donderdag 26 januari 2012

Nirvana in Parijs

Omdat Maarten een vriend van me was en bovendien in dezelfde klas zat gaf ik nooit echt toe enigszins verliefd op hem te zijn. Misschien is verliefd wel een te groot woord. Aangetrokken, ja, dat heeft een betere klank. Dat ik enkel op meisjes wilde vallen speelde misschien mee in de ontkenning. Dat ik overigens maar geen meisje kon krijgen ook wel. Misschien was ik daardoor tragisch onzeker over mijn seksualiteit.

Onze klas was een paar dagen in Parijs en die dag in het Musee D’Orsay. We hadden genoten. Althans, Maarten en ik hadden genoten. Ik weet nog dat een aantal meiden het alleen maar over televisie hadden, dat twee andere vrienden de hele tijd in het café zaten en dat een ander boven bij de beelden foto’s van de stad maakte. Wat de rest deed wist ik niet.

Toen we klaar waren met het avondeten, in een restaurantje niet ver van het hotel waar de mandjes donkere wijn aan een balustrade vol tafeltjes hingen en Parijzenaren in witte overhemden en plooiende rokjes druk oreerden, gingen mijn vriend en ik niet met de klas terug naar de hotelkamers. We ontsnapten en kochten een fles wijn in het winkeltje tegenover het hotel. De verkoper werd bijna bedolven door plastic flesjes mineraalwater in allerlei smaken, zelfs in perzik, en door kranten vol van die exotische taal waar ik nauwelijks een woord van sprak. Maarten had Frans geleerd dankzij Comte de Lautréamont en Rimbaud. Er zat een fascinerende wrat aan de zijkant van zijn neusbrug van de verkoper waar een pluk haar uit stak. Ik gruwde van oneffenheden op huid en vroeg me af waarom hij deze liet zitten. Elk wratje en wondje, elke bobbel en onregelmatigheid op mijn lichaam, krabde ik tot deze weg was, een subtiel litteken achterlatend.

We hadden geen kurkentrekker en moesten de kurk de fles indrukken. Dat ging niet makkelijk. Maar dit was Parijs en in Parijs dronk men wijn. Bittere, zware wijn. Met de drank gewikkeld in een supermarkttas liepen we door de stad.

We waren als twee heldere lichten in de nacht, helderder dan alarmpijlen, geelwit brandend van het kunnen en het moeten, geen oog voor de rest, geen oor voor een ander dan de ander. We praatten. Over kunst. Over leven. Over het doel van kunst in het leven, in ons leven. Hij droeg een overhemd van zacht linnen, geruit als een Schotse kilt, in oker, groen en oranje. Ik droeg een zwart shirt en kaki corduroy broek. Onze gympen schoven geluidloos over de tegels van de Franse hoofdstad. Ik weet het, we hadden het over andere dingen moeten hebben. Vrouwen, auto’s of voetbal. Geld! Actie! Sport! Zoals gezonde mannen betaamt. Maar dat hield ons niet bezig. Nou ja, vrouwen natuurlijk wel, maar we waren nog steeds niet in staat een meisje aan ons te binden. In plaats van dat we ons daarvoor schaamden praatten we over de mislukte lang gekoesterde stille liefde en hoe dit koesteren ons uiteindelijk ten goede zou komen. We droomden, maar niet over iets dat we dachten te kunnen bereiken.
‘Het geeft ook eigenlijk zo weinig,’ zei ik. ‘Uiteindelijk stopt alles met draaien, zelfs de aarde.’ Maarten knikte bedachtzaam en keek om zich heen, naar de etalageruiten waarin onze lichamen werden gespiegeld.
‘Misschien moet ik het haar zeggen, vind je niet? Ik weet het niet,’ zei hij.
‘Zou het zo vreselijk zijn om te zien hoe de zon opzwelt en de aarde opvreet? Een rozerode bal aan de horizon die alsmaar groter wordt en de dagen steeds verder oprekt.’ Ik keek hem aan, maar hij keek voor zich uit. ‘Ik weet het niet….’ Ik keek omhoog en zwijmelde van het idee. Niets zou zo geweldig zijn… Waarom moesten we doodgaan en de kans op dat uitzicht missen?

Ik viel niet op hem omdat hij zo knap was, maar omdat hij zo ontspannen bewoog en soms plotseling iets floot, iets klassieks dat ik niet herkende. Soms begon hij zomaar te zingen. Iets van Neil Young of The Byrds. Zijn ziel was nauwelijks door de hunkering naar liefde aangetast.
‘Niks is ooit voor niks, Peter. Alles heeft een reden, ik weet het zeker.’ Ik knikte ja, maar huilde van binnen. Ik was zo bang dat hij gelijk had.

*

We wisten niet waar we waren toen de rennende mensen ons passeerden. Rechts voor ons lag een park. De weg was breed en ik kon niet goed uitmaken hoe het verkeer hoorde te gaan. Veel taxi’s, maar geen stopte er voor ons. Niet dat we daar om vroegen. Links was een metro met boven de ingang een krullende bronzen plantvorm en het woord Metropolitan. Ik wilde eigenlijk even stil staan om dit stukje authentiek Parijs dat we zo goed van onze boeken kenden in mij op te nemen, maar hij lette niet op. Hij keek naar de mensen en ik keek maar mee. We wandelden en keken naar de rennende mensen die bijna allemaal van Algerijnse of in ieder geval Noord-Afrikaanse afkomst waren. Gekleed in shirtjes met felle reclameboodschappen schreeuwden ze uit woede, maar ik kon de wanhoop horen. Ze waren ook maar alleen op deze wereld, zei ik tegen Maarten.
‘Ja, ze zijn bang voor het onbekende en weten geen andere manier dan geweld om ermee om te gaan.’ Ik riep geestdriftig ja ja ja! Maarten begreep mij! Het was zo’n plezier dat juist hij mij begreep!
‘Precies, ja, ze kunnen niet anders! Als ze maar even een stapje terug zouden nemen, als ze even zouden stoppen met rennen, dan zouden ze de angst in hun ogen herkennen.’
‘Ja! Alles dat ze nodig hebben is iemand die tussen hen in gaat staan, iemand die ze afleidt en een alternatief biedt. Het is stom om elkaar zo te haten.’
‘Wandelen is veel beter voor een rustige blik op de wereld.’ We kuierden verder. De jongeren om ons heen gilden het uit, maar het was niet te horen of het in Frans of Arabisch was. Op zulke momenten versmelten alle talen tot een enkele kreet. Wij waren ook opgewonden, maar dan van ons gelijk hebben, van ons elkaar herkennen. Wij zagen hier geen vijanden.

Ik wilde hem niet als vriendje. Stel je voor dat ik ook homo zou zijn. Zo saai. Iedereen was tegenwoordig homo. Ik wist niet wat het betekende om man te zijn, dus om van mannen te houden was een goede invulling van dat gevoel. Maar ik wilde hem aanraken. Ik wilde hem omhelzen en was daar niet voor uitgerust. Mijn opvoeding had de stap naar intimiteit gemist. Mijn ouders hadden me zover ik kon herinneren nooit omhelst.

Maarten wist het zeker, we hoefden ons enkel tussen hen in te plaatsen. Maarten straalde helemaal van de mogelijkheid om vrede te stichten en vuurde mij aan plaats te nemen tussen de vechtende partijen. Ik volgde gehoorzaam, vervuld van een zelden gevoeld optimisme. Natuurlijk gaat de wereld ten onder, maar laten we alsjeblieft in vrede leven. Dat was toch het enige wat we nodig hadden? De wilde mannen om ons heen trokken zich er niks van aan. Natuurlijk niet, dacht ik even en bestrafte me omdat ik hiermee ongeloof in ons gedeelde weten erkende. De wilde mannen waren intiem met elkaar als maden met de dood. Ze weken uiteen voor ons als golven voor een pier om achter ons weer tegen elkaar te klappen. Wonderwel werden wij niet in het geschreeuw betrokken. Het was alsof we gehuld waren in een onzichtbaar krachtveld.

Ze veranderden van richting. Althans, ze liepen niet meer in de richting die wij namen. Niet dat wij echt ergens naartoe gingen. Het was een dronken wandelen op zoek naar de goden van genot & avontuur. Het was een volgen van de woorden die dribbelden langs de palen van verstand & gevoel.

Plotseling was er nog maar één schreeuw te horen en die trok heel andere mensen aan dan zij die renden. Sterker, de ruziënde jongeren schoten allemaal een andere kant op, als kringen water die ontsnapten aan een steen. Wij gingen naar waar de steen was neergekomen, zij het dat ons praten gewoon doorging. Het praten van de daar verzamelde Fransen draaide als een kolkend geraas in staccato alarmfase.
‘Ik kan het me maar moeilijk voorstellen dat mensen zo zijn,’ zei Maarten.
‘Ja, als je ziet hoeveel we hebben, hoeveel kansen iedereen heeft, dan is het toch moeilijk te begrijpen.’
‘Kijk hier bijvoorbeeld,’ en we keken allebei, zonder werkelijk te zien.

Ik weet dat ik enkel voor mezelf kan spreken, maar ik geloof dat we niet goed begrepen wat er daar was gebeurd. Het moment dat we het wit van het vlees zagen met daarop het bloed als een kruipende kreeft in traag kokend water trok ik bleek weg. Het duizelde me. Het voelde alsof ik op het puntje van een hoge toren stond. Zo’n prachtig geornamenteerde Gotische kerktoren prangend in de hemel als een gil om God. Op maar één been, zelfs maar op de puntjes van mijn tenen als een balletdanser die met de engelen van de zwaartekracht een stuk uitvoerde. De kennis van wat daar was gebeurd sloeg met kracht toe. Een diepzeebom die mijn brein uit elkaar deed spatten en de binnenkant van mijn schedel bevuilde. Maar ik praatte door, ik bleef terloops en hij ook. Een gevoelig mens als Maarten zou eigenlijk niet blootgesteld moeten worden aan zo’n uitzicht. Ik voelde de behoefte als een oudere broer om hem te beschermen. Misschien was dat de reden van ons doorpraten. We weefden een schild van woorden en begrippen tegen de buitenwereld die we nauwelijks begrepen. Een krachtveld tegen de geesten van verval.
‘Oh, shit man, shit,’ zei hij, ‘zie je dat?’ Ik wilde niet dat hij het zag, maar ook niet de enige zijn met die herinnering. Ik moest hem beschermen, maar wilde iets hebben om over te praten. Tussen die jongens hadden wij gestaan! Maar ik zei dit niet tegen hem. Ik dacht altijd dat ik de dood beter kende dan hij, want mijn vader was aan kanker overleden en ik had nog enkel mijn oma’s. Later begreep ik dat zijn ziekte hem de dood te zeer had doen bevrienden.

De uitroepen van verwondering, afgrijzen en paniek in de vreemde taal, zo melodieus of het nou om politiek, liefde of aardappelen ging, gingen allemaal aan me voorbij. Maarten vroeg één van hen wat er was gebeurd, maar ik wist het antwoord. We hadden niet goed opgelet. We gingen wel tussen hen staan, maar waren achteloos. De hele wereld was achteloos. We hadden het kunnen voorkomen, maar omdat we zo met onszelf bezig waren zagen we het niet. Het mes lag iets verderop bij een putdeksel. Ik gruwde ervan en raapte het op. Niemand hoefde dit metaal nog te zien. Ik zou het bewaren als gedenkteken aan onze achteloosheid.

*

We zaten bij Fontaine des Innocents op steen dat een ronding vormde en bankjes. Overal lagen uitgetrapte en weggeschoten sigarettenpeuken. Bekertjes waren verplettert in de hoek gemoffeld, in felle kleuren schreeuwend om aandacht. Naast een vuilnisbak lag een week geworden zak met aangevreten patat en klodders glanzende mayonaise. De fontein klaterde van water dat door machines werd opgepompt en afgevoerd, telkens pogende de wolken te bereiken. Maarten vond het vreselijk.
‘In een stad kan toch niemand rust vinden,’ vroeg Maarten. Hij kwam uit een van die kleine dorpen rond het IJselmeer, waar het altijd zonnig was en de vlucht van wolken de meest spectaculaire gebeurtenis vormden. Daar lagen dorpjes waar men de fiets van het slot kon laten als men naar de bakker ging. Dorpjes waar vrouwen in lange rokken liepen en mannen opkeken van de witte huid daaronder. Dorpjes die elk jaar een kermis organiseerden welke onvermijdelijk tot vechtpartijen leidde tussen de jeugd van de verschillende dorpjes, maar waar men de rest van het jaar geen problemen mee had. Dorpjes waar de jeugd coke snoof om de verveling te verdrijven. Problemen, dat was iets van de grote stad. Hoelang Maarten ook op een school in de stad zou zitten, die dorpjes zouden zijn ziel nooit meer verlaten. Ik kwam uit een buitenwijk en voelde me hier helemaal thuis.
‘Je kan de stad ook zien als een grote vieze baarmoeder die veiligheid geeft,’ zei ik, ‘en ons verzorgt. Er is hier weinig ruimte voor de grote machten van het weer en de chaos. Dit is de mensenwereld.’

Ik had nog wat wiet over, maar geen vloeipapier. Eerder op de avond had een Parijzenaar ons een sigaret gegeven. Zo ging dat in deze stad. Als iemand je vroeg om een sigaret en je had deze dan gaf je die. Een echte rokersstad. Ik vond roken vies en Maarten ook, maar drugs zoals wiet en hasj vonden we lekker en bovendien noodzakelijk. Zonder drugs voelden we ons geen kunstenaars. Zonder drugs waren we net als de rest van onze klasgenoten: heel vlijtig op weg naar een nuttig bestaan als vormgever of zoiets. We wilden de hele wereld, niet maar een stukje. Als je geen vloeipapier had werd het maken van een joint lastig, maar niet onmogelijk. Ik wreef de sigaret tussen mijn vingers tot alle tabak en de filter eruit waren. Daarna voegde ik een zelfgemaakte filter in van een kartonnetje gescheurd van een sigarettendoosje. Ik korrelde de wiet, mengde deze met de tabak en deed alles terug in de sigaret. Het leek zo net op alle andere sigaretten. Terwijl ik dit deed praatten we natuurlijk gewoon door. Rollen was niet iets waar ik erg op hoefde te concentreren.

Maartens lippen waren donker van de wijn. Ik voelde mijn droge lippen. Hoe zou het zijn om een man te kussen?
‘Als we op zo verder gaan met onze kunst kunnen we misschien iets waardevols voor de wereld betekenen,’ zei hij. Maarten was vol hoop over de positieve kracht van kunst. Hij had het in werking gezien bij zijn voorbeelden Rimbaud en Baudelaire die hele volksstammen op het juiste spoor hadden gezet. Hij las Benjamin en Nietsche en was ervan overtuigd dat onze nieuwe wereld een nieuwe ziel nodig had. Hoewel hij een afschuw had van al het moderne vond hij dat dit moderne een nieuwe inspiratie nodig had, telkens weer en dat elke generatie kunstenaars haar steentje daaraan kon, nee, moest bijdragen. Samenwerken, zoals de Cobra-groep had gedaan, dat was zijn ideaal. Hij wilde een nieuwe stroming van bevriende kunstenaars om het ideaal uit te dragen. Ik wilde ergens bijhoren.
‘Maar voordat de mensen naar ons luisteren moeten we iets bijzonders maken, Maarten, ik weet niet of ik dat kan.’ Ik stond op met de ‘geladen’ sigaret in de hand. ‘Ik weet ondertussen dat ik graag in plexiglas zou werken, maar wat wil ik vertellen? Het spul is zo mooi, ik zou er een blok van in het museum willen zetten, gewoon zo, ongepolijst, met misschien de sporen van een zaag erin. Ik weet het niet.’
‘Stop er dan iets in! Een pamflet, een tampon, voedselbonnen uit de Tweede Wereldoorlog! Het is zo makkelijk ergens betekenis aan te geven…’
‘Ja, maar ik weet niet of ik wel iets te zeggen heb. Misschien wel niks.’
‘Oh, dat geloof ik niet, nee! En al onze gesprekken dan?’
‘Ik weet het niet…’

Zonder dat we het echt merkten dat hij naderde stond er een man met smoezelige regenjas naast mij. Hij sprak ons in Frans aan dat zelfs voor Maarten te snel was, of misschien sprak hij een dialect. We reageerden aarzelend in het Engels. Zijn lange haar krulde vettig tegen de nek. Hij deed me denken aan een zwerver die ik vaak in Amsterdam had gezien.
‘Heb je een sigaretje voor mij,’ vroeg hij, nu in korzelig gebroken Engels.
‘Nee, sorry.’ De wijn dwaalde nog door mijn bloedstroom.
‘Wat, wil je me geen sigaret geven?’ Hij stapte vervaarlijk dicht tegen me aan. Maarten stapte ook nader.
‘We hebben echt geen sigaretten voor je,’ riep hij. De man pakte me bij mijn shirt en staarde woedend.
‘Als je me geen sigaret geeft dan…’ Ik volgde zijn ogen, die snel naar beneden flitsten, naar de bobbel in zijn jaszak waar hij zijn hand had. Was dat een pistool? Ik reikte naar het mes. Ik was absoluut niet van plan onze laatste sigaret met daarin onze laatste wiet af te geven. We stonden heel dicht bij elkaar. Zo dicht dat ik zijn zweet kon ruiken. Misschien moest ik hem teder aanraken. Mijn hand sloot om het mes.
‘Geef me een sigaret!’
‘Maar die hebben we van iemand anders gekregen,’ riep Maarten. De man keek hem scherp aan. Hij likte de lippen en liet me los.
‘Oh, sorry.’ Hij nam afstand, gebruikte twee handen om mijn shirt weer recht te trekken en groette vriendelijk bij het weggaan. De ‘Au revoir’ begreep ik nog wel. Ik keek Maarten verbaasd aan. Hij grinnikte.
‘Ga je die nog aansteken?’
‘Ik was echt niet van plan onze joint aan hem te geven, man! Zag je wat hij in zijn zak had?’ Dat had Maarten niet gezien en toen ik het vertelde schrok hij toch een beetje. We moesten hard lachen.

*

Als ik het uitzicht op Parijs vanaf de Montmartre moet beschrijven aan iemand die het nooit heeft gezien, een uitzicht bij nacht wel te verstaan, dan vertel ik dat het is als een Perzisch tapijt van de fijnste duistere draden met miljoenen edelstenen van elke soort in vrolijke geometrische rijen. Geen pasja zou dit werkstuk kunnen betalen met alle rijkdom van Mekka en Kaboel tezamen.
Achter ons stond de basiliek van de Sacré Coeur, een prachtige witte tempel voor De Ene God en daarachter lag de vuige buurt waar ons hotelletje tussen friettenten en hoerenkasten zat ingebed. We gingen hier elke avond naartoe, met of zonder klas, maar deze nacht waren we er wel heel laat. Over een uur zou de zon haar eerste stralen laten zien. Behalve wij waren er geen toeristen. Iedereen die er aanwezig was, een enkele Afrikaan en twee clochards, waren mensen die van deze bergheuvel hun thuis hadden gemaakt. Ik was zo moe dat ik met de clochards zou willen liggen, op een kartonnen doos, tussen de struiken of boven een metrorooster. Ik wilde tegen Maarten aanliggen en in slaap sukkelen, maar hij bleef praten en ik moest het toegeven dat ik eigenlijk ook niet wilde slapen. Het mes in mijn broekzak stak een beetje in mijn dij. De herinnering aan de dode Algerijn op straat stak in mijn brein.
‘Lucebert werkte in de oorlog aan zijn poëzie als een smid aan een zwaard. Hij bleef de woorden maar tegen elkaar slaan tot ze een lezer konden opensnijden. Vaak als een zwerver op een bankje, half ijlend van de honger. Natuurlijk had Rimbaud de profetische verdwazing al in de taal losgelaten en anderen na hem droegen ook hun steentje bij, maar Lucebert stond voor een hele nieuwe taak…’

Ik begreep poëzie niet. Ik dacht dat ik er misschien teveel over nadacht. Waarom zou je een paar vage zinnen onder elkaar op een pagina zetten als je het ook gewoon helder kon uitschrijven? Ik begreep poëzie niet. Woorden die stapelen en betekenissen zouden toelaten die anders niet mogelijk waren. Ja, ik had gelezen over poëzie en ik luisterde graag naar Maarten, maar misschien was ik te visueel. Misschien praatte ik gewoon teveel en raakte zodoende de kracht van de woorden kwijt. Maar daar had hij geen last van. Ik probeerde aan te haken met iets dat ik wel begreep.
‘Je bedoelt dat het een beetje is zoals Lou Reed op een gegeven moment deed met zijn muziek deed?’
‘Ja, zoiets. Maar met muziek ... Klank laat zich horen, maar wordt nooit echt ... Beeld kan … en woorden … eigenlijk al abstract. Pas als je ze tegen elkaar zet gaan ze werken.’ Ik kon hem eigenlijk niet meer volgen. Van honger of vermoeidheid viel mijn hoofd dicht. Ik pakte een stokbrood en brak wat voor hem af. Waarom konden we hier niet gewoon arm in arm zitten, stil wachtend op de zonsopkomst? Ik was te moe om de kruimels van mijn broek te vegen. We hadden zelfs nog een stuk Edammer. De wereld moest dood.
‘We zouden eigenlijk nog een paar dagen hier moeten blijven,’ zei ik. ‘Dinsdag komt Nirvana in Parijs.’
‘Te gek,’ riep hij. ‘Jammer dat we morgen weg moeten.’
‘Verdomme, ik zou Cobain eens in het echt willen zien. Hij gaat hier door dezelfde straten lopen als wij hebben gedaan en ook Rimbaud. Die plek waar die gast is omgestoken. Misschien komt Cobain daar ook langs. De geschiedenis is een straat van bloed.’
‘Oh, prachtige zin!’ Ik schrok. Wat bedoelde hij? ‘De geschiedenis is een straat van bloed… geweldig. Wacht even, laat me die opschrijven.’ Hij pakte een boekje tevoorschijn. Ik had hem geraakt, maar niet met het scherp van een lemmet. Ik had hem geraakt met de klank van woorden. Het veroorzaakte een plezierige warmte. God, ik zou toch geen homo zijn?
‘Ik bedoel dat Rimbaud daar ook gelopen moet hebben en toen is er vast… Ik bedoel, er is vast geen plekje in Parijs waar niet iemand is overleden. En dat hoor ik in die teksten, in die gruizige schreeuw…’
‘Maar, weet je, die straat is de mensheid en dat bloed is ons bloed, ons hart, en daar vallen we allemaal in samen,’ zei hij
‘Toen ik hem voor het eerst hoorde was het als een openbaring. Dat mensen zo’n kabaal konden maken en toch zo diep mijn gevoel konden raken.’
‘Ja! En uiteindelijk stijgen we boven ons uit, maar alleen als we dat beseffen, als we ons daar voor open durven stellen!’
‘En daarom zou ik Nirvana graag zien,’ riep ik.
‘En dat is de manier om nirvana te bereiken,’ riep hij. Het duurde even voor we het door hadden. We keken elkaar verbaast aan. We proestten het uit. Ik legde het mes stiekem weg, een treetje hoger dan ons.

Een oranje waaier van licht ging de zon voor. Bussen en metro’s waren in de verte te horen. De stad werd langzaam wakker.
‘Shit, man, hadden we nog maar sigaretten... en wijn,’ zei ik.
‘Amen, Peter. Amen!’
‘Het zal vast niet lang duren voor de winkels open gaan.’
‘Ben je dan ook niet moe,’ vroeg Maarten.
‘Doodmoe, man, doodmoe.’ Ik keek hem aan en hij lachte terug. Zijn altijd guitige lachje. Dit was de hemel voor hem en eerlijk gezegd voelde dat voor mij ook zo. Zulke vermoeidheid, zulk verlangen naar een ander, naar drank, naar sigaretten, naar de wereldliefde, had mijn zintuigen op scherp gezet, had mijn geest in een nieuwe realiteit doen belanden. Ja, inderdaad, ik was moe, maar wat deed dat ertoe! Dit was het leven zoals onze helden hadden geleid. Dit waren de straten waar ze hadden gelopen! We giechelden.
‘Fuck dat,’ riep Maarten.
‘Yeah! Fuck dat, man!’ En ik zwaaide mijn vuist naar de opkomende zon. ‘Leven!’ Maarten begon een onherkenbaar deuntje te fluiten. Ik keek even om, en zag dat het mes al was verdwenen. Een man op versleten slippers verzamelde verderop lege blikjes en flessen in een grote tas.


Le Sacre Coeur a nuit
illustratie M. Ozymantra

woensdag 18 januari 2012

Nieuwjaarsstrijd

Ingekapseld door een dronken deken van trillend bloed
In elk haarvat gedrongen voelt het koud
Wereld buiten de huid herkenbaar in rillingen
langzaam opdringende twistzieke soldaten
Een laatste buiging voor koning winter
voor het lichaam in zichzelf gekeerd gaat slapen
Revolutie tegen alles dat cellen opgerekt houdt

Als de klok zeven slaat ontwaakt het vlees weer
zuigend tegen de schurende lucht
Diep ademen de cellen nieuwe ziel inblazend
Armen schuiven naar buiten, houwitsers in 1918
Oorlog nog net niet afgelopen tegen de granieten hemel
Het grafdeksel ruw omhoog geschoven maakt een heuvel
waar hij als staketsel de vijand weerstaat

Het leven valt hem zwaar tijdens het diner met de generaalsstaf
braaf de pionnen verplaatsend, terwijl zij veilig rokeren
Pas wanneer zijn handen aan de lonten mogen liggen
enkele vijanden van het nieuwe jaar mee mag slepen
gaat het bloed weer stromen en lopen de dames in de weg
van zijn elegante rupsbanden
Het is tijd champagne te gieten voor de overwinning

De loopgraven klokken vol en zij die kunnen zwemmen dansen
zij die het verleerd zijn zullen dienen als balletjes gehakt
in deze magische soep van afscheid nemen en plannen maken
Hij voelt hoe het lichaam furieus vecht om warmte
Hoe de koorts met bussen tegelijk weg rijdt
In de mistige ochtend wordt het jaar opnieuw aangeschaft
Het soldij van een aalmoezenier voldoet

Nieuwjaarsstrijd
illustratie M. Ozymantra

zondag 15 januari 2012

Kraai eens voor een vriend

Er wordt wat mij betreft te weinig over kraaien gesproken of geschreven. Ik durf zelfs te beweren dat er te weinig aandacht voor vogels in het algemeen is. Niet dat ik een vogelaar ben of zo, maar de diertjes zijn alomtegenwoordig en vormen afgezien van onze huisdieren de meest directe binding met de flora. Ze zijn de enige wilde dieren waar menig stadsmens mee in contact komt, al is het dan alleen omdat ze herrie maken en het vuil van de markt oppikken. Ja, die nieuwe allochtonen, de halsbandparkieten, daar is aandacht voor. Die kleine groene exoten die in hele pelotons van boom naar boom, van park naar park door Amsterdam vliegen. Maar ik weet niet eens of ze ook in andere steden zijn te vinden. Ze worden inderdaad wel eens genoemd, maar vooral als voorbeeld van wat de klimaatverandering ons land brengt.

Maar kraaien, beste mensen, behoren tot de intelligentste dieren van deze planeet! Natuurlijk weet iedereen van apen en dan vooral chimpansees en men zou zich zeker eens moeten verdiepen in dolfijnen en orka’s, want daar staan echt de meest waanzinnig coole filmpjes van op internet, maar dat zijn allen vreemdelingen die leven op een grote afstand. Het is niet alsof we ze dagelijks kunnen ontmoeten. Kraaien daarentegen wel en niet alleen hen, maar hun hele familie, de corvidae, bestaande uit raven, eksters, vlaamse gaaien, kauwtjes en nog een paar. Het zijn misschien niet de mooiste of meest exotische vogels, maar ze compenseren door hun intelligentie. Niet dat suf eruitzien voor elke vogel zo werkt, kijk eens naar de duif.

Je hoeft maar bij youtube deze twee woorden ‘intelligent crow’ te typen en je krijgt een hele serie van verbazingwekkende opnames en experimenten. Maar dit soort leuke dingen zijn voor mij een extraatje. Ik kijk naar de eigen ervaring en zie het daar al aan af. Vaak als ik door het park loop observeer ik de vogels. In een bepaalde hoek lijken ze zich allen te verzamelen. Ik ga daar staan en luister en kijk rustig. De dierenwereld heeft zijn eigen ritme. Ook stadsdieren. Het is fascinerend om te zien hoe de verschillende soorten langs elkaar en door elkaar leven. Niemand bemoeit zich echt met de ander. Alleen bij voedsel vergaren is er soms enige hommeles. Als ik luister naar de variatie in de communicatie valt de kraai al snel op. Ze hebben een zeer uitgebreid pallet van geluiden, waarvan ik alleen maar kan aannemen dat ze die voor elkaar gebruiken. Ik zag eens een kraai op een vuilnisbak luid, eh, kraaien en vroeg me af wat deze daar deed. Een chipsetende jongeman kwam langs die nogal morste. De kraai sprong niet op achter het gemorste aan, maar bleef zijn roep slaken. Plots kwamen er vijf van die zwarte joekels aan die zich vrolijk tegoed deden aan de chips. Ik had sterk het gevoel dat hier sprake was van samenwerking. Het kan mijn verbeelding zijn, jawel, maar toch… Kijk nog eens naar het hierboven genoemde filmpje en zeg me dat ik het allemaal heb verbeeld.

Kraai
Deze tekening is gemaakt als icoon voor de eigen website van de afdeling Korte Verhalen.

donderdag 12 januari 2012

Het argument van anderhalf miljoen

Er wordt tegenwoordig in dit land behoorlijk geschermd met democratische kiezersgetallen. ‘Door mij te beschimpen zet u wel anderhalf miljoenen weg!’ ‘Door hem af te serveren als een debiel zetten we wel anderhalf miljoen mensen weg.’ ‘Die anderhalf miljoen mensen hebben ook recht op vertegenwoordiging en een op hun toegesneden nieuwsvoering.’ Dat zijn de soort argumenten die we horen van de partij zelf, de politieke tegenstanders en de journalisten. Ja, want tenslotte staan die kiezers garant voor zo’n beetje 20 zetels in het parlement en dat is heel wat. Die moeten we niet in de kou laten staan! Dus als we kritiek hebben op hun Grote Blonde Leider dan berokkenen wij die mensen ook schade.

Nou weet ik om te beginnen niet waarom het uitmaakt dat we een segment van het kiesvee voor rotte vis verklaren. Tenslotte zal het niet de eerste keer zijn dat een PvdA-aanhanger de VVD verrot scheldt, of dat een CDA’er zich onheus uitlaat over een SP’er. Dat is het recht dat wij het volk hebben. Wij mogen zonder discriminatie de hele tegenstand afbranden. Columnisten zien zichzelf graag als vertegenwoordiging van een gedeelte van het volk en doen het afbranden dan ook wellustig. Is het dan vreemd dat een politicus zijnde volksvertegenwoordiger de handen uit de mouwen trekt en erop wijst dat de weledele tegenstrever van lotje getikt is? Mogelijkerwijs is het een goed idee dit in nette bewoordingen te doen. Al dat gescheld in het parlement zou al snel aan het oog onttrekken waar het echt om gaat. al dat gescheld wil nog wel eens verhullen dat het volk weer belazerd wordt of soms gewoonweg goed begeleid.

Natuurlijk hebben die anderhalf miljoen mensen recht op vertegenwoordiging, net als dat er zeker punten zijn waarop ze van mij gelijk krijgen. Maar om nu te zeggen dat alleen op basis van getal we aan hun argumenten een grotere waarde moeten hechten dan aan die van een miljoen, 500.000, 150 of zeventien is natuurlijk grote onzin. Als een miljard mensen zeggen dat je een val uit een vliegtuig zonder parachute prima kan overleven dan luister je ook niet. Als een heel volk van mening is dat een kleine groep daarbinnen als parasieten of verraders gebrandmerkt moeten worden, mag je ook aarzelen met instemmen. Uiteindelijk is het enige dat telt de zwaarte en juistheid van de argumenten, niet het aantal mensen dat erachter staat. Anders is het niet de bijl aan de democratie, maar aan de waarheid, de rechtvaardigheid en de menselijkheid. Je moet onzin gewoon onzin noemen al beweert anderhalf miljoen het tegendeel.


Het tegenargument
Illustratie M. Ozymantra

woensdag 11 januari 2012

De wonderlijke avonturen van Alfred de kat - 4

Het verhaal van Alfred de kat is niet een doorsnee vertelling waarin we allerlei menselijke gevoelens en eigenschappen aan dieren toekennen om zo iets over onszelf te zeggen. Het is een poging te kijken vanuit het perspectief van een dier dat misschien wel zo vreemd aan ons is als onze blik aan die van een buitenaards wezen. Overigens net als dat het perspectief van een kat zo vreemd is aan dat van een specifieke vogelsoort als de kraai. Als uitgangspunt neem ik wetenschappelijk onderzoek, eigen en andermans observatie. Het totale vermijden van menselijke interpretatie zal natuurlijk onmogelijk zijn. Al was het maar dat een dier niet in woorden denkt en onze woorden tegelijk ontoereikend als te betekenisvol zullen zijn. Een zekere mate van romantische interpretatie is dan ook niet te ontgaan. Niettemin staat het zo ver af van de normale knuffelverhalen dat het menigeen kan afschrikken. Natuurlijk zal ook in dit verhaal veel worden verteld over ons menselijk bestaan, maar dan door de lens van de aliens waarmee we samenleven.

Deel 4

Hij trok zijn kop samen met zijn rug in, zijn staart sloeg strak. Sissen en grommen, met de keel tegen het steen. Zij spiegelde zijn beweging. Ze gromden en de grom werd steeds hoger tot de grens was bereikt van wat kattelijk was uit te houden zonder de nagels uit te slaan.

Wat er volgde ging eigenlijk te snel voor mensenogen, maar Alfred had er geen probleem mee. Druusa ook niet. In hun wereld was snelheid niet te bepalen. Alles kwam voort uit noodzaak en alles was daarom ook nieuw en oud tegelijk. Natuurlijk hadden ze vaak genoeg gevochten, met anderen en met elkaar, maar hoe het gevecht verliep hing meer af van plaats, tijd en gesteldheid dan van snelheid. Ze waren zo snel als nodig.
Alfred was de eerste die besloot de aanwezigheid van de ander te accepteren. Dat had met dominantie te maken. Hij had voorrang en eigenlijk vond Druusa dit ook, maar niettemin moesten ze eerst deze dans van klauwen doen. De inschatting was al gemaakt. Hij had het aan haar gezien. Het was misschien de manier waarop ze haar staart hield, een klein schokje dat er door ging toen ze bij rand van de Stenen Woestijn was aangekomen. Of misschien was het haar geur. Ze was in een fase die dicht bij bronstigheid lag. De voor-brons. Alfred voelde de behoefte op haar rug te kruipen en zijn ding te doen, maar de kaas was overweldigend. De kaas was god van hun gedachten. Het zout en vet, de typische onbenoembare kaasgeur, dat alles hing over dit tafereel van hees sissen en grommen als een gele gelei.
Dit ging dus allemaal flitsend snel:

dansend als twee mensen op achterpoten
voorpoten uiteengeslagen vlindervleugels
ogen spleten de wereld vernauwde
bek vol bijten gereed
hoektanden haaks een sabeltandtijger
in ieder geval in verbeelding
waren ze de grootste strijders van de wereld
een welgemikte klauw in de zij
een half gemaakte beet in de nek
een tango van bloeddorst
waarbij geen bloed vloeide
geen liefde werd bedreven
de kaas was vergeten

Nou ja, tot Druusa weg was, Alfred zijn vechtreflexen weer onder controle had en de weldadige zoutvettekaasgeur hem weer overweldigde.


50 x 65
inkt en kleurpotlood op papier
M.Ozymantra

zondag 8 januari 2012

Afspraakallergie

Soms heb ik last van afspraakallergie, kent u dat? Het is een moeilijk gevoel om te beschrijven. Ik moet me als schrijver en schilder natuurlijk altijd enigszins afsluiten van andere mensen. Veel van wat ik doe vraagt tijd en rust. Hoe meer ik me verveel hoe waarschijnlijker het is dat bepaalde eh impulsen omhoog komen. Het is een soort van jeuken in mijn hoofd, wanneer de ideeën opeens binnen komen vallen. Om de jeuk te doen verdwijnen moet ik de ideeën uitwerken. Soms gaat daar een hoop ongemak en ergernis aan vooraf. Iets probeert naar buiten te komen, ik probeer te krabben, maar mijn nagels werken niet. Het is lastig om in je hoofd te krabben.

Ik houd echt veel van de omgang met mensen. Zowel met mijn vrienden als met vreemden. De eerste omdat ze me een gevoel van thuiszijn geven, van verbondenheid en vertrouwen. Met vrienden deel je al zo lang je leven dat alleen hun aanwezigheid rust en plezier geeft. Voor de rest is het uitdiepen van een relatie geweldig. Vreemden zijn ook plezierig. Het is interessant om nieuwe mensen te leren kennen of zelfs om ze alleen even te spreken. Je weet nooit wat je kan verwachten en dat maakt het soms boeiend. Ook als ze je teleurstellen. Maar vreemden die teleurstellen is geen probleem. Dat is natuurlijk te verwachten. Er zijn altijd verwachtingen en het komt weinig voor dat die worden ingelost. Ja, het mooiste is natuurlijk als we zonder verwachtingen kunnen leven. En een boom waar geld aan groeit zou ook zo gek niet zijn.

Naar werk moeten we allemaal, of naar school, ik weet niet precies hoe oud de mensen zijn die dit stukje lezen, dus aan die afspraak kan ik niet ontkomen. Werk is ook geen afspraak. Het is iets waar we geen vrijheid in hebben, maar vrijheid door krijgen. Tenzij we miljonair zijn. Hoe zou het met die boom zijn?

Afspraakallergie beïnvloedt veel. Soms zelfs alleen maar het bellen. Niet dat ik bellen leuk vind, maar als ik bel gaat dat meestal om een afspraak te maken en als ik last heb van afspraakallergie dan bel ik dus niet. Dan is er de minste kans om voor de keuze geplaatst te worden of ik een afspraak ga maken. Soms kan ik geen nee zeggen. De afgelopen feestweken was zo’n tijd dat ik geen nee kon zeggen. Ik wilde dat ook niet, maar achteraf was het toch iets teveel van het goede. Daarna moet ik even heel diep in mijzelf kruipen. Als een slak die kruipt in zijn huisje en binnenin dat huisje verder in zichzelf. Het klinkt nogal kluizenaarig, maar dat is het niet. Ik blijf deel van mijn gemeenschap vormen. Misschien is het ook wel de winter: tijd voor introspectie. Zal je net hebben dat als ik dit stukje plaats ik er geen last meer van heb.



De ontsnapping
illustratie M. Ozymantra

vrijdag 6 januari 2012

Smartphone outsmarts human

Ik wacht erop dat bovenstaande kop nog eens in de krant zal verschijnen. Er is ook een foto met tekst op internet waarin Neil Armstrong wordt ondertiteld met: we went to the moon with computer more simple than your phone. Iets in die zin. Er is een hele stroming die van mening is dat de computer op een dag slimmer zal zijn dan de mens. Een deel van deze stroming zou dit verdiend vinden aangezien ze een weinig hoge pet op hebben van mensen. Een andere groep ziet het als een vernedering. Wij worden door ons eigen speelgoed overvleugelt. Schakers hebben met dit gevoel al kennis mogen maken. ‘s Werelds grootste schaker Gary Kasparov werd in 1997 door de computer Deep Blue verslagen. De machine wint van de mens.

Laten we dat eens onder de loep nemen. Een computer verslaat een man. Een computer geprogrammeerd door een heel team van mensen. Daar hebben we de ontwerpers van de hardware en software, de mensen die dat ding bouwen en onderhouden, degene die de informatie verzamelen om de computer te programmeren en het groepje mensen dat uiteindelijk tijdens de wedstrijd de machine in de gaten houdt. Tijdens één zo’n wedstrijd moest er ook nog in de pauze wat bijgesteld worden. En dan hebben we het nog niet eens over al die boeken met openingen et cetera die oorspronkelijk door andere schakers zijn uitgevonden en gespeeld die gebruikt worden als basis van de programmering.

Aan de andere zijde van de tafel hebben de niet al te beminnelijke heer Kasparov. Ja, veel zijn het erover eens, Gary is niet een aardig man. Er zijn weinig aardige schakers. Ze hebben meestal niet de tijd voor aardigheid geconcentreerd als ze zijn op hun studie en het gezond houden van hun lichaam. Ja, Kasparov was één van de eerste die ook zijn lichaam goed verzorgde. Gary was een groot jeugdtalent, heeft eindeloze hoeveelheden wedstrijden gewonnen, bergen schaakboeken gelezen en vast en zeker onderwijs genoten van de grootste schakers van zijn tijd. Bovendien bereidde hij zijn wedstrijden meestal voor met behulp van enkele secondanten.

Toch blijft hij een mens, met de mogelijkheid zich te vergissen. Wat een computer niet kan. Een computer kan alleen wat erin geprogrammeerd is. Een computer kan niet meer dan de som zijn van wat de makers zijn. Kasparov heeft schaakzetten en openingen en noem maar op zelf uitgevonden. Enkele daarvan waren vast ook in Deep Blue geprogrammeerd. Kasparov zal wel eens iets vergeten dat hij heeft gedaan. Dat kan de computer niet. De computer verslaat Kasparov, de mens, maar echt, wordt Kasparov door maar een machine verslagen? Als het zo ver komt dat de smartphone ons eindelijk te slim af is, dan hebben we onszelf een goede grap gebakken. Bedrijf dat smartphones maakt en programmeert verslaat een enkel individu, product van een maatschappij die schaakcomputers en smartphones heeft bedacht.


Kasparovs droom
illustratie M. Ozymantra