vrijdag 30 maart 2012

De Benzinepompbediende

Het is maar goed dat er tussen ons een plaat glas van vijf centimeter zit. De meeste mensen zien enkel mijn handen hun spullen pakken en scannen. Ik kijk hoe mijn reflectie mengt met hun aanwezigheid. Ik kijk naar de cijfers op mijn computer. Ze zijn zo mooi en precies dat je bijna zou vergeten dat het om geld gaat. Ik heb geleerd de cijfers kalm en vriendelijk uit te spreken. Ik heb geleerd alstublieft en dank u wel te zeggen. Dit zijn belangrijke kwaliteiten in mijn werk. Mijn wereld is een grijs soort van licht dat valt op alles dat ik aanraak. Mijn collega lacht veel en praat over zijn vrienden. Ik knik op de juiste momenten. Zulke dingen horen bij mijn werk.
“Alstublieft… Dank u wel.” De baas spreekt ons spottend toe als we niet lachend op werk komen. Alsof er zoveel te lachen valt op werk. Terwijl ik klanten help denk ik aan leuke dingen. Mijn modeltreintjes of aan vakantie nemen. De streepjescodes piepen geruststellend hun prijzen. Ik probeer me niets aan te trekken van de terloopse blikken op mijn hand.

Het behoeft geen woorden om uit te drukken hoe klanten met elkaar versmelten naarmate de avond vordert. Twee diensten op een dag is echt teveel.
“Pomp vier.”
“Vijfendertig tachtig alstublieft.” Ze weet nauwelijks hoe ze het geld aan me moet geven. In het bovenste laatje, mevrouw, dat is goed. Ja, ze komt waarschijnlijk al duizend jaar op plekken als deze en nog steeds weet ze niet wanneer het moment is om de portemonnee te openen. Nog steeds schrikt ze van actie. Nog steeds rommelt ze de munten onbeholpen op de grond, waarbij andere klanten haar moeten helpen. Ik glimlach er al niet meer om. Al duizend jaar komt ze hier benzine halen en nog steeds weet ze niet hoe het moet. Juist ja, meneer, u legt het snoep onder de lade, nee, niet op de lade. Niet op! Al die mensen die hun snoep op de lade leggen. Zo’n prachtig bedacht systeem en iedereen legt zijn snoep OP de lade. Ik denk aan een nieuw aan te leggen treinspoor.
“Piep!”
“Drie vierentwintig alstublieft.” Natuurlijk kunt u het pinnen. De kaart andersom. Hij doet de kaart andersom andersom en dus weer verkeerd. In gedachten ben ik bezig met een reis naar Sussex. Het maakt niet uit waar naartoe, want genoeg geld heb ik niet. Nog een keer de kaart erdoor meneer, u heeft te lang gewacht met ja zeggen. In gedachten denk ik aan die locomotief uit 1976 die ik graag wil kopen.

Het beste moment van de dag is als ik naar huis ga. In het midden van de nacht als de straten gloeien in amber lantaarnlicht, wanneer de bouwlampen het beton blauwig doen schijnen, wanneer het staal zich op zijn koelst doet lijken. Het maakt niet zoveel uit dat ik klaar ben omdat ik het werk zat ben. Het gaat om dat stukje lopen van hier naar huis, langs de ramen met inkijkjes naar andere dimensies. Het gaat om de stilte op de grauwe straat die enkel onderbroken wordt door een vermoeide fietser of een te snel rijdende auto.
“Piep!” Ik denk na over een bepaalde bocht bij een spooremplacement. Het voelt nog niet natuurlijk genoeg.
“143 euro twintig, alstublieft.”
“Voor een pakje sigaretten? Ben je maf geworden?” De vrouw tegenover me, aan de andere kant van het glas, zwemt mijn zicht binnen. Haar glazen ogen en glazen haren zijn uit een dun grijs gebeeldhouwd. De machine leest toch echt 376,30. Dan maar opnieuw.
“Piep!” Twaalf euro. Dat is nog steeds te veel. Ik heb echt geen zin de code met de hand in te voeren, maar ik doe het wel. Ik heb er een hekel aan hoe mijn collega soms geen rekening houdt met de klanten. Ook al zijn ze misschien niet meer dan schimmen achter glas, je moet wel rekening met ze houden. Dat moet echt altijd. Het zijn ook maar mensen, zeg ik dan. Ik scan een ander product en daar komt de prijs wel goed uit. Het zijn ook maar mensen…
“Mevrouw, ik pak even een nieuw pakje. De barcode is waarschijnlijk kapot.” Ook deze prijs verkeerd gaat. Het voelt alsof ik aan het vallen ben. Mijn collega staart geërgerd. Zo vanuit de ooghoeken met opgetrokken wenkbrauwen. Hij is ondertussen wel gewend aan mijn hand, maar ik zie het altijd als men kijkt, al is het nog zo vluchtig. Twee vingers zijn afgeknot bij de knokkel, een stomp hard vlees. Het gebeurde in de zesde klas tijdens handenarbeid. Het is mijn Kainsteken en ik kan er niet van los komen. Geluk zal mij niet achtervolgen.

De vrouw beweegt ongeduldig. Ik haal pakje voor pakje langs het apparaat. De stapel van afgewezen rookwaar begint een muur tussen mijn collega en ik te vormen.
“Man, wat ben je nou aan het doen?” Ik kijk naar haar zonder hem te antwoorden. Ondanks de zure blik ziet ze er best aantrekkelijk uit, met het wollige donkere haar en de flitsend grijze ogen.
“Mevrouw, er schijnt wat mis te zijn met of dit apparaat of dit merk sigaretten. Kunt u misschien een ander merk nemen?” Stuurs geeft ze toe ook wel eens Camel Light te roken.
“Piep!” 4623 euro’s! Wat is hier aan de hand? Ze kijkt nog steeds ongeduldig, maar nu zie ik de zachte onzekere oogopslag. Ik kan haar ook gewoon het geld vragen. Tenslotte is het maar vier euro. Dan reken ik het met de hand af. Ongewild moet ze lachen. De glimlach van een meisje. Wat is ze leuk. Hoe kan ik haar uitvragen? Punt één weet ik niet welke woorden te zeggen en punt twee ga ik vast stamelen als een betrapte potloodventer.
“Hé, je moet het inscannen, hoor… Anders hebben we een tekort.” Mijn collega moet zich er weer mee bemoeien. Ze kijkt op, terwijl ze het geld in het bakje legt.
“Is het nog niet goed?” Hoe kan ik haar uitvragen als al die mensen om ons heen staan? Er heeft een kleine rij gevormd. Straks zegt ze nee en… Verdomme. Ik typ het bedrag in. Zeven euro en een half. Dat kan gewoon niet. Ik typ het nogmaals in. Nogmaals fout. Ze kijkt naar mijn vingerstomp. Ik kan voelen dat ze kijkt naar mijn vingerstomp. Opkijkend zie ik haar verveeld naar de chocolade kijken.
“Weet je, doe er maar een Mars bij.” Gelukkig, ja, gelukkig, nog even respijt. Haar ogen zijn groot en grijs, met lome wimpers, die haar op een hond doen lijken. Ik zou haar zo graag willen laten lachen. Het zou alles goedmaken.
“Eén chocoladereep om de liefde op te wekken!”
“Piep!” Ze lacht moeizaam. Weet ze dan niet dat er een stofje in chocolade zit dat vrijwel gelijk is aan het stofje dat bij verliefdheid vrijkomt? De Mars wil ook geen gewone prijs geven. Drie euro negen en zeventig.

Ik gebaar naar mijn collega. Hij haalt zijn schouders afwerend op, maar komt toch. Ik leg hem uit wat er gebeurt en vraag of hij haar wil helpen. Misschien, om de een of andere vreemde reden, ligt het aan mij. Misschien doe ik iets fout. Misschien is het mijn stomp. Spottend accepteert hij. Ik was toch al een watje in zijn ogen.
“Piep!” Op de een of andere manier is het verdraaid klote als de prijs er nu wel goed uitkomt.
“3432 euro? What the fuck?” Het ongeduld op haar zachte gezicht wordt van steen. Ze kijkt naar de andere klanten. Merken die dat ze rood van woede begint te worden? Het blosje staat haar. Zou ze er tijdens seks ook zo uitzien? Ik moet grinniken om de beteuterde blik van mijn collega.
“Oké, dit wordt te gek,” roept ze, “ik weet niet wat jullie met mij moeten, maar laat maar!” Ze draait zich woest om. Het haar zwiept op. Haar kont is prettig om naar te kijken zoals haar benen er beweging in brengen. Ik reik naar haar, maar stoot mijn hand tegen het glas. Het stompje voelt niets. De elektrische zaag van handenarbeid. Al weer jaren geleden.
“Hé, man, laat maar. Volgende klant. Nog een uur te gaan.” Eindelijk zegt mijn collega iets verstandigs. Nog maar een uur te gaan, inderdaad.

Als ze de deur dichtslaat, valt de stroom uit. Alles duister. Men moppert opgewonden. De scanner is dood, de klanten zijn plotseling vergeten dat ze iets moeten betalen en ik ben het ook zat. Door het raampje zie ik dat ons gedeelte van de stad zwelgt in duisternis. Niets anders geeft licht dan de volle maan en enkele wolken. Een zacht onwerkelijk licht, dat al miljoenen jaren de wereld in toverachtige schijn zet. Het duister van de stad is zoveel groter dan het duister rond de maan. Misschien heb ik nog kaarsen in huis. Het is tijd om naar huis te gaan. O, ja, het is zeker tijd om naar huis te gaan. Al er geen stroom is kan ik altijd nog een nieuw spoor aanleggen.


De benzinepompbediende
illustratie M. Ozymantra

zondag 25 maart 2012

Meisje met een hart van collageen

Ik stond onlangs in een danstent die vooral wordt gedefinieerd door zwarte kleding en harde muziek. Geen gabberhouse of Jan Smit, maar Nine Inch Nails en Front 242. Men houd er wel van een biertje, maar ook een jointje. En wat de mensen die er komen thuis doen weet ik niet. Waarschijnlijk is het allemaal een stuk tammer dan in voorgaande jaren. Ik houd het niet bij. Wat ik ook niet echt bijhoudt zijn de verschillende manieren waarop deze subcultuur het lichaam graag bewerkt. Je hebt natuurlijk de tatoeages en piercings op allerlei plekken, beide ver tot in de doorsnee cultuur doorgedrongen. Al zullen bepaalde plekken om te bewerken er nog steeds taboe zijn. Er zal althans op neer worden gekeken. Liever geen inkt op hand of hoofd.

Dan zijn er nog andere mogelijkheden, waar ik echt niet van op de hoogte blijf. Scarrificatie bijvoorbeeld; littekenweefsel veroorzaken op een esthetische manier. Botpiercings. Van dat laatste was er een voorbeeld in de vorm van een man met een kleine richel van metalen noppen in zijn schedel. De reden dat ik naar hem keek was het meisje dat ik had aangesproken. Het was haar vriend en hij had haar een bepaalde lichaamsbewerking cadeau gedaan waar ik bijna sprakeloos van raakte. Een richel van collageen in hartvorm onder de huid, op het sleutelbeen precies onder de keel. Waar normaal gesproken een kettinkje zou hangen. Ik was daar ook in eerste instantie naar op zoek, naar het kettinkje waar het hart aan hing. Ik vroeg het maar aan haar en het bleek hard collageen onder de huid te zijn. Ik mocht het aanraken. Ik mocht niet de noppen in haar vriendjes schedel aanraken. Niet dat ik dat wilde. Het was fascinerend om dat hartje onder de huid te zien. Zo natuurlijk en toch ook niet. Deze vorm van lichaamsbewerking kwam zo futuristisch op mij over dat ik het ook meteen aantrekkelijk vond.

Wat me vooral aan haar opviel was hoe gretig ze erover vertelde. Ze straalde er helemaal van en, ach, zoals dat gaat, als ik even lekker alleen danste en vluchtig omkeek, zag ze mij kijken. Ze reageerde nadrukkelijk door bijna te gloeien. Als ze niet zo bleek was geweest had ze een hevige blos gehad. En ik wist dat het niet was omdat ze iets van me wilde. Het was omdat ze meer wilde zeggen, meer wilde genieten, warm van de aandacht die dit vreemde kleinood haar gaf.

Het is iets dat valt te begrijpen, de behoefte om op te vallen, om bevestiging te krijgen. Het is maar al te menselijk. Het is ook te begrijpen dat ze zo’n op zich extreme manier heeft om die aandacht te trekken. Maar toch knaagde er iets. Ze had het gekregen van haar vriend. Zoiets legt toch een zware en vreemde hypotheek op een relatie, zeker als het weer eens minder gaat. En minder zal het altijd wel eens gaan. Dat is ook maar al te menselijk.


Girl with the collagen heart
illustratie M. Ozymantra

donderdag 22 maart 2012

De wonderlijke avonturen van Alfred de kat - 6

Het verhaal van Alfred de kat is niet een doorsnee vertelling waarin we allerlei menselijke gevoelens en eigenschappen aan dieren toekennen om zo iets over onszelf te zeggen. Het is een poging te kijken vanuit het perspectief van een dier dat misschien wel zo vreemd aan ons is als onze blik aan die van een buitenaards wezen. Overigens net als dat het perspectief van een kat zo vreemd is aan dat van een specifieke vogelsoort als de kraai. Als uitgangspunt neem ik wetenschappelijk onderzoek, eigen en andermans observatie. Het totale vermijden van menselijke interpretatie zal natuurlijk onmogelijk zijn. Al was het maar dat een dier niet in woorden denkt en onze woorden tegelijk ontoereikend als te betekenisvol zullen zijn. Een zekere mate van romantische interpretatie is dan ook niet te ontgaan. Niettemin staat het zo ver af van de normale knuffelverhalen dat het menigeen kan afschrikken. Natuurlijk zal ook in dit verhaal veel worden verteld over ons menselijk bestaan, maar dan door de lens van de aliens waarmee we samenleven.


Lules en Jules de eksters sprongen onregelmatig op. Ze schreeuwden iets, gilden wat, maar Alfred kon ze niet volgen. Zijn kopje bewoog met hun bewegingen, maar als hij niet de klauwen in de boomstam zou slaan kon hij geen pakken. En ook dat had geen zin. Niet dat hij dit bewust beredeneerde. Het was zo. De paden van actie waren als gegriffeld in het steen van de eeuwigheid. Elke mogelijk lag vast en hij had niet eens de illusie van een vrije wil. Hij had alleen de illusie van plezier of verdriet. Alweer bedacht hij zich hoe nuttig het zou zijn Eksterig te leren. Plotseling begon Kraai tegen hem te praten. Natuurlijk wisten ze beide dat dit zou gebeuren.
‘Stagroot is niet alleen groot en hoog, maar ook rijk en vol. De daken reiken naar de hemel, al reiken ze niet zo ver als wij Kraaien. Mens loopt ertussen als een mier tussen zijn medemieren. Mens is een dier dat denkt niet te bewegen als andere dieren. Ze zijn grappig.’ Alfred luistert geboeid en ook de eksters zijn nu stil. Kraai is natuurlijk niet de enige kraai in de buurt, maar wel de wijste. Iedereen luisterde altijd naar Kraai, zelfs de honden die eigenlijk alleen naar mensen luisteren. Niemand had veel op met honden, maar volgens Kraai moesten de andere dieren aardig zijn voor ze. Honden waren de verkenners voor de rest.
‘Maar waar passen wij hier in,’ vroeg Alfred. ‘Wat zijn wij voor de mensen?’ Het was een vraag die menig dier zich stelde. De mensen bewogen hoogst eigenaardige en ongemakkelijke paden. Ze liepen iedereen in de weg en hielden zich niet aan voorbestemde patronen. Het was vooral verwarrend voor lopende dieren. De vliegers wisten hun eigen weg wel te vinden. Zoals gewoonlijk antwoordde Kraai de vraag niet. Het maakte Alfred weinig uit. Een vraag zoals dat kwam dan wel steeds terug, maar de nood om aan een antwoord te hangen was nauwelijks aanwezig. De zon was te mooi.

Alfred kroop om een vergeten slof heen als om een gigantische muis. Hij draaide zich driemaal om, de slof meetrekkend. In verbeelding was de nek van de muis gebroken en kon hij eten. Zand bleef in zijn vacht zitten. Hij sprong geërgerd op en schudde het af. Met het zand sprongen enkele insecten in het schitterende zonlicht. Alfred keek toe alsof juwelen vleugels hadden gekregen. De wereld was als een helder verlichte diamant in zijn ogen.




50 x 65
inkt op papier
M.Ozymantra

donderdag 15 maart 2012

Moederziel, mijn kind

Alweer een kind gestolen
Alweer moet ze huilen. Alweer kijk ik toe
hoe de wereld groen mos wordt
moeizaam klampend aan de hemel
en ik nodig haar uit in het huis aan de rand
waar te zien is hoe planeten traag knikkeren
Het is een plek van uiterste stilte

De schaduwzijde van haar dijen
raspt langs mijn wang over het kale tapijt
waar stof verzamelt in pollen nutteloosheid
en ik de poelen van verdriet driftig lik
samentrekkend bij haar aarden hielen
mijn wieken trekkend om te rijzen tot haar lippen
echoot haar oorlel het fluisteren:


“Het is zeker dat je je kind verloren waant
in de schoot van een Hongaarse god
waar hanenkammen boeken branden
en een Frankfurter drietand in het vet steekt
maar als de hommels eenmaal loom zoemen
en je de keuze maakt mijn banier te worden
zal elke schat in je schootje smelten”



Moederziel
illustratie M. Ozymantra

vrijdag 9 maart 2012

#dumbdutchfarmerday

Dus we vierden 8 maart Internationale Vrouwendag. Een mooi initiatief om te laten zien hoe voor de positie van de vrouw door velen is gevochten en ook om te laten zien dat er nog wat gedaan moet worden. Natuurlijk werd er door ons mannen op het internet nogal eens een grapje gemaakt. Er valt veel te zeggen voor een dag voor alleen vrouwen, maar mannen voelen zich soms wat buitengesloten. Of niet. Ik zeg al, het nodigt uit tot grapjes. De dag erna vonden enkele trotse Nederlanders het een goed idee #negerdag uit te roepen op Twitter. Met als terugkerende grap het kunnen uitslapen. Smakeloos, zonder twijfel, maar wij Nederlanders zijn er trots op dat we alles kunnen en mogen zeggen wat we willen.

En omdat we denken dat we zo geweldig zijn, omdat we het idee hebben dat we moreel overwicht hebben, denken we dat we kunnen zeggen wat we willen. Ook internationaal. Als er mensen in andere landen zijn die ons verkeerd begrijpen dan zeggen we dat ze eigenlijk ‘een beetje dom’ zijn. Dat vinden we de hele tijd als er weer iets in de media naar buiten komt dat sommige landen als gênant zouden ervaren. Neem nou bijvoorbeeld de Donorshow van BNN of het ‘foutje’ met Rihanna de **bitch, of de burgemeester die Chinezen in de zeik twittert. We denken ook graag dat niemand onze media volgt omdat we een obscuur klein taaltje hebben en achter hoge dijken zitten.

Dus aan de ene kant voelen we ons blijkbaar moreel de betere, maar alleen zolang niemand ons verstaat. Dat we als groep gebaat zijn bij een goede reputatie in het buitenland en er dus als individu binnen de groep verantwoordelijkheid voor dragen is niet iets waar we het snel over eens zullen worden. Uiteraard begon deze houding in de moderne tijd met onze politionele acties in Indonesië, waar we tegen de stroom in probeerden een land haar onafhankelijkheid te onthouden en zodoende veel mensen over de kling te joegen. Maar daar werd niks over gezegd in de jaren dat ik op school zat.

Zouden de ‘buitenlanders’ opeens #dumbdutchfarmerday uitroepen dat horen we verontwaardiging van kust tot kust. Ons Geel Gekapte Opperhoofd zal de eerste zijn om er op te wijzen hoe smakeloos dat is. Tenslotte zijn wij geen boeren en zeker niet dom. Dat we met #negerdag een hele groep binnen onze maatschappij schamperen is meer een kwestie van humor. Daar moet je tenslotte tegen kunnen als je tot de minderheid van een blank land behoort. Hoe hoog zijn die dijken eigenlijk?

#dumbdutchfarmerday
illustratie M. Ozymantra

woensdag 7 maart 2012

Mandaat van angst

Absoluut waar, oh Orakel Van De Onderbuik, natuurlijk moesten Zuid, Midden en Oost-Europa tot de orde worden geroepen. Natuurlijk moesten de immigranten verzocht worden beter te integreren. Nou ja, dat zegt men. Het kan ook best dat men overgevoelig is voor uitwassen en dat het gros prima boert. Het is allemaal leuk om van je met geel tapijt bedekte kansel te schreeuwen in twitterwaardige woorden. Mooi, die fantasievol gecombineerde artistieke beledigingen. Prachtig, oh ja, iedereen is onder de indruk. Je kan er wat van. Je hebt, haha, die kunstenaars mooi hun plaats gewezen en je weet prima hoe de pers te bespelen. Die weet van voren niet meer dat ze van achter bestaat. Je medepolitici zijn ook een stel sufferds, dat is duidelijk. Ze stamelen in lange ouderwetse volzinnen, proberen met argumenten een eigen verhaal te postuleren, waar jij roekeloos doorheen blaat. Als cabaret altijd wordt gebruikt om de politiek te tergen, waarom zou jij geen cabaret gebruiken om hetzelfde te doen? Dat jij zelf een politicus bent is toch niet van belang? Je hebt een boodschap, een Heilig Mandaat van Het Volk, jazeker!

Maar echt, ons land zo zwart maken dat het onder de roet van het Ruhrgebied niet meer is te herkennen? Van wie heb je het mandaat voor dat gekregen? Hoe is het dat Nederland sinds de Tweede Oorlog gelijk opliep in economische ontwikkeling, zowel op als neer, en nu plots dieper in de stront zakt, terwijl onze buren er lekker warm bij zitten? Ach gut, de Nederlander houdt de hand op de knip. De Nederlander is bang van de toekomst! Oh ja, echt! Alle Europese landen hebben het moeilijk, maar waarom wij als superrijke en overdadig bedeelde meer dan onze confraters? Omdat we bang zijn? En waarom zijn we zo bang? Wie van ons twee blaast het vuur van de angst het hardst aan?

Heb jij geen verantwoordelijkheidsgevoel? Is jouw angst voor het vlammende zwaard van de islam zo groot dat je ons meesleept? Ja, ik begrijp het. Als niemand meer op je stemt is er ook niemand meer om je te beschermen tegen die bebaarde schurken. Ik ga hiermee wat kort door de bocht? Rara hoe kan dat nou… Als je met modder blijft gooien, als je mensen zwart blijft maken, als je onze economie ten koste van alles blijft saboteren, dan zal er wel eens ongenuanceerd worden geprotesteerd. En die vrienden die op je stemmen omdat hun onderbuik hongerig is als een Afrikaans kind in de steek gelaten door regering en ontwikkelingshulp? Wanneer ga je ze vertellen over je leugens? Ja, meer links geouwehoer, vast en zeker. En dan zijn we je nog het meest dankbaar voor je smoelwerk vol verontwaardiging als je beledigd wordt zoals je anderen doet. Stop met het vuur aanblazen, oh lieve Grote Geel Gekapte Roerganger, want we zijn niet onbrandbaar in onze kasten van huizen.


Het onschuldige kind
illustratie M. Ozymantra

zaterdag 3 maart 2012

Sleutelbos

November was bijna afgelopen toen Mathieu zijn sleutelbos op het grasveld verloor. De maand zelf dobberde ergens aan het eind van de vorige eeuw, in een donker en koud decennium. Stefan en hij hadden de hele avond port gedronken die ze in de kruipruimte van Stefans buren vonden. Tot hun grote plezier bleken alle kruipruimtes onder het gebouw met elkaar verbonden. Bij het schenken was het alsof er geronnen bloed uit de fles gulpte. De drank had een gedistingeerde smaak die deed denken aan Middeleeuwse landerijen. Natuurlijk was het een ordinaire diefstal, geen vondst. Ze waren nogal in hun nopjes geweest met hun mazzel.

Stefan had lang vet haar, droeg een spijkerjack met heavymetalbuttons en rookte meestal shag. Ondanks dat hij zich zelden schoor wilde er geen baard komen. Zijn militaire laarzen hadden vuilwitte veters. Net als Mathieu droeg zijn huid de ongezond bleke kleur van holbewoners. Mathieu droeg bijna altijd een shirt dat nauwelijks over zijn buik kon worden getrokken. Zijn rossige krulletjes zaten elke dag anders, vooral omdat hij weigerde zich na het douchen te kammen. Zijn gympen vertoonden slijtageplekken die soms de groezelige sok lieten zien.

Ze speelden tijdens het drinken een racespel op Stefans computer. De kleurige pixels stormden in grote blokken van zwart en wit, van geel en kaki, van groen en ceruleumblauw op ze af. De kamer hing vol met een veile tabaksrook. Het was er als altijd muf en riekte naar verschaalt bier, oud zweet en sigaretten. Stefan liet zijn moeder nooit in de kamer en maakte zelf niet schoon. Hij zag de troep en viezigheid allang niet meer. Het zou vele jaren duren voor hij de geur van een bloembed kon waarderen.

Het was zo’n avond dat het Nederlandse voetbalteam de kans had om door te gaan naar de volgende ronde. Ondanks het enthousiasme en de hoop was het nog niet de tijd van overdreven oranjeliefde. Maar hier en daar zag men een vlaggetje in de koninklijke kleur. Mathieu en Stefan interesseerden zich niet voor voetbal. Ze waren bezig met strips, computerspelletjes en sciencefictionschrijvers. En playboys. Het stoorde hen dat er mensen bestonden die zo fanatiek over sport konden zijn.

Toen de twee flessen bijna op waren, Stefan wilde het bodempje van de laatste bewaren, strompelden ze naar buiten. Stefan was de hele tijd druk zijn haar uit zijn gezicht te halen. Mathieu krabde constant aan zijn buik. Er was niets om naar toe te gaan, behalve het aanzienlijk stuk verder gelegen Hilversum. Ze konden toch de aandrang niet weerstaan. Dan zouden ze maar naar Hilversum gaan! Daar zouden ze als mafkezen dansen in de disco! Ze joelden van vrolijkheid, maar het klonk als het huilen van wolven. Ze discussieerden over of reizen naar de sterren werkelijk mogelijk zou zijn. Het ging meer om de overtuiging waarmee ze hun punt konden maken dan over de argumenten.

Er reden geen bussen meer, dus wat zou er beter zijn dan op de fiets naar Hilversum, riep Mathieu. En wat zou er beter zijn dan gewoon op de fiets te springen om in willekeurig welke richting te rijden, riep Stefan. Dwaas als dronken brulapen hingen ze tegen elkaar, half struikelend over hun voeten.

Ze wilden zoveel, maar voelden zich niet genoopt er de moeite voor te doen. Hun ouders waren nog steeds in de greep van de Tweede Wereldoorlog, het motiveerde al hun daden en al hun idealen, maar hen kon het weinig schelen. Voor Stefan en Mathieu was de oorlog een avontuur van televisie, een wereld van woorden waarin hun ouders waren verdwaald. En dat terwijl het universum eeuwig zou blijven uitdijen, zonder einde, zonder punt, zo wisten de beide jongens zeker.

Stefan sprong vrolijk op zijn fiets. Zijn in gymp gevatte voet vloog onbeheerst over de bagagedrager en het zadel. Even balanceerde hij om viel vervolgens door te glijden. Hij had het pedaal aan de andere kant volledig gemist. Zijn haar zwierde als een trieste vlag. Mathieu’s harde lach schudde zijn volle pens. Hij sloeg op zijn been als een slecht getekend stripfiguur. De verbouwereerde Stefan kroop moeizaam onder het ijzer uit. Hij liep om de fiets en wierp het been er weer overheen. Weer miste hij en viel met een doffe klap op de grond. Nu moest hij zo gieren van de lach dat het pijn deed aan zijn buik.
‘Misschien moeten we maar gaan lopen,’ zei Mathieu. ‘Doet het pijn?’ Stefan voelde aan zijn rug.
‘Enigszins.’

Buiten de bebouwde kom waren nog nauwelijks lantaarnpalen. Hun hese bleke licht schuurden tegen het donker van het onbekende aan. Dat wat buiten de bebouwde kom lag: een wildernis. Uit de bebouwde kom kwam luid gejoel. Ze keken elkaar verrast aan. Plotseling was er ook gejoel aan de andere kant van het donker. Daar was een berm van zwarte bomen en struiken, met erachter grauw gras en slootjes. Helemaal aan de andere kant van het donker lag een andere wijk, waarvan ze de warme vierkantjes huiselijk geluk nog net konden onderscheiden. Het viel op dat het gejoel zich door de wijken heen verplaatste.

Aangezien ze dronken waren en weinig aansluiting tot de normale wereld hadden konden ze met geen mogelijkheid bepalen wat de reden van deze jolijt was. Of was het wel jolijt, want het klonk onheilsspellend. Het was alsof een indianenstam had gemerkt dat hun gebied was binnengedrongen. Ze begonnen zich indringers te voelen. Ze bleven brutaal luid praten, maar hun handen voelden klam en ze ademden zwaar.
‘We gaan Hilversum niet meer halen, hè,’ zei Mathieu, gelaten aan zijn buik krabbend.
‘Nee, dat wordt niks meer,’ antwoordde Stefan, die als een hond zijn haar naar achter zwiepte.

Ze liepen nog enkele honderden meters toen ze het gerinkel hoorden. Dit werd gevolgd door doffe stemmen en voetstappen. Nog steeds was het duister alom aanwezig, behalve waar de lantaarnpalen als onaantastbare ijspegels straalden. Ze zagen dat het licht met kleine pauzes onderbroken werd door schaduwen. Een kluwen van beweging kwam hun kant op. Even voelden ze een diepe primaire angst. De oermens zou zich ook zo gevoeld moeten hebben, in diep van de nacht. Niettemin realiseerden ze zich al snel dat ze hier in een buitenwijk waren en dat deze plek gevuld was met beschaafde Nederlanders. Er leefden nog nauwelijks “allochtonen” in het dorp. Er was niets om bang voor te zijn.

Niet geheel overtuigt van hun redenering besloten ze ruim baan te geven aan de groep. Ze liepen naar de zijkant van het pad. Hun tegenliggers spraken luid, droegen flesjes bier en kettingsloten. Ze zagen rood in het gezicht, een rood dat scherp oplichtte in de nacht. Ze keken minachtend naar Stefan en Mathieu, die vriendelijk groetten. Zo waren ze opgevoed, om vriendelijk te groeten. De groep mompelde onduidelijk. Toen ze elkaar gepasseerd waren kon Mathieu het niet laten iets te roepen.
‘Groeten we tegenwoordig niet meer?’ De groep bleef doorlopen, maar het was net alsof ze aan een elastiekje zaten. Onder opgewonden geroep trokken ze langzaam naar achter naar de twee jongens toe. De kettingsloten rinkelden harder. Mathieu en Stefan keken elkaar aan en knikten.
‘Misschien is het een goed idee om spoed te maken?’ Mathieu voelde boosheid, maar achtte de woorden van zijn vriend verstandig. Al had hij niks op met rennen, want daar werd hij zo moe van en ging dan zweten.

Na een tijd te hebben gerend hadden ze het idee het tuig te zijn kwijtgeraakt. Hoewel ze de buurt kenden zag alles er in de nacht anders uit, zeker met een slokje op, zodat ze niet wisten waren ze waren. Ze waren beide geboren in echte oude stadjes, Stefan in Naarden, Mathieu in Hilversum, dus die nieuwbouw waar hun ouders zo verliefd op waren kwam op hun eentonig en zielloos over. De ene hoek die ze om gingen leek net zoveel op de volgende, net als dat het ene slootje dat ze oversprongen leek op degene die ze daarna ontweken. Dat slootjespringen leverde Mathieu natte voeten op, maar goed, dan moest hij ook maar eens afvallen, smaalde Stefan. Mathieu klaagde dat hij nooit zo goed in sport was geweest. Hij had er meer plezier in een hele doos ingevroren frikadellen te bakken in een pan met olie en met ketchup en mayonaise op te eten. Stefan was hier ook niet vies van, maar hij deed aan handbal. Al was het wel dat hij teveel rookte.

Zwaar steunend tegen een hek verweten ze elkaar van alles en nog wat. Achter het hek lag een grasveld, omsingelt door struiken en bomen. Het was als zovele velden in de buitenwijk bedoeld voor spelende kinderen en poepende honden. De natuur rónd de wijk was niet genoeg.
‘Man, ik wil effe zitten,’ zei Mathieu en Stefan deelde dat gevoel ruimhartig.

Zonder reden van uitleg hadden ze behoefte aan privacy. Mathieu ging in het midden van het veld liggen, Stefan iets verderop, waar er minder struiken stonden. Af en toe riepen ze iets.
‘Man, wat was die port lekker,’ riep Mathieu
‘Die idioten die achter ons aanzaten waren natuurlijk voetbalfans,’ riep Stefan.
‘God, ja! Mijn reet bevriest!’ Mathieu had geen benul waar Stefan aan lag te denken. Het zou iets met zijn nieuwe baan te maken kunnen hebben, maar evengoed over zijn familie. Stefan had een nogal aparte familie. En hij ging bij de Mac in Bussum werken. Mathieu dacht zelden aan wat zijn vriend zou kunnen interesseren. Eigenlijk ging hij ervan uit dat het hetzelfde was als hij aangezien ze van dezelfde dingen hielden. Eigenlijk dacht hij zelden over waar wie dan ook anders dan hem aan dacht.

Hij liet zich bedwelmen door de heldere hemel, waar overigens nooit een Melkweg te zien was. Daarvoor was er teveel lichtvervuiling, had hij gelezen. Hij dacht ook aan Rowena, een meisje bij hem in de klas, en aan Madonna en Sigourney Weaver. Mathieu was geil en deed wat hij altijd deed, als er de kans voor was. Het was spannend, met zijn vriend een paar meter verderop. Terwijl hij bezig was keek hij soms schichtig met toegeknepen ogen op, maar zag niets veranderen aan Stefans houding. Deze bleef roepen.
‘Volgens mij gaat George Lucas nooit meer een vervolg maken!’
‘Maar nog zes films te gaan!’ Als Stefan echt had geluisterd, had hij geweten waar zijn vriend aan dacht.

Mathieu was nog steeds maagd en vreselijk gefrustreerd. Altijd als hij een meisje leuk vond begon hij te stamelen en voelde zich vuil in haar aanwezigheid. Stefan had ook geen vriendin. De aanwezigheid van zijn vriend was vreemd opwindend. Niet omdat hij homoseksuele neigingen had, maar omdat het idee betrapt te worden best geil was. Hij was er vrij zeker van geen homofiel te zijn.

Het zoeken naar zijn hoogtepunt duurde niet zo lang. Hij was snel opgewonden en snel tevreden. Het klaarkomen moest wel gecontroleerd gebeuren. Hij wilde niet dat het sperma op zijn kleding kwam. Het trucje dat hij ervoor had ontwikkeld was het afknijpen van de voorhuid, zodat alles binnenin kwam. Dit was niet het prettigste orgasme, maar het kon soms niet worden vermeden. Lastig bleef hoe hij het vervolgens weg moest krijgen. Hij had geen zin het in zijn onderbroek te laten. Gelukkig was er genoeg gras.

Stefan zei niets meer. Mathieu keek, maar zag niet of de ander ook masturbeerde. Misschien was hij wel in slaap gevallen. Mathieu voelde zich vies en ontspannen. Hij voelde eindelijk hoe klam en koud zijn lichaam was. De kleding lag meer op zijn vlees dan dat het hem omzwachtelde. Zijn botten lagen in zijn vlees als roeispanen in een boot. Een beestje kriebelde in zijn nek.

Hij staarde naar boven naar het universum en werd er zich bewust van op de Aarde te liggen. Het was meer dan weten, het was voelen dat hij op een immens grote planeet lag die door een eindeloze ruimte bewoog. Een zware bol van rots met een omtrek van ommenabij veertigduizend kilometer die hing in het luchtledige, met daarbinnen gesmolten steen en een kern van vloeibaar ijzer. Hij voelde de afstand tussen hem en de sterren. Hij realiseerde voor het eerst in zijn leven hoe massief die fragiele lichtjes in de lucht werkelijk waren. Sommige waren wel tientallen malen groter dan de Zon, die al honderden malen groter was dan de Aarde. Zijn geest reisde door het sterrenstelsel. Hij passeerde panorama’s van planetoïden en manen.

Terug op Aarde voelde hij zich meer een deel van het geheel. Hij kreeg de behoefte om met Stefan te praten en stond op. Ze mompelden ongemakkelijk en besloten op weg naar huis te gaan. Ze waren toch niet zo ver van hun eigen buurt als eerst gedacht. Mathieu had al afscheid van Stefan genomen toen hij bij de voordeur ontdekte dat zijn sleutels weg waren. Hij wilde zijn moeder niet wakker maken dus liep hij vermoeid terug.

Hij graasde het veld af als een blinde koe. Ergens moest dat ding toch liggen. Het licht van maan en sterren was nauwelijks voldoende, dus harkte hij met beide handen door het gras. Misschien zou hij zo meer dan zijn sleutels te vinden, poep of zijn sperma bijvoorbeeld, maar hij was zo duf dat die gedachte niet lang bleef hangen. Vanuit het midden van het veld harkte hij in smalle cirkels. Iets rechtsonder van waar hij was begonnen klikten zijn vingers tegen het bevroren metaal. Pas toen gleed de spanning over het verlies met de stilste zucht mogelijk weg.

Hij bekeek naar de sleutelbos nauwkeurig omdat hem iets opviel. Eén van de sleutels lichtte op! Het was ook een volkomen nieuwe sleutel! Zo kronkelig zou deze nooit in een hem bekend slot passen. Ook de bleke rossige kleur viel op. Hij keek er heel intens naar, maar zag dat het metaal netjes een baard droeg om een deur open te maken. Mathieu kon het niet laten om van verwondering nog even naar de sterren te kijken. Zij hadden er in de eerste plaats toe geleid dat de sleutelbos uit zijn zak glipte. Even was het nog de kosmos die hij kende, maar plotseling verschoven de sterren om sporen van rood en blauw op zijn netvlies achter te laten. Ze bewogen niet kriskras. De ene groep trok naar ergens achter de halve maan, de ander verschoof precies in de tegenovergestelde richting. Mathieu verloor het bewustzijn en zakte in elkaar.

Sleutelbos
illustratie M.Ozymantra