in de typische DHNU!-kleur. Er stonden withete lampen achter ons bankje die omhoog straalden tegen het dak, waar trussen vol andere lampen aan hingen die heel precies bepaalde stukken uitlichtten. De presentator, de altijd goed gecoiffeerde Mark Molenberg, lieveling van het Nederlandse publiek, de man die nooit iets fout kon doen in de ogen van zijn immense schare fans, keek nog even op het papier op de tafel, kreeg nog even zijn kraag recht getrokken door een in saai kloffie geklede dame, keek op precies het goede moment, terwijl de laatste tonen van de openingstune wegstierven, recht in de camera met een glimlach die maagden spontaan deden ontsluiten en ratelde een welkom met het gemak van vele jaren ervaring en vele uren kritisch onderzoek van een heel team specialisten.
‘Welkom Nederland! bij een nieuwe aflevering van Draag Het Nieuws Uit! met als gasten bla bla bla! en speciale band Thin White Duke! en bla bla bla!’ Niemand hoefde nog verteld te worden enthousiast te klappen, want iedereen was er klaar voor: een nieuw moment in de televisiegeschiedenis. Een geschiedenis die toch al vol was van hyperbolisch grootse daden en de gevoeligste momenten die een camera maar kon vastleggen. Een half uur dat voorbij zou razen als een orkaan in een Jan de Bont-film en net zo’n kunstmatige ravage zou achterlaten, om de volgende avond geheel weer opnieuw en nog beter voorbij te razen op precies hetzelfde uur, met niet eens zo heel andere gasten.
Antheia verveelde zich met de interviews. Niet alleen kon ze er niks van verstaan, maar de gasten gedroegen en kleedden zich anders en hadden weinig flair vergeleken met de Griekse sterren die zij kende. Haar moedertelevisie was vol bombast en drukte, vol glitter en grote tieten, vol schreeuwende oude mannetjes in dure pakken, dansend als beurshandelaren op xtc, vol neon uithangborden en lichtbundelbrakende spotlights. Dit Nederlandse kwam enigszins gewoontjes over. Ze vond Molenberg nog wel aardig gekleed, maar de fameuze Ron Kruut, voormalig hoofdredacteur van een integere krant en profvoetballer, nu al jaren commentator zonder blad voor de mond, vond ze eruit zien als een zwerver die sinds mensenheugenis een bad nodig had. En toen onze meer dan fameuze en hartbrekende roodharige actrice Sheila Selbenis aan tafel schoof moest ze hard lachen toen ik haar vertelde dat deze dame met de paardenbekkengrijns bij jochies aan de muur hing en regelmatig onderwerp van masturbatiefantasieën was. Antheia werd snel tot stilte gemaand. Ik kon het niet laten te grinniken. Niet om Sheila de tafeldame van de avond, want eerlijk gezegd vond ik haar in levende lijve nog aantrekkelijker dan op het scherm, maar om het publiek dat aan haar lippen hing alsof ze de minister-president was. Ik vertelde aan Antheia dat het niet veel uitmaakte of ze verstond wat er werd gezegd, want er werd eigenlijk niks gezegd. Een hoop ego-ontboezemingen om het volk te lijmen en vermaken. De diepgang van een pierenbad waar iedereen zich aan kon spiegelen. Geen klank die ook maar de aanzet was tot een top honderd album des levens. Het getoonde oppervlak was zoet als een suikerspin en tien keer slechter voor het gebit. Niet dat diepgang Antheia veel kon schelen. Zij vond stijl belangrijker en dat iemand een goed hart had. Niet dat ik dit gemis echt in mijn ziel voelde. Mijn verontwaardiging was gespeeld en gespeend van elke serieuze consequentie. Ik mopperde graag, maar liet al dit zoets net zo lief smaken. Als recensent was je ook een beetje journalist en dus ook beschouwer van het leven. Je verlangde van jezelf een mening die moest beantwoorden aan de mening van je gelijken, een elitaire klasse die graag deed alsof ze relevant was, maar net zo laag bij de grond zat als de rest. Klagen was een vak waar iedereen goed in was. Je hoefde in deze stad maar een bal te gooien of je raakte een welbespraakte zeurkous die de rest van zijn leven prima vond, maar de wereld graag afkraakte.
Vervolgens was het eindelijk tijd voor Neerlands favoriete zap-moment, want niemand gaf een zier om de popmuziek die DHNU! presenteerde. De band! Patsboem daar stonden ze, Thin White Duke in vol ornaat! De dames van het koortje in jaren tachtig zwart-witte rokjes en schoudervulling, dreadlock Brenden op de drums, gitarist Johnny van Zee en zijn oranje kuif, alpenhoornduo Krank & Frank, de bassist in Armani en daar vooraan, geheel in wit pak, de duke himself, monocle en sigarettenpijpje in pose, Daniel van Apperdam! Dat alles op een podium van drie bij twee. Mark Molenberg vertelde nog even in de camera wie ze waren, zijn grijns geruststellend naar het publiek werpend als om te vertellen dat dit geschikt was voor het hele gezin en toen kon het feest beginnen. Mark had vast de band nog niet gehoord, of ze hadden hem bij de repetitie een poets gebakken, want ze speelden Thousand year old girl en het publiek trilde van angst. De dreigende tonen van deze ingekorte versie, normaal gesproken duurde het nummer zeven minuten en nog wat, schuurden door ieders oorbotten. De zaal schudde, de mensen keken weg, zelfs Mark kon zijn glimlach niet echt ophouden. Ik weet zeker dat Molenbergminnend Nederland voor het eerst besefte dat de presentator van gewoon vlees en bloed was. Hij fronste zijn goddelijke voorhoofd, krabde zijn mannelijke kin, gebaarde naar iemand buiten beeld en leek in het geheel ontdaan. De cameraman en regisseuse registreerden dit allemaal prachtig, want ze waren blijkbaar gegrepen door Thin White Duke. Sheila Selbenis keek verdwaasd toe. Antheia vond het ook afgrijselijk klinken, maar ik moest er bijna van huilen. Ik dacht aan Meiramgul en miste haar, ondanks die prachtige vrouw naast mij.
Zodra de muziek was afgelopen klonk er een bedeesd applaus. Het publiek was getraind om zo te doen. Niet klappen kon niet met al die camera’s. Mark Molenberg richtte zich weer op zijn publiek, jongensachtige glimlach en al, begon de band af te kondigen en de volgende gast te introduceren toen een vrolijke Daniel van Apperdam aan tafel schoof.
‘Zeg, Mark, gaan we geen interview doen?’ De prachtige en welluidende presentator, met zijn stoere blonde lokken die elegant langs het markante gezicht vielen, keek verbaasd op van de camera. Zijn mond leek wel letterlijk open te vallen. Ik kende Daniel goed genoeg om te weten wat er stond te gebeuren en fluisterde net iets te hard.
‘Oh, shit…’ Het publiek verzat ongemakkelijk, boog zich voorover, al te bewust dat ze heel wel een authentiek stukje geschiedenis konden gaan meemaken. Mark keek weer naar iemand buiten de camera en even was er paniek in zijn ogen.
‘Ik bedoel maar, ik weet dat we het niet hebben afgesproken, Mark, maar ik zou toch graag een paar woordjes zeggen.’
‘Ehrm… eh… Daar hebben we helemaal geen tijd voor, jongeman. De volgende gast staat al…’
‘Noem me maar Daniel, hoor. Nee, zeg, laat me even dit aan je kwijtraken. Ik vind het verdomd jammer van je, wat er allemaal hier gebeurt…’
‘Wat? Hoe? Wat bedoel je?’ Ondanks zijn tijdschema was de presentator nieuwsgierig.
‘Nou, weet je, toen jullie begonnen vond ik het een leuk en vlot programma dat prettig verslag deed van wat er in het land gebeurde. Dat was een goede reden om jullie te volgen. Maar ondertussen lijkt iedereen zo gehersenspoeld dat het niet meer is dat jullie het nieuws brengen, maar het nieuws zijn. Vind je dat niet jammer, Mark? Je was toch vroeger journalist?’
‘Ja, zeg, sorry hoor, dit gaat te ver! Dat je zomaar aanschuift is tot daar aan toe, maar dat soort ongefundeerde dingen… Wil je alsjeblieft weggaan?’
‘Kom, kom… ik ga pas weg als ik mijn dingetje heb gezegd. Roep anders de bewaking maar.’ Ondertussen was het publiek steeds rumoeriger geworden. Sommige begonnen luid opmerkingen te maken over wat met dat soort onruststokers moest worden gedaan. Iedereen voelde zich aangesproken. Antheia verstond het niet, maar ze vond de drukte aantrekkelijk. Ik vertaalde zo goed mogelijk, waardoor ik soms de nuance van de onrust miste. Twee grote stevige mannen in vlekkerig T-shirt kwamen de zaal binnen en bleven net buiten het oog van de camera wachten. Ze zouden niet zomaar tv-tijd opeisen. ‘Luister, wat ik bedoel te zeggen is dat dit een farce is. Wij zijn het eerste bandje hier dat echt goede muziek maakt, maar niemand begrijpt het nog omdat jullie ze al jaren met oppervlakkige bagger voeden.’ Ik moest hard lachen, wat verwijtende blikken opleverde. ‘En die tafeldames, sorry, Sheila, ik vind je ook een lekker ding, die zitten er alleen maar omdat  de camera ook wat vrouwelijk schoon nodig heeft. Ik bedoel, kom op zeg, wat heb je nou eigenlijk echt te vertellen, Sheila?’ Hij keek haar even indringend aan. Nog voor ze verontwaardigd of gevat kon antwoordden ging hij verder. Ondertussen had hij zelfs een sigaret aangestoken.
‘Kan je die uitmaken, je mag hier niet roken,’ vroeg Mark bits.
‘Nee, zeg, ik heb even zin. Wat ik bedoel is dat jullie eens goed gaan nadenken over de invloed die je hebt op ons land en dingen brengen die mensen meer dan alleen goedkoop en plat vermaak geven. Snap u? Nou, dat was hem dan, mensen, vergeet niet naar Thin White Duke te komen, volgende week dinsdag in de Sterrenschans te Eindhoven! U was een fantastisch publiek!’ Toen hij opstond pakten de vlezige mannen met speknekken hem bij de armen en droegen hem niet al te hardhandig weg. Zijn band stond nog steeds te grijnzen op het podium. De zangeressen zongen pesterig een volle noot. Mark kondigde verbouwereerd het volgende onderdeel aan. Wij gingen op weg naar Daniel. Antheia trok me af op het toilet. Ze had een fantastische hand. Alsof deze gemaakt was om een piemel vast te houden. Alsof ze zelf een piemel had.



Thousand year old girl (Thin White Duke vs Meiramgul)
illustratie M. Ozymantra

zondag 20 mei 2012

Tot het dal gekeerd (1)


verloren in metalen skeletten en gewapende betonblokken
ligt het land verdeeld over parken, zerken en beursgebouwen
betreden door gratige manneren daftig in streepjeshemd en stropdas
mevroien in mantelpak en lipgloss, hun delta overspoeld door een oceaan

van woorden over niets en niemendal wat televisie en voetbal geeft
als de eerste steen wordt gelegd van een waerachtigh vertrouwen juicht
het publiek? Neen, men kwettert en spattert verder, eendjes van voorname klanken
(ook praten kan doordraven tot heuvels en dalen zwelgen in dronkenmansgeschater).

De derde en vijfde steen blijven net zo onopgemerkt, tot de toren boven alles
uitreikend, stersteigerend, maanvangend, dark matter rijtend
kathedraal gebouwd uit de adem van alle graven voorheen, bezeten
zombies met een missie, in elk facet hun houngan weerstrevend

elke steen en face van een dichter, schilder, bakker, loodgieter
allen opgenomen in sanctum sanctorum aspera non sperno
een plek waar iedere schaduw door zonnen wordt weggeblazen
een plek waar mens, plant, dier en diamant samenvallen als kaf en koren


Dit gedicht is onderdeel van de te verschijnen bundel "Sterrenplantsoen".



 Kathedraal
illustratie M.Ozymantra



Dit gedicht is onderdeel van de ongepubliceerde bundel 'In stilte geboren'.

zondag 13 mei 2012

Zandbak van de toekomst


Laten we toegeven een beetje als kinderen met onze nieuwe speeltjes te zijn. Technologie is prachtig, handig en praktisch, maar meestal is het vooral het vermaak dat we er in zoeken. Er zijn er genoeg die niet kunnen wachten met het aanschaffen van de nieuwste gadget. Ipad is in, iemand anders bedenkt nog iets dat meer glanst en iedereen springt daarop. Met elke upgrade een nieuwe bankoverschrijving. En waarom niet? Op het schoolplein wilde je ook altijd de tofste zijn en dat werd je met de nieuwste dingetjes. Natuurlijk, voor het gevoel van menig mensenleven zijn die computers er al lang, maar dertig jaar van zulke ingrijpende technologie is natuurlijk niks. Iedereen moet nog wennen, iedereen is happy van de mogelijkheden. Als kleine kinderen.

Maar wat is er dan werkelijk zo interessant aan computers, internet en dat soort technologie? Is het niet meer dan het nieuwste speeltje waarmee we de ander in de zandbak jaloers maken? Is het werkelijke voordeel dat we eruit halen gelegen in het versnellen van allerlei productieprocessen? Ons leven makkelijker maken, zou dat het zijn? Of gaat het alleen om het kunnen berekenen van wat het beste aandeel is om te kopen? Alles aan computers en internet lijkt een beetje pervers doordat we er alleen in economische en entertainment termen aan denken. We verbinden de mensheid met elkaar om te bedenken hoe we het best profijt uit elkaar kunnen halen. Zuckerberg haat pseudoniemen op Facebook omdat hij anders zijn commercie niet goed kan belijden. Dat zou voor menigeen een reden moeten zijn juist met een pseudoniem op het internet te gaan. Er is geen hoger doel. Alleen maar gebruik en misbruik.

Er zijn veel mensen die internet gebruiken om te stelen. Ze downloaden muziek, films, software, noem maar op. Daar wordt op neergekeken, want het tast de auteursrechten aan van derden. Er is veel geld geïnvesteerd in het maken van een film en iemand kan die zomaar gratis kijken. Er is niet eens een omroepabonnement voor nodig. Geen gids, geen reclame, niks van dat al. Bijna iedereen gebruikt Wikipedia of andere pagina’s waar gratis informatie wordt aangeboden. Vaak genoeg hoor ik dat je er mee moet oppassen, tenslotte wordt wat erop staat niet gecontroleerd op de feiten. Maar wie ging er dan blind vanuit dat wat er in een encyclopedie stond altijd klopte? Hoe vaak werden die niet door voortschrijdende kennis achterhaald? Wie controleerde de samenstellers van een encyclopedie?

Kennis. Informatieoverdracht. Dat is waar het om gaat en dat is iets dat steeds belangrijker zal worden. Niet alleen post ik graag eigen berichtjes op Facebook en Twitter, maar herpost ze ook van anderen. En dan het liefst de wetenschappelijke stukken. Nooit eerder was de hele wereld zo verbonden en nooit eerder was er zoveel informatie over zulke uiteenlopende zaken beschikbaar. Informatieoverdracht, daar gaat het om. Dat we van elkaar weten, dat ons bestaan een vingerafdruk achterlaat, dat we kunnen controleren of wat we weten correct is, dat we kunnen leren begrijpen wat er in deze hele grote wereld gebeurd en gedacht wordt. Misschien dat we zo een kans hebben elkaar weer te begrijpen. Is dat geen mooi hoger doel? Maar voor we hier echt van kunnen genieten en leren moeten we misschien eerst eens opgroeien.


De zandbak
illustratie M. Ozymantra

zondag 6 mei 2012

Dame van de dood

Zoveel zaken waren er te regelen, maar de afspraak met Hennie het Skelet ging ik niet missen. De aanbieding die hij me had gedaan was uniek en onwaarschijnlijk. Zulke dingen deed hij zelden voor een ander. De voorbereidingen voor de begrafenis van Mikkie moesten een nacht wachten.

Op het kruispunt ontmoetten niet enkel twee wegen, maar ook de uiteinders van de stad: verstopt in de dames van losse zeden en hun klanten. De dames paradeerden vol bravoure heen en weer, de ogen zwoel brandend als petroleumstelletjes. Hun gekleurde ondergoed en strakke jurkjes vlamden in de duisternis van de schaduwen die de roze lampen wierpen. Tussen hun volle lippen zat een sigaret die spaarzame rook losliet. De schemer liet een enkele uiteengereten wolk zien, angstig voor het kelderende zonlicht. Ze groetten me met een zwaarmoedige blik. Ze kenden me want ik was tussen hen opgegroeid. Ze kenden Mikkie ook, want die was vele jaren een gewaardeerd collega geweest. Maar misschien waren ze ook zwaarmoedig omdat er geen klant was te bekennen. Huitzilpochtli floot vrolijk naar de dames.
‘Kan je geen respect voor de doden tonen, Hutie,’ mompelde ik geërgerd.
‘De dood zit in een klein hoekje, Joost,’ antwoordde hij.
‘Alsof ik dat niet weet, stomme vogel… Stop eens met je vleugels tegen me aan te slaan!’ Hutie sprong verbouwereerd van mijn schouder af en herhaalde ‘sorry’ op een hoge toon. De ara was een jaar of tien geleden bij me komen aanvliegen en sindsdien mijn beste vriend.
‘Het geeft niet hoor, Joost,’ zei Joselita, ‘we weten dat het hem ook deert.’ Ze was al ouder, in de veertig, maar nog steeds ging ik graag bij haar langs als ik het moeilijk had. Ze verwende me dan als een perverse moeder, al vonden wij er niks pervers aan, want zo was het altijd geweest. Haar donkere huid was doortrokken van fijne groeven die ik liefdevol met de tong volgde tot ze sidderde van genot. We omarmden even en ik werd bedwelmd door haar zware parfum die deed denken aan Javaanse sigaren. Ze was niet degene waarbij ik mijn maagdelijkheid had verloren. Hutie flapte zijn blauwgele verendek wild op en neer, nog steeds ‘sorry’ snerpend. Een andere dame kwam erbij staan.
‘Hé, Joost, we hielden intens van haar, dat weet je…’ Ze omarmde me ook. Het was Estrella, de dochter van de dame die me had ontmaagd die nu in Hongkong leefde. Estrella’s jonge lichaam leek met me te willen versmelten. Ze rook naar jasmijn en koriander.
‘We misten haar elke dag sinds ze was gestopt,’ zei Joselita.

En ja, inderdaad, ik was mijn maagdelijkheid verloren bij de dames van de nacht, bij hen die ieder ander prostituee of hoer wenst te noemen. In de gewone wereld werd dit als verderfelijk gezien, voor ons was het De Eerlijke Manier. De dames kozen met wie ze wilden, als exotische beschermengelen van de lust en wij klanten wisten waar we aan begonnen. Ik betaalde er voor, maar niet met mijn ziel of met leugens. Ik betaalde met geld en kreeg er wijsheid voor terug. Alle kinderen worden in schuld geboren, uit een gezin op misleiding gebouwd. Elk mens wint de onschuld terug in de daad en ik won deze terug bij een lichtekooi. Onschuld in de daad, telkens weer. De Kleine Dood leidt tot het Grote Leven. Deze dames waren priesteressen van de Kleine Dood. Ik hield meer van hen dan van mijn familie.
 
Mikkie heette eigenlijk Mictecacihuatl, maar dat was te moeilijk, vond haar vader, die maar een gewone Peelse boer uit Wehl was. En zij was het met hem eens. Haar moeder, zijn vrouw, de lichtekooi die hij in Enschede had geschaakt en uit haar wereld had getrokken, was van Mexicaanse afkomst en had zo een stuk erfgeschiedenis in Mikkie willen behouden. Het enige wat Mikkie erfde was een serieus verlangen zich toe te leggen op verleiding & seks. De weg naar bordeel en peeskamer verliep zonder problemen. Mikkie was ervoor geschapen de ander vleselijk plezier te geven. Of het man dan wel vrouw betrof maakte haar niet uit. Alle mensen waren gelijk geschapen in de tempel van lust. Zij vertelde altijd wat de ander wilde horen. Een wereld van leugen en vleierij was haar eigen, maar ik keek er doorheen, Mikkie, ik keek er altijd doorheen. Ik zag ook dat pas wanneer Mikkie uit liefde had geneukt, ze De Waarheid sprak. Ik bleef dan aan haar voeten liggen en luisterde tot mijn oren blauw waren. Ik hield van haar als van geen ander levend wezen. Al gaf ze nog zoveel plezier aan andere mannen en vrouwen, ik wist dat ze De Waarheid alleen aan mij vertelde.

*

Iets verder weg van het kruispunt waar de dames dwaalden kwam de bloedsteeg uit op de Pillenbrug, waar al de junkies hun leven verbrandden, en waar, daar in een duistere hoek, ingesloten tussen patatkraam en dichtgetimmerde Satanskerk, Hennies Tattooshop zat. Niet veel kenden de plek, want deur en raam werden net zo vaak door een rolluik afgedekt als Hennie zin had. Nog van de oude stempel en werkte wanneer hij wilde. Blinde Harry stond met zijn blaasharmonica tegen de etalage. Hij speelde een Amsterdams deuntje van voor de Oorlog. Hoewel hij niet kon weten dat ik naderde groette hij vrolijk. Blinde Harry was getrouwd met Isa, een nichtje uit De Oude Buurt. Ze hadden twaalf kinderen en twee uitkeringen. Hij verdiende bij door het Amsterdamse levenslied in alle buurten te laten horen. Hennies deur kraakte levensecht als in een goedkope horrorfilm. Een bewegingssensor verbonden aan een chip zorgde daarvoor. Hennie hield van gadgets, maar alleen de zelfgemaakte. Soms stonk de hele shop naar soldeersel en geschroeid hout.
‘Hé, Hennie, je ziet er weer nice & shining uit!’
‘Dank je, Joost… Jij ziet er ook een stuk beter uit dan onder de omstandigheden mag worden verwacht.’ Hennie was echt ook alleen maar skelet. Zijn botten wreef hij dagelijks in met fluorescerende olie waardoor ze gloeiden in de nauwelijks verlichte shop. Hij was er zelfs toe overgegaan om in de beenderen een verhaal te graveren.
‘Wat heb je daar nou allemaal voor onzin gekrabbeld, man?’
‘Joost, jongen, het wordt tijd dat je die kop uit je reet trekt…’ Hennie lachte erbij en zijn lach was als het op kletteren van castagnetten. Niemand zou daar ooit aan kunnen wennen en ik betwijfelde of Hennie het zelf prettig vond. ‘Dit dus is in het schrift van de Maya’s, je kent ze wel. Het is een mythe over Kawak, het konijn in de maan, en hoe deze de wereld meerdere malen heeft gered door zichzelf op te offeren.
 ‘Jemig… Nou, het is me wat…’ Hennie wees naar zijn dijbeen.
‘Hier wordt bijvoorbeeld verteld hoe Kawak op zijn reis door Wakah Chan, de melkweg, tien tegenstanders versloeg om de hoorns van Itzam Ye te stelen.’ Ik knikte instemmend, maar keek eigenlijk meer naar de vrolijkheid om ons heen. Overal stonden elektrische kaarzen en holle schedels met fel rode bloemen. Samen met het ultraviolette hoerenlicht en de zwarte muren zorgde het voor een intens spektakel.
‘Man, wat is je shop vrolijk opgetuigd!’ Hennie keek om zich heen alsof dat allemaal ook nieuw voor hem was. Hij lachte zijn onplezante lach.
‘Hè, ja, vandaag is het Dag van de Dood in Mexico, je weet wel, wat ze hier Allerheiligen noemen. Dit is de nacht dat de doden eenmalig uit hun graf rijzen. Die bloemen, zempasuchil en chrysanten zijn ritueel verplicht. Het koste moeite om ze helemaal vers voor vanavond te krijgen. Die zempasuchil worden hier helemaal niet verkocht.’ Ik was er verbaasd over dat hij levende have in zijn winkeltje toeliet. Zelfs de ratten waren machientjes die hij zelf in elkaar had geknutseld. Normaal gezien waren alleen de klanten van levenslustig organisch materiaal.
‘Wat heb jij nou met dat Mexicaanse?’
‘Niets, mijn jongen, niets. De volgende keer doe ik wel weer iets met Hindoes. Ik hou gewoon van een feestje en het liefst als het met de dood heeft te maken!’

*

Hutie fladderde vrolijk rond, terwijl Hennie bezig was met mijn tatoeage. Ik lag languit op mijn buik op de ligbank. Hij duwde en trok lijnen van inkt in mijn ontblote schouder. Het schrijnde en stak. Het geluid van de naald was geruststellend als het piepen van een alert brandalarm. Hutie vroeg aan Hennie de hele tijd naar wat er op de posters en boeken stond. Zijn nieuwsgierigheid naar de mensenwereld kende geen grenzen. Alles was zo vreemd vergeleken met de papegaaienwereld. Bovendien had ik geen enkel boek in huis. Al mijn lezen deed ik van een reader. De enige poster aan mijn muur was een reproductie van een Paula Modersohn-Becker schilderij, Liggende moeder en kind.
‘En dit, The Stooges, wat is dit?’ Een poster met Iggy erop: verveeld, en agressief, klaar om iemand aan te vallen, de pinnige borst naakt onder het leren jasje, zijn haren kort en verward als een vloermop.
‘Oh, yeah, man, die komt uit 1971, een concert waar ik bij was, man, yeah. Ze waren eigenlijk uit elkaar maar… Wauw, man…’ Hennie was met tekenen gestopt. Mijn huid kon even rusten, terwijl hij dromerig voor zich uitstaarde. ‘Yeah, man…’
‘En dit, en dit?’ Hutie vloog onrustig van het één naar het ander. Het was onmogelijk zijn aandacht bij wat dan ook te houden. Hennie antwoordde afwezig, in concentratie weggedoken. De naald trilde en snerpte. Een geigerteller van inkt. Ik droomde van de oorlogen die de wereld in vuur in vlam zetten, van de dreigingen die ons land omzwachtelden met een natte handdoek. Hier in Hennies Tattooshop was het behaaglijk warm vertoeven.
‘En dit, en dit, en dit?’

Langzaam kregen Mikkies gezicht en lichaam vorm in donkerblauwe lijnen, gegroefd in bloed.
‘En dit?’ het was één van onze favoriete foto’s. Zij naakt op bed, het lichaam behaaglijk tussen de plooien van de lakens, het ene been over het andere. Je kon net niet haar schaamstreek zien, je kon net niet de rand van een tepel onderscheiden. Haar lach was geheimzinnig, alsof ze net had gedronken van de hoorn waar de melkweg in was gegoten. Haar lach omvatte mijn hemel in al zijn aspecten. Haar planeten stonden conjunct met de mijne, vormden een sextiel waar de zenit en nadir van verlangen elkaar ontmoetten. Mikkie, je woorden verwarden opzettelijk en lieten me geen moment de rust vatten, maar je hebt ons leven verrijkt, je hebt de wereld een glans gegeven die deze niet meer kende sinds de vroege dagen van de schepping. Je was onschuldig als een Eva in het gras van Eden, terwijl je de liefde bedreef met elke Adam die maar kwam aanwaaien. Al je woorden gewogen op een weegschaal hingen over naar de verfraaiing, naar de leugen, maar zo kwam je steeds dichterbij De Waarheid, bij Het Echte Leven. En ik mocht me laven aan je bron.

*

Niet dat we echt pauze hielden, Hennie ging gewoon door met lijnen krassen, maar we hadden honger gekregen en iets besteld. Hutie hapte nacho’s met gesmolten kaas weg en ik een kipburrito. Ik zat nu rechtop en voelde Hennies botten hand mij schouder recht houden. Hij at niks anders dan een blauwe gloeiende vloeistof die je zijn keel kon zien binnengaan, maar die zonder verder spoor achter te laten werd opgenomen in zijn skelet vol Maya graffiti. De burrito was verrassend heet en vulde mijn palet geheel. De zoete hitte en de zachte korrelige pannenkoek rond de soepele kipstukjes. Ik werd meegenomen naar een verleden van alleen maar actie en geen gedachte. De jeugd was een en al lol en rennen van de ene dame naar de andere, samen met je vriendjes de hoerenlopers bespieden en dan hun zakken rollen. We flikten de junkies een streek door bolletjes bruine suiker voor de helft van de prijs als heroïne te verkopen en lachten ons dood als ze de zoetigheid smolten in hun geblakerde eetlepels en high werden als kleine kinderen op chocoladerepen. Ik hapte naar adem, een stukje zat vast. Mijn keel deed pijn, er zat iets scherps in de kip. Een botje scheurde mijn strot open en blokkeerde de lucht. Ik… hapte… naar… adem… en… viel… voorover, ontsnapte Hennies hand. De vloer raakte mijn hoofd. Hard… hapte ik en gierde… naar adem. Ik klauwde naar mijn keel en naar de ligbank. Hutie schreeuwde verward fladderend:
‘Wat is er aan de hand, wat is er aan de hand!’ Mijn longen hechtten zich dicht op zoek naar… Hennie trok me omhoog en met knokige armen om me heen en een trekkende Heimlichbeweging duwde de dwarsligger eruit.
‘Godverdegodver,’ gilde ik. Hutie schreeuwde nog steeds paniekerig.
‘Jongen,’ zei Hennie, ‘je bent gezegend, zeg! Ik dacht even dat je erin zou blijven… Moet je kijken…’ Het stukje slijmerig en bebloede bot tussen zijn vingers plaatste zich als een dood teken tussen mijn ogen. ‘Heeft je moeder je nooit uitgelegd te kauwen, mi amigo?’ We lachten hysterisch. Hij klakkend en ik hevig hijgend. Hutie landde op mijn schouder en gaf een katachtig kopje.
‘Joost was bijna samen met Mikkie. Verdrietig…’ ‘Goed, genoeg plezier gehad,’ zei Hennie. ‘Laten we dit eens afmaken voor het te laat is. Een streepje mis, maar dat is makkelijk te herstellen.’

*

De bloedige tatoeage in de spiegel op mijn schouder glimlachte mysterieuzer dan ze ooit op de foto had gedaan. Hennie stond als tatoeagekunstenaar op gelijke voet met Caravaggio en Rembrandt. Hij wist hoe een sprankeling van leven aan dood canvas te ontlokken. Haar essentie was in mijn huid gegraveerd. Hij kende haar dan ook vanaf geboorte. De klok van de Oude Kerk sloeg twaalf. De galm van elke slag leek een eeuwigheid door te klinken.
‘Kijk eens aan,’ zei Hennie, ‘het is tijd voor de doden om op te staan en een maal met ons te delen.’ Met een draai van zijn handen brak hij de nek van één van zijn mechanische ratten en droop de machineolie als een offer op mijn getekende huid. Ik voelde hoe de tatoeage nog heviger begon te kloppen dan ze al deed. Ze kroop van me af in een hortende maar zekere beweging. Het had iets weg van een celdelend eitje. Ze stond daar plotseling naast me, de huid nog doorzichtig, rillend van de werkelijkheid om haar heen. Hennie reikte een lang overhemd aan dat ze over haar snel koel wordende huid heen trok. Hutie landde eerbiedig op haar schouder en schurkte zijn kopje teder tegen de wang.
‘Mikkie?’ zei hij.
‘Hutie, lieverd, ja…’ De tranen achter mijn oogleden dikten zozeer aan dat ik ze niet meer binnen kon houden.
‘Mikkie?’ Ik omarmde haar lichaam en voelde hoe mijn warmte haar vulde als gas een weerballon. Ze was zo licht en toch zo echt en rook naar sandelhout. Ik zakte langs haar lichaam op mijn knieën, de armen in gebed om haar heen. Ze kroelde door mijn haar als vanouds.
‘We hebben alleen vannacht, Joost, kom… sta op…’ We keken naar Hennie, het fluorescerende skelet. Hij leek wel in een andere wereld te bestaan. Even bleef de ruimte om ons heen stil. Behalve onze ademhaling was er niks te horen. Hij bewoog opzij en gebaarde naar de trap, naar boven.
‘Hé zeg, jullie weten de weg, kids. Doe niets dat ik ook niet zou doen!’ We konden niet zien of hij glimlachte. Eigenlijk glimlacht een skelet altijd. Misschien zit er een goede grap in de dood verborgen. Mikkie en ik lachten en liepen naar boven, naar zijn slaapruimte. Het was tijd om samen met de dood De Kleine Dood te beleven. Hutie bleef ook beneden en floot een oud oorlogsdeuntje. Hij vroeg Hennie honderduit naar de betekenis van posters en boeken. Het skelet antwoordde geduldig. Zijn glimlach werd er niet minder om


Dame van de dood
illustratie M. Ozymantra