woensdag 22 februari 2012

Hoe staat het met mijn roman?

Het voelt soms alsof ik het hele afgelopen jaar mijn adem heb ingehouden. Aangezien ik mijn roman Aan traagheid ontkomen al grotendeels op internet heb voorgepubliceerd lijkt het me passend om ook de verdere afwikkeling op internet te plaatsen. Op zijn minst om mensen die daar interesse in hebben, en zo nu en dan laat iemand zich zodoende kennen, op de hoogte te brengen. Misschien had ik dat al moeten doen, maar tot nu vond ik dat de omgang met de uitgeverij gebaseerd was op vertrouwelijkheid en discretie. Waarom ik daar nu verandering in breng zal vanzelf duidelijk worden.

Het komt er eigenlijk op neer dat ik al snel na het verschijnen van het voorlaatste hoofdstuk op internet een bemoedigende reactie van een uitgeverij kleine uitgeverij in het zuiden van het land kreeg. Ze wilden me publiceren. Ik mocht in december 2010 op het hoofdkantoor in het verre stadje langskomen om de plannen te bespreken en kennis te maken.

De uitgever was heel vriendelijk. Hij vertelde me zelfs dat ik het vooral moest zeggen als ik ergens mee zat. Gevleugelde woorden. Hun kantoor was aan huis, wat me wel enige zorgen baarde, want hoe kon dan een serieuze productie tot stand worden gebracht? Blijkbaar was dit mogelijk. Er hing een vol plankje met hun publicaties aan de muur. Ik vond het een aardige man en was natuurlijk zeer te spreken dat ze mijn boek wilden uitgeven. Er werd mij duidelijk gemaakt dat er zelfs weinig aan hoefde te veranderen. Weinig anders dan de foutjes eruit vlooien.

Ik had er in totaal, inclusief vier of vijf complete herschrijvingen, twaalf jaar aan gewerkt. Als eersteling is het een vrij onconventionele roman geworden. Een doorsnee redacteur zou er bijna alles uit weg willen schrappen omdat ik zo´n beetje alles anders had gedaan dan tegenwoordig van een roman wordt verwacht. Geen voor de hand liggende bestseller. Haal iets eruit en je verliest de roman zoals deze staat. Beter nog om niet gepubliceerd te worden, dacht ik wel eens.

Maar het boek wachtte al lang. Kennissen, vrienden en familie hoopten dat er eindelijk iets uit mijn pen in meervoud zou worden gepubliceerd. Ik wilde maar wat graag bij zo´n kleine ondernemer. Het deed me denken aan hoe Henry Miller door een uitgeverij van erotiek genaamd Obelisk Press werd uitgebracht. Mijn uitgeverij deed niet aan porno, maar aan esoterisch getint werk. Een vriend van me vertelde dat dit eigenlijk erger was dan porno. Ik kon me daarbij aansluiten, maar dat maakte het nog leuker.

Na de eerste ontmoeting gebeurde er eigenlijk niks. Ik was in een droom beland dus merkte weinig van de verstrijkende tijd. Ik wist ook niet zeker hoe het er in uitgeversland aan toe ging. Soms belde ik of stuurde ze een korte mail. Ik was bang ze af te schrikken. Voor een eerste boek had ik erg veel geduld over, maar was als een renpaard bij de start van een racetrack.

In december was ik bij de uitgeverij, in maart tekende ik via de post het contract. Er was een lange brief aan voorafgegaan waarin ik een allusie maakte aan de bruiloft van twee mensen waarin het contract als trouwring fungeerde. Het was een brief om trots op te zijn en ik toonde deze dan ook aan een goedkeurende vriendin. Dat ik die brief schreef gaf wel weer hoe ik me voelde: als voor een muur van non-communicatie. Moest ik dan werkelijk smeken om aandacht?

Maar goed, contract getekend en de belofte gekregen dat het boek of voor de zomer of na de zomer in 2011 zou gepubliceerd worden.. Dat leek me alleszins redelijk. Voor de zomer leek mij zelfs wat ambitieus. Toch, als alleen proofreaden hoefde te worden gedaan, dan kon het wel.

Ik vroeg een bevriend tekenaar om naar mijn aanwijzing een omslagontwerp te maken. Het was mij duidelijk gemaakt met voorstellen daarvoor te mogen komen Ik vroeg een bevriend muzikant te beginnen aan een soundtrack voor de nooit te verschijnen film. Dat leek me leuk voor op internet om het boek te ondersteunen. Zie, het boek mag dan niet ‘bestseller’ op de omslag hebben staan, ik wist wel dat als we de juiste mensen zouden bereiken we ook een aardige verkoop konden krijgen. Ik stuurde ze allerlei suggesties voor marketing. Kutwoord, oké, maar ook een zogenaamd moeilijk boek hoort mediaondersteuning te krijgen. Alles zodat de zolang gekoesterde letteren onder de ogen van de juiste mensen zouden komen. We hebben het nu over juni/juli 2011.

Ondertussen begon ik me serieus zorgen te maken. Ik kreeg weinig feedback van de uitgeverij. Ik werd regelmatig gevraagd hoe het er met de roman voorstond. Ik wist het niet, maar antwoordde sussend. Hoe kon ik mijn groeiende onrust en boosheid naar anderen uiten? Wat gebeurde daar op die redactie? Wilden ze van me af? Ging de uitgeverij onderuit? WAT WAS ER AAN DE HAND? Sussende berichtjes. Alles sal reg kom. Ik wist het niet zo zeker.

Ergens in september vertelde een bevriende redacteur en een schrijver dat dit wachten buitensporig was. Ik belde, maar kreeg de uitgever/eigenaar niet zelf te spreken. Wel zijn vader. Ik was zo pissig dat het moeilijk was vriendelijk aan de telefoon te blijven. Ik deed dat toch. De vader legde uit dat zijn zoon aan een vermoeidheidsziekte leed en dat deze steeds erger was geworden. Vandaar dat er een grote achterstand was. Ik vroeg hoeveel manuscripten er voor mij waren. Ze weigerden te antwoorden. Ik wilde dat alleen maar weten zodat ik enigszins kon bepalen hoelang de wachttijd zou zijn. Ze weigerden me een getal te geven. Het was me niet duidelijk waarom.

In november kwam er een nieuwe eigenaar. Niet veel later een nieuwe hoofdredacteur. Ik kreeg een brief van de oude uitgever dat alles goed zou gaan. Ze zouden mijn manuscript publiceren. Daar was geen twijfel over. Of ik vanaf nu voor contact bij de nieuwe man aan wilde kloppen. Ik voelde me terechtgewezen voor iets waar ik geen schuld aan had. Zij waren het die slecht communiceerden. Ik moest de hele tijd overal achteraan rennen. In ieder geval gebeurde er iets.

Er was een bijeenkomst in het zuiden van het land om de nieuwe uitgever voor te stellen. Ik kon niet omdat ik moest werken en nauwelijks geld had om de reis te ondernemen. Dat was geen probleem, hadden ze me bericht. We zouden op een plek en tijd die beide goed uitkwam een ontmoeting regelen. Ik had met de nieuwe secretaresse twee mails uitgewisseld. Direct met ze telefoneren ging niet.

In december heb ik in niet mis te verstane woorden duidelijk gemaakt dat deze gebrekkige communicatie niet bevorderlijk was. Ik heb zelfs gemeld ondertussen naar een andere uitgeverij te gaan zoeken. Dat was helaas bluf. Een poging om hun aandacht te krijgen. Blijkbaar dachten ze dat ook of het kon ze niks schelen dat ik zoiets deed. Geen antwoord.

Ik nam via Facebook contact op met hun oude secretaresse. Zij stuurde deze behoorlijk boze en wanhopige mail door naar het nieuwe bestuur. Een paar dagen later, in het midden van december 2011, kreeg ik een mail gericht aan blijkbaar alle betrokken schrijvers. De nieuwe redacteur had honderd en nog wat manuscripten aangetroffen waarvan zo’n 45 met contract. Ze zouden alles moeten doorlezen en op basis daarvan gingen ze twaalf manuscripten in 2012 uitgeven.

Twaalf. Ik werd niet genoemd noch kreeg ik een direct mail. Mijn contract was in maart 2011 getekend en zal 18 maanden geldig zijn. Dat maakt dat ze me dit jaar moeten uitgeven anders verloopt het contract. Zij hebben het recht in verband met bijzondere redenen het contract schriftelijk voor zes maanden te verlengen.

Begin januari kreeg ik een mail van een andere auteur bij de uitgeverij. Hij wist ook niet wat er aan de hand was en vroeg of ik hem kon inlichten. Later meldde hij me dat een andere schrijver had afgehaakt. We kregen beide zo’n soort gevoel. Ik heb de indruk dat ze wachten tot we weggaan en er een handelbare hoeveelheid manuscripten overblijft. Ik besef dat dit op internet schrijven met zoveel openheid mij niet zal innemen voor de nieuwe uitgever, maar dat ligt niet geheel aan mij, dat begrijpt u misschien uit het voorgaande. Het is tijd om weer vrij adem te halen.

Waarom een uitgeverij?

Ergens onderweg naar dit laatst genoemde moment zei een vriend eens dat ik niet moeilijk moest doen en het gewoon zelf uitgeven. Tenslotte is dat tegenwoordig zo makkelijk. Die vriend was natuurlijk niet de enige. Iedereen had blijkbaar al het virusje van selfpublishing opgedaan zonder er echt over na te denken. Tuurlijk, geef het zelf uit, geen gedoe! Dan heb ik alles in de hand, hoef niet te luisteren naar die vervelende redacteuren en weet ik wanneer en dat het uitkomt. Bovendien kan ik alles zelf vormgeven.

Tja, was het maar zo makkelijk. Toen de Coleridge en Wordsworth zichzelf in de 18de eeuw publiceerden was er geen internet en toch kregen ze succes met dat eerste bundeltje. Er waren dan ook nauwelijks echte uitgeverijen. Bovendien zat de literaire wereld heel anders in elkaar, net als dat er verder geen andere media waren. Geen internet, geen tv, geen radio, niks van dat al! Als je een boek uitgaf moest het wel gek lopen wilde je niet opvallen. Als je nu een boek uitgeeft is er nog zo veel concurrentie van anderen. niet alleen van andere aandachtslurpende media, maar ook nog eens van ieder ander die ook denkt een schrijver te zijn. Waarschijnlijk zijn er nooit in de geschiedenis van de mensheid zo veel mensen geweest die denken dat ze de moeite waard van het publiceren zijn. Daar hoor ik natuurlijk ook bij. Het is als een oceaan waar mijn boek een druppel in zou zijn.

Ik verbeeld me dat mijn roman de moeite waard is voor een groter publiek en niet alleen voor een paar vrienden. Vandaar dat ik het eigenlijk het liefst bij een echte uitgeverij onderbreng. Bij mensen die weten hoe ze potentiële lezers moeten bereiken. Mensen die ook kunnen helpen van een manuscript het beste te maken dat er mogelijk is. Selfpublishing klinkt leuk, als je het alleen voor vrienden wilt doen en verder geen eisen hebt. Het is vooralsnog bijna onmogelijk een boek onder de aandacht te brengen zonder een uitgekiende campagne. Moet ik dat zelf doen of moet ik werken aan het volgende boek en hopen dat er mensen zijn die het voor mij willen doen?

Bovendien is er bijna niets heerlijker dan de waardering van professionelen voor je eigen werk. Het enige dat dit enigszins overstijgt is de waardering van lezers voor je eigen werk. Alleen met de lezer kan je nauwelijks samenwerken om een beter kunstwerk te maken en met een redacteur wel.

Waarom dit boek?

Als student leraar tekenen kwam ik al vaak in coffeeshops en beïnvloed door mijn favoriete schrijvers van dat moment, William Burroughs en Henry Miller, was ik op zoek naar een Verhaal om te vertellen. Reeds had ik menig avontuur met alcohol, muziek en drugs beleefd, maar niks had een Groot Verhaal opgeleverd. Tenminste, niet zover ik kon zien. En, zoals het heet, noblesse oblige. Als je voorgangers en inspiratiebronnen zulk grote aspiraties in hun boeken verwerkten kon ik toch niet achterblijven? Al snel had ik het gevoel in deze coffeeshop een Groot Verhaal te vinden. Ik liet mij meeslepen door de stroming van gebeurtenissen om er als door een mallemolen uitgespuugd te worden. Het was niet lang voor ook mijn school was afgelopen. Ik heb daarna een jaar of wat gezwalkt. Wat te doen na zo’n avontuur? Het is lastig om van de high naar de low te gaan. Deze toestand bleef een tijd zo tot ik met twee vrienden aan het water bij Durgerdam zat en ze vroeg wat ze zouden doen als ze nog een jaar te leven hadden. Een beetje morbide, maar goed, zulke vragen kunnen wel eens interessante antwoorden opleveren. Ik werd nog het meest verrast door mijn eigen antwoord: dat ene boek schrijven. Dit was in 1998. Ik begon een maand later. Het was de eerste keer dat ik zoiets groots aanpakte.

Is het voldoende om een boek zoals anderen te schrijven? Misschien, maar ik trad in de voetsporen van grote beeldenstormers en zou mijzelf en hun tekort doen als ik niet een eigen beeldenstorm ontketende. Of dat gelukt is blijft natuurlijk de vraag. Uiteindelijk schreef ik ook maar een boek als zoveel anderen. Ik getuig ervan dat ik ernaar streefde een unieke en eigen roman te schrijven. Het is ook nog eens mijn eerste roman. Ik heb dat ding vier of vijf keer herschreven en tussendoor naar meerdere uitgeverijen gestuurd in de veronderstelling dat het goed genoeg was. Uiteindelijk, mede geïnspireerd door Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, waaraan ik zag dat zulke on-Nederlandse boeken ook echt hier uitgegeven konden worden, heb ik het nog eenmaal herschreven. Ditmaal fundamenteel. Alles ingekort, opgestapeld, helder. Hoe dat verhaal dan ook helder kon worden verteld.

De avonturen in de coffeeshop hebben grotendeels een autobiografische achtergrond, maar alles eraan is gegoten in een nieuw en strak harnas waarbij de hoofdrol eerder wordt gespeeld door de coffeeshop dan door Rombout Harts, de zogenaamde protagonist. Werkelijkheid en fantasie gaan in het boek een strijd aan omdat het leven van een mens zozeer een mengsel is van werkelijkheid en fantasie. Met de fantasie kan ik dingen meer in de breedte vertellen dan alleen door het afbeelden van wat er is gebeurd. Door gebruik te maken van de werkelijkheid heeft de fantasie stevige schoenen om in te staan. Hoewel het uiteindelijk een vertelling over een deel van mijn leven is geworden, is het nog meer een kijkje in het recente verleden van voor de millenniumwisseling, waarin wordt gespeculeerd over allerlei obscure filosofisch-wetenschappelijke ideeën over wat een mens is of kan zijn. Het beschrijft een typisch Nederlands fenomeen dat hier ook nog eens heel erg Amsterdams is. Als de coffeeshop verdwenen is getuigt dit boek in detail van die tijd.

Ik hoop dat Aan traagheid ontkomen alsnog bij deze kleine uitgeverij in het zuiden van het land geplaatst kan worden, maar ga ondertussen op zoek naar anderen. Ik heb het laatste jaar gewerkt aan een nieuwe roman en hoop die binnenkort af te ronden. Weer een nieuw project om rond te sturen! Op naar de toekomst, zullen we maar zeggen.



De kleine uitgeverij in het zuiden van het land
illustratie M. Ozymantra

donderdag 16 februari 2012

De wonderlijke avonturen van Alfred de kat - 5

Het verhaal van Alfred de kat is niet een doorsnee vertelling waarin we allerlei menselijke gevoelens en eigenschappen aan dieren toekennen om zo iets over onszelf te zeggen. Het is een poging te kijken vanuit het perspectief van een dier dat misschien wel zo vreemd aan ons is als onze blik aan die van een buitenaards wezen. Overigens net als dat het perspectief van een kat zo vreemd is aan dat van een specifieke vogelsoort als de kraai. Als uitgangspunt neem ik wetenschappelijk onderzoek, eigen en andermans observatie. Het totale vermijden van menselijke interpretatie zal natuurlijk onmogelijk zijn. Al was het maar dat een dier niet in woorden denkt en onze woorden tegelijk ontoereikend als te betekenisvol zullen zijn. Een zekere mate van romantische interpretatie is dan ook niet te ontgaan. Niettemin staat het zo ver af van de normale knuffelverhalen dat het menigeen kan afschrikken. Natuurlijk zal ook in dit verhaal veel worden verteld over ons menselijk bestaan, maar dan door de lens van de aliens waarmee we samenleven.


Hij stopte met zijn besluiping van de kaas toen mensenstemmen van binnen klonken. Voetstappen. Ze kwamen dichterbij. Ze kwamen van boven. Hij kon elk geluidje volgen en wist dat de kaas voor altijd buiten bereik zou raken. De mensen, een mannetje en vrouwtje ruikend naar seks, liepen pratend de zitkamer binnen. Hij kon ze enigszins volgen, want was een paar woorden van hun taal meester, maar het interesseerde hem niet. Die kaas! Het lag daar te wachten, een belofte voor zijn vechten en nu raakte het langzaam uit zicht. Toch proberen? Al na één stapje kwam het vrouwtjesmens nader. Hij vluchtte. De deur ging dicht. De geur was ontworteld.

Het was niet dat Alfred lang ging kniezen. Sterker nog, kniezen bestond niet in zijn vocabulaire. Dat was dan weer prettig aan leven in het heden zoals al zijn mededieren graag deden. Soms had hij een herinnering, zoals aan de gedode duif en de operatie, maar die bestond in een tijdloos universum. Het waren schilderijen aan de binnenkant van zijn kopje. Ze hingen daar en hij kon kijken of niet, maar ze waren altijd daar, met dode nagels vastgeklonken. Emoties gestold in abstracte vormen van kleuren en geuren. Beeld bestond nauwelijks. Aan een beeld kon hij geen van zijn verlangens hangen. Zelfs andere katten zou hij niet kunnen onderscheiden aan de hand van foto’s.

Peter de kat zat op het houten hek, een meter of twee boven hem. er was  even sprake geweest van een aanstaand gevecht. Dat was bij gratie van de geopende deuren. Die realiteit waarin Peter en Alfred als concurrenten samenvielen was nu als een ander tijdvak in een geschiedenisboek. Een nieuw hoofdstuk was opengeslagen waarin de zon achter de wolken verborg en Alfred weer interesse kreeg in Jules en Lules de eksters. Ook Peter voelde zich aangetrokken, maar werd al snel afgeleid door de aanwezigheid van Druusa twee tuinen verder. Hij wist het nog niet, maar zij wachtte op hem om de schaamte van het verloren gevecht met Alfred te wreken. Peter zou verliezen. Alfred rende op tiptoptenen naar de eksterboom, vlakbij de aasboom.



50 x 65
inkt en kleurpotlood op papier
M.Ozymantra

donderdag 2 februari 2012

Oud en nieuw samen

Waar het in het kort op neerkomt: voeg de lagere school en het bejaardentehuis bij elkaar. Niet in één en hetzelfde gebouw natuurlijk. Maar een bejaardentehuis direct grenzend aan het schoolplein, zodat beide veel met elkaar in contact kunnen komen. Ik zou zelfs willen zeggen: gedwongen worden met elkaar in contact te komen. Het lijkt mij dat beide leeftijdsgroepen ervan kunnen profiteren. Misschien is het economisch ook een winst, maar daar weet ik niet veel van.

Eén van de vreselijkste dingen van de moderne maatschappij vind ik hoe we onze oude van dagen wegstoppen in tehuizen. Mensen die hun hele leven met beide benen in de maatschappij hebben gestaan en wezenlijk hebben bijgedragen worden als het ware onder het tapijt gemoffeld. Natuurlijk kunnen ze daar goed verzorging krijgen en is het voor moderne gezinnen vaak ondoenlijk ook voor een ouder lid te zorgen zoals vroeger vaak gebeurde. Of zoals in sommige meer zuidelijke culturen nog steeds. Maar wat opvalt is dat iemand die zich eigenlijk best aardig te been hield in een bejaardentehuis in no time veroordeeld wordt tot dezelfde suffigheid als de anderen. Niemand wordt zo snel oud als in een bejaardentehuis. Dat is ook niet zo vreemd. Je wordt gestimuleerd tot denken, actie en noem maar op door contact met de jeugd. Degene die ouder zijn dan jij kunnen bijdragen aan je evenwichtig opgroeien waardoor je een aantal valkuilen beter benadert of zelfs geheel omzeilt. Hier dus de winst die beide generaties maken. De jongere leert van de ervaring van ouderen en de oudere wordt gestimuleerd zo lang mogelijk helder en erbij te blijven. Bovendien komt de middengeneratie, de ouders van de kinderen die in zekere zin de kinderen van de bejaarden zijn, ook plotseling vaker over de vloer. Zo kunnen we de verschillen tussen de generaties enigszins gelijktrekken en beter zorg dragen voor een goede overdracht van kennis en ervaring alsook een leefbare omgeving voor zij die ons snel zullen verlaten.

Natuurlijk zal er zorg gedragen moeten worden voor misbruik waar beide kanten best een handje in kunnen hebben. Kinderen kunnen makkelijk gebruik maken van de zwakte van bejaarden en vice versa. Bovendien kunnen bejaarden nou eenmaal niet zo energiek worden, anders gebeuren er vervelende ongelukken. Niettemin lijkt mij dit niet een onoverkomelijk bezwaar.

Een vriend van me stelde voor er ook een kattenasiel op aan te sluiten. Dan hebben die beestjes meer aandacht en zorg, worden de kinderen vroeg met dieren geconfronteerd en hebben de bejaarden wat om te aaien. Ik weet het niet zeker, maar het is vast iets om eens uit te proberen. Overigens, mocht u mijn voorstel voor een samensmelting van bejaardentehuis en lager school een warm hart toedragen, deel deze blog vooral met anderen. Wie weet is er een politieke partij voor te interesseren.




Oeps!!
illustratie M. Ozymantra