donderdag 20 december 2012

Het is de taak van de schrijver om de lezer te vermaken


Het is de taak van de schrijver om de lezer te vermaken. Het is niet dat men deze woorden gebruikt. Niemand zegt ooit dat het de taak is van de schrijver om de lezer te vermaken. Dat mag niet meer. Dat mocht niet meer. Er was een tijd dat het woord heilig was. Niet het woord Gods, maar het woord mens. Geschreven door genieën van uitzonderlijke kwaliteit. God was ook maar een woord. De genieën manipuleerden de woorden tot ze brandden. En nog steeds branden ze. Een boek is een huis voor een vlam die nooit opbrandt.

Dat woorden bedacht werden om de inhoud van het magazijn te beschrijven, om de cargo en handel van steden en naties bij te houden, dat was door de genieën vergeten. Zij waren dan misschien geniaal, maar hadden particuliere conclusies getrokken uit het bestaan van teksten voorheen. Andere genieën schreven sprookjes over God en de goden om de mens te inspireren tot betere daden. Woorden om de moraal van de mens vorm te geven. Woorden als muilezel van goed en kwaad. Het hoofd van de mens als magazijn van de daad.

Woorden werden poëzie, woorden werden magie, ze toornden hoog boven iedereen uit, draaiend, dalend, opwerpend, verzakkend. Ons denken een woord. Onze gedachte een zin. De woorden los van het ding. Een woord verloren voor de daad.

Denken is niet het opsommen van gedachten die elkaar opvolgen zonder zinvolle orde. Denken is het volgen van een gedachte door al zijn gedaantes. De woorden die we spreken in ons hoofd zijn efemeer. Ze ontstaan uit het niks en verdwijnen weer. Ze klinken niet en dralen als letters aan de grens van het gevoel. Daaronder, daar waar die grens zo vaag is dat we niet meer weten of we denken of borrelen, daar zit een knot van iets dat graag gevoel wordt genoemd. Het hele lichaam, met al haar uitdrukkingen, daar drijft ons woord op. Dat lichaam vol hormonen, chemicaliën, substanties, dingetjes, materie, is de oceaan onder elk woord.

Het woord als drager van een boodschap. Maar als de directe, heldere, begrijpelijke en volkomen vanzelfsprekende boodschap ontbreekt, als het woord zichzelf tegenspreekt, zijn leegte als klank erkent, dan kan het woord dingen benoemen die niet bestaan. Gevoelens, geruchten, momenten, die oceaan van onbegrijpelijke oprispingen in het darmkanaal van ons ervaren. De bewuste geest gemaakt van woorden die woordeloos registreert wat er in ons omgaat en daarover vertelt door woorden betekenisloos genoeg te maken zodat de lezer gevraagd wordt, zelfs misschien gedwongen, om achter de woorden te kijken, om een vergelijkbare ervaring te voelen. Woorden als knopjes waarmee dingen in de lezer op worden geroepen.

Dingen en woorden, ze zijn niet hetzelfde, maar in de geest van de mens rijgen ze zich aaneen als een groot geheel.

 Brother, what would you like to read here?
illustratie M. Ozymantra

donderdag 13 december 2012

Dromen zijn bedrog


Tegen mijn collega’s vanochtend, tijdens koffie en thee, is het niet heerlijk om de werkende maandag rustig te beginnen, vertelde ik over twee onheilspellende dromen. Gisteren en vanochtend. De meest nuchtere van de twee merkte op dat het misschien aan de storm lag. Natuurlijk, hoe kon ik dat vergeten. Ja, de dromen gingen over de toestand van het land & van mijn werk, maar ze kropen nooit persoonlijk in mijn gevoel. Het was meer alsof ik naar een film in mijn hoofd keek. Ik zuchtte gerustgesteld. Het was alleen de storm maar.

Mijn nuchtere collega vroeg of ik bang was geweest dat het voorspellende dromen waren. Nee, ik had die wel eens gehad, maar dat was niet waarom ik zuchtte. Waarom wel vertelde ik niet. Vaak genoeg heb ik namelijk dromen gehad die iets van mijn innerlijk weerspiegelden. Soms ook, terwijl ik in een goede bui was, iets blootleggend van onrust waar ik me niet bewust van was. Nogmaals, zo voelde deze dromen niet, maar soms is het moeilijk het onderscheid te maken. Ik was even bang geweest dat ik niet goed in contact met mijn gevoelens stond.

Ik heb wel voorspellende dromen gehad. Ja. Een of tweemaal. Over simpele dingen. Dingen die ik had kunnen verzinnen. Een vrouw die ik tegenkwam in het echt, terwijl ik precies gedroomd had dat het zo zou gaan. Maar ik kende haar, want ze woonde in hetzelfde flatgebouw en het gebeurde er vlak buiten. Niet onwaarschijnlijk dus. Waarom dan in zoveel detail een generale repetitie? Ik hechtte toen nogal veel waarde aan haar. Het was iets dat op liefde leek. Verboden, maar toch. Zulke gevoelens kunnen sterke stuurlui in het hoofd worden. De droom volgde dat gevoel. Of probeerde de droom iets te vertellen over haar en mij waar ik niet bij stilstond?

Dromen zijn niet echt, hoor ik u zeggen. Ja, de hele tijd dat u dit leest zegt u: maar malle Marcel, wat een onzin over een droompje of twee. Waar maak je drukte over? Dromen zijn niet echt, maar de jaren zeventig ook niet. Toch kan iedereen die er gevoelig voor is enige karakteristieken van die jaren noemen. Anderen maken tv-programma’s over de jaren zeventig en schetsen een prachtig beeld van herstikte spijkerbroeken met knielappen, over grote snorren, korzelig lang haar, een droom van de maan. Ja, de jaren zeventig bestaan niet, want alle kenmerken die men zou willen noemen begonnen al in de jaren zestig of pas tegen het eind in de jaren tachtig. Decades glijden geluidloos in elkaar als je er niet gevoelig voor bent. Over honderd jaar praat men niet eens over een enkele decade, maar over de periode tussen de tweede wereldoorlog en The war on terror. De Koude Oorlog en de dooi die daarop volgde.

Toch bestaat dat wat niet bestaat in de geest van de mensen en zo doen dromen dat ook. Ze bestaan in onze geest en zijn aldus werkelijk. Dat de dromende in tijden voorheen, toen goden nog over de wereld daverden en een leven niet meer dan een slaaf waard was, voorspellende waarde had, contact met genoemde goden kon betekenen en het lot van een enkele koning of zijn rijk konden bepalen, ligt misschien meer aan het gebrek aan houvast dat de mens toen had. De droom was één van de weinige aanwijzingen over wat er in de wereld gebeurde. De voorspellende droom was vergelijkbaar met ons weerbericht. Intelligente mensen hadden al snel gemerkt we geneigd zijn in vergelijkbare symbolen te dromen. Want zoals mensen gemaakt zijn van hetzelfde zand, zo glijden dromen door onze hoofden heen als door vergelijkbare handen. En hoe zijn de tijden veranderd. Dat wat toen voorspelde hoe een Achilles zou eindigen, vertelt in onze tijd de nuchtere waarheid dat het leven in een flatgebouw nou eenmaal niet zo verrassend is.

Natuurlijk had Achilles zijn lot kunnen ontkomen, maar hij was er een minder mens door geworden. In zijn tijd. In onze tijd kunnen we het ons makkelijk veroorloven de gedroomde toekomst te ontwijken. Niks ligt nog vastgelegd in visioenen. We hebben de wetenschap, ons nuchtere verstand, de regels waaraan de maatschappij is onderworpen, de voldoening van onze veilige en goed voorziene levens. Onze dromen zijn weinig anders dan het borrelen aan het oppervlak van een onmetelijke diepte waar we maar zelden direct toegang toe hebben. Maar ons lot hangt niet meer aan een paardenhaar. De droom is een film zoals zelfs Hollywood die niet kan produceren en net zo tastbaar als de jaren zeventig voor komende generaties zullen zijn.

De leeuw en de draak
illustratie M. Ozymantra

woensdag 21 november 2012

Het realisme van Gerb-Art - interview met Gerben den Heeten


Ondanks de drukte van zijn professionele leven lukt het me tekenaar Gerben den Heeten van Gerb-Art te spreken te krijgen. Ik ken hem al een tijdje en weet dat werk voor alles gaat. Het is alweer even geleden dat ik zijn huis heb gezien. Meestal spreken we af in de stad waar hij dan uit zijn tas de meest uitzinnige, maar ook bijzondere, tekeningen haalt. Gerbens huis is tegenwoordig zeer gezellig. Je kan de vrouwenhand erin terugzien. Hijzelf spendeert het grootste deel van zijn tijd achter de tekentafel. Boven het computerscherm hangen een paar schetsjes en voorbeeldjes. Alles is zoveel netter dan je je zou voorstellen. Het is een geoliede operatie. We gaan zitten in de zitkamer en praten eerst wat over het verschil tussen striptekenaars en ‘gewone’ mensen. Het is iets waar hij recentelijk over zat te lezen. Natuurlijk verschillen we van mening, maar dat is ook niet waarvoor ik langs ben gekomen. Ik wil hem vragen over hoe hij hier terecht is gekomen, over wat van hem de tekenaar heeft gemaakt die hij nu is.


Wanneer besefte jij, op welke leeftijd en welke manier, dat je tekenaar wilde worden?

Eigenlijk wist ik dat al op vroege leeftijd. Dat cliché. Van zodra ik een potlood had begon ik te tekenen. Maar één van mijn vroegste herinneringen was op de kleuterschool. Dat ik aan het tekenen was en dat heel fijn vond. Ik realiseerde me ook dat ik kon visualiseren wat ik in mijn hoofd had zitten.



En wat zat er in je hoofd?

Ik was altijd heel erg bezig met prehistorische dieren. Met van die grote tanden. Dat zijn van die fases. Dinosaurussen, inderdaad. Uiteindelijk is het zelf verzonnen, omdat je het niet letterlijk kan maken. Ik had dan wel plaatjes van dinosaurussen gezien, daar ben je dan mee bezig, maar de fantasie gaat dan op gang. We kregen erover op school, maar in je hoofd gaat dat verder. Het wordt veel groter dan op school. Toen ben ik begonnen met tekenen. En werd ik er bewust van ik dat heel leuk vond en, bovendien, kreeg ik ook van anderen te horen: ‘wat goed dat je dat kan’ en dat werkte versterkend.


Wat was dan daarna het eerste omslagpunt?

Eigenlijk omdat ik tijdens die lagere school merkte dat tekenen mijn ding is, ben ik het steeds meer gaan ontwikkelen, ook buiten school en thuis. Van achter je bureau te zitten in je kamer en dan maar tekenen. Ik heb het over illustratief tekenen, ja. Ik had als kind vrij veel angsten, dat is natuurlijk vrij normaal voor kleine kinderen. Ik was bang voor heel veel dingen waar ik eigenlijk geen vat op had. Dinosaurussen was een fase. Ik was ook heel erg bang voor de dood, maar ook voor het donker, voor spoken en geesten, onder het bed en in de slaapkamer en oorlog. De Koude Oorlog en de Derde Wereldoorlog die er aan stond te komen. Dat probeerde ik allemaal in die tekeningen te stoppen. Als ik dat nu terug zie zijn het heel vaak oorlogstaferelen, bloederige toestanden. Dan hebben we het over tienjarige leeftijd. Zeg maar acht, negen, tien jaar.

Je werd toen vooral beïnvloed door striptekenaars?

Ja, ik ben altijd erg in popculture geïnteresseerd geweest. Waarschijnlijk omdat ik uit een working class environment kom. Kunst werd bij ons niet gestimuleerd. Gewoon tv, radio, stripboekjes. Ik wist niks van kunst af of de kunstscène, maar van Storm, Eppo, Robbedoes, stripjes. Die hebben mij geïnspireerd en die ging ik natekenen. Uiteraard Marvel Comics met de superhelden. Je hebt van die fases, dan ben je klaar met de Eppo en is het op Koninginnedag alle comics kopen. En die bestuderen en natekenen.

Wanneer ben je bij Disney terechtgekomen?

Disney sluimerde al een hele tijd. Op de lagere school, als kleine jongetje, zat ik uren in de bibliotheek Disneyboeken te bestuderen. Ik dacht toen al dat het feit dat ik daar zo mee bezig was wilde zeggen dat ik het. Erg. Belangrijk. Vond. Dat was ook een fase. Alles was toen Disney. Illustreren, natekenen, mijn eigen verhaaltjes, animaties, dat was ook zoiets. we hebben het nu over 13, 14, 15 jaar. De vroege puberteit. Ik was toen eigenlijk nog niet bezig met dames op papier te maken. Ik keek vooral veel naar Disney-animaties. De jaren 30 tot eind jaren 40. De Gouden Periode. Bijvoorbeeld de Sorcerers Apprentice, uit Fantasia. Het is een bepaalde tekenstijl die heel wollig is, heel vol. Zoals Donald Duck in die tijd, die wordt heel vol getekend en warm, schaduwtjes en de achtergronden. Het zijn allemaal schilderijtjes. Prachtig! Het wordt ook gezien als de topperiode van animatie. Door anderen en door mij. Je hebt ook de jaren 50, maar door budgettering ging de kwaliteit van de animatie achteruit.

Je bent uiteindelijk naar de kunstacademie gegaan?

Uiteindelijk… Ja. Maar ik wil nog zeggen dat ik rond mijn 17de nogal twijfelde over mijn tekenaar-zijn. Ik dacht, iedereen gaat economie studeren, ik moet ook maar. Scheikunde gaan doen of zo. Terwijl die bètakant in mijn hoofd niet werkt, dus dat had bij voorbaat al geen zin. Toen ben ik na de havo, na een overbruggingsperiode, toen dacht ik laat ik de gok wagen en ben naar de Rietveld Academie gegaan. En dat was een hele grote stap. Ten eerste wist ik helemaal niet wat dat was, maar tekenleraar Jan van Diemen,  sportschilder, maar dat terzijde, die zei ‘dat moet je gewoon proberen’. Toen heb ik toelating gedaan voor de avondopleiding, want ik was te laat voor de dagopleiding. Achteraf was dat belachelijk. De avondleiding is voor mensen die een beetje zijn gesetteld. Ik had allerlei stripachtige tekeningen meegenomen en om me heen zag ik dingen liggen waarvan ik dacht ‘what the fuck?’. ‘Kom ik hier met mijn stripjes.’ Maar goed, de docenten zagen het toch zitten. Alleen werd ik wel op de dagopleiding geplaatst. En zo begon het avontuur Rietveld.

Hoelang heb je er over gedaan?

Ik heb er vier jaar gezeten. Het eerste jaar heb ik twee keer gedaan. Het eerste daarvan was gewoon dramatisch. Een en al ellende. Gewoon ongelofelijk. Je kan wel zeggen angst. Voor die hele wereld waar ik in terecht kwam. Dat contrast tussen mijn eh bescheiden wereldje van working class, Christelijke middelbare school en dat gerenommeerde instituut de Rietveld Academie was zo groot, dat kon ik allemaal niet bevatten. Er werd mij ook het advies gegeven van ‘Gerben, eigenlijk ben je te jong, je moet een wereldreis maken, you need some back up’, maar dat heb ik niet gedaan. Toen ben ik een beetje de kunstenaar gaan spelen. ‘Als dit van me verwacht wordt, dan ga ik dat gewoon zijn.’ Dat is een paar jaar goed gegaan, maar ik kon toch mijn ei niet kwijt. En wat is dat ei? Mijn ambachtelijke tekenkunsten. Mijn populaire cultuur. Het was een mooie en leerzame periode, maar ook erg moeilijk.

Wat heb je ervan opgepikt?

Soms vraag ik het me af. Het is bijna 20 jaar geleden. Ik ben eindelijk klaar met het afbetalen van de studieschuld. Ik neem dat tenminste aan, want krijg al een tijdje niet meer de giro’s binnen (gelach en gegiechel van beide kanten). Ik heb geleerd een brede visie te ontwikkelen op veel vlakken. Ik heb geleerd met allerlei verschillende types mensen te kunnen omgaan. Ik had naast de Rietveld ook een periode van Sturm und Drang. Daar hoef ik natuurlijk niet veel over uit te wijden, maar als je je hele leven beschermd bent opgevoed en je vrij bent van het ouderlijk nest, dan is het tijd van knip knap die kettingen doorknippen en de darkness ingaan. Eigenlijk begon mijn puberteit toen pas (gegiechel). Op mijn 23ste. Na vier jaar ben ik er afgezet, want ze dachten ook ‘voor jou is hier geen plek’. Ik vond dat niet erg. Ik kon daar mijn creativiteit niet kwijt en de dingen die ik deed werden weer niet opgepikt of goed gevonden.


Vertel eens iets over de periode daarna?

Toen ben ik met een vriend een soort kunstenaarsduo begonnen. Hij was dan meer van de kunst en ik van het toepassen en met animatie bezig. We noemden onszelf Het Bedrijf. Dat was meer zijn uitvinding. Hij wilde zich ook als zodanig presenteren. Dat we bijvoorbeeld Armani pakken hadden met camouflagekleuren, dat soort dingen. Een beetje al la Gilbert & George. We probeerden samen als een ontwerpduo verder te komen. Uiteindelijk is dat stukgelopen omdat hij meer de kunstrichting wilde opgaan en ik poppetjes wilde blijven tekenen. Toen kwam ik mijn toenmalige agent tegen, Jorgen Bolle en die had een potentieel klusje, een Katja Schuurman stripje en dat leek me wel wat. Vanaf dat moment is mijn commerciële tekencarrière begonnen. Toen heb ik eigenlijk de richting gekozen die ik nog steeds doe. Niet meer twijfelen, maar gewoon met je eigen dingetje dat je al sinds de kleuterschool kan geld bijeen sprokkelen.

En dat lukt?

Haha, nou ja, pieken en dalen, ups en downs, goeie tijden slechte tijden en noem al die clichés maar op. Maar het is een struggle.


Zou je het aanraden aan mensen die kunnen tekenen of heb je meer nodig dan alleen kunnen tekenen?

Ja, je hebt heel veel meer nodig dan alleen maar kunnen tekenen. Je hebt bijvoorbeeld goede contacten nodig. In eerste instantie gaat het om wat je kan, maar wie bepaalt of het goed of slecht is? Jij kan wel denken dat het goed is, maar als je het naar een agentschap stuurt en die zegt, ‘ja we hebben al tien van die gasten die dat ook kunnen’ dan bepalen zij wat de norm is voor jou. In de commerciële tekenwereld is het alleen of je hebt een agentschap. En dat laatste heeft grote voordelen. Je bent heel erg afhankelijk van die stem van buitenaf of het aanslaat. Om te slagen heb je best een bepaalde stijl nodig, maar het zegt niet alles. Het hangt er ook een beetje vanaf welke richting je op wil gaan. Wil je bijvoorbeeld een superheldenstijl nastreven dan ga je in die hoek zitten. Ik ben een allrounder. Voor vele dingen inzetbaar. Waarbij dan een cartoony stijltje de overhand heeft. Ik ben geen realistische tekenaar, maar zou het wel kunnen! Dat cartoony zit zo in mij dat ik dat meestal hanteer. Maar ik houd wel van uitstapjes maken.


Ik weet dat je ook stripjes hebt gemaakt…

Ja, paar stripjes gemaakt, tekenfilms, allemaal in die periode met Florian. Die animatiefilmpjes waren ontzettend moeilijk. Daar ben ik maar mee gestopt. Wij scanden bijvoorbeeld alles in met een bewakingscamera en in een Amiga moest je dat beeldje voor beeldje achter elkaar plakken. Dat was dan Florians taak. Ik kwam met honderden tekeningen op a-viertjes, armpje hier, hoofdje daar. Het zag er helemaal niet uit. Tegenwoordig is het een stuk makkelijker. Je hoeft het niet eens meer in te scannen. Je tekent het direct op het scherm en laat het direct bewegen.
Stripjes tekenen vond ik vreselijk om te doen. Op een gegeven moment belandde ik in De Erotiek, die altijd sluimerend aanwezig was, maar dat werd steeds heftiger. Ik heb het eigenlijk nog niet vertelt, maar dat is ook een belangrijke periode geweest. Toen ik Black Eye Pictures had geformeerd. Het was mijn alias. Dat is ten tijde van de Rietveld ontwikkeld. Ik wilde eigenlijk undergroundachtige strips en sculpturen maken. Heel fetishachtig. Young Jerk bijvoorbeeld. Ik had zoveel plannen voor strips en hele albums, maar strips tekenen is niet mijn ding en meer dan schetsen is er eigenlijk nooit van gekomen. Uiteindelijk heb ik toch er wat getekend. Ik nam toen contact op met Eros Comics in Amerika. Ik dacht van laat ik het proberen. Zij antwoordden dat ze graag werk van mij wilden. Ik was ontzettend blij, want dacht van, hier gaat het nu gebeuren ‘Amerika, Amerika!’. Dat bleek mee te vallen. Ik heb wel wat mogen maken en ik ben zelfs de enige Nederlander, misschien zelfs de enige tekenaar die in vijf verschillende boekjes strips heeft gehad en daar OOK de covers voor heeft gedaan. Die stripjes zijn jaren later onder de naam Perversia uitgebracht en die verkoop ik nog steeds op beurzen. Dat is eigenlijk mijn enige wapenfeit op stripgebied.


Om af te ronden. Waar wil je terecht komen, wat is je toekomstperspectief?

Dat is een moeilijk iets, want het liefst zou ik doorgaan zoals ik altijd heb gedaan, maar ik woon niet alleen meer. Mijn vriendin steunt mij natuurlijk in alles, maar die heeft ook bepaalde eisen over welke richting we samen op moeten gaan. Dus dat betekent steeds meer dat als ik iets doe de vraag komt ‘wat levert me dat op?’. Vroeger deed ik alles omdat ik het leuk vond, maar nu denk ik bij wat ik doe hoe ik dat commercieel kan exploiteren. Ik ben bijvoorbeeld bezig met een opdracht voor een bedrijf voor een aantal piraatjes, maar ondertussen ben ik bezig met wat ik er nog meer uit kan halen. Geld verdienen om een bepaald leven met partner te kunnen leiden wordt steeds belangrijker. Ik ben 41 dus kan niet meer dromen. Die dromen die ik altijd heb gehad verdwijnen steeds meer. Het wordt steeds meer een soort realisme. Als je een huis wil kopen kan je niet een half jaar met een stripalbum bezig zijn. That’s how the cookie crumbles! (Gelach.)



 


Gerben is veel te vinden op beurzen. U kunt voor tekeningen op commissie via zijn website contact opnemen of via zijn Facebook. Ook voor professionele opdrachten kunt u daar terecht.







Alle foto's met toestemming van Gerben den Heeten gepubliceerd

woensdag 7 november 2012

Over volwassen strips gesproken – Age of bronze


English translation down the page

1

Het valt me soms op dat literatuur vaak wordt gemeten naar haar meest volwassen spreker, iemand als Coetzee of Tolstoy en dat de strip bijna altijd naar zijn meest kinderlijke vertegenwoordiger. Dat terwijl er in de literatuurwereld meer dan genoeg onvolwassen leesvoer wordt gedrukt en er in de strip genoeg zeer hoogstaande werkjes worden gepresenteerd. Misschien is het zo dat literatuur langer bestaat, pas wordt gelezen als men ouder is, en de strip een vrij recente uitvinding is, waarvan ieder eerst de speelse boekjes krijgt en daarna niet meer aansluit bij het diepgaande voer. Laat ik duidelijk maken dat ik vertalingen van romans door striptekenaars zoals Dick Matena, van bijvoorbeeld De Avonden, niet reken tot de volwassen strip. In zekere zin mag dit soort vertalen als een verarming van de strip worden gezien. Misschien is het zelfs een parasiteren door de literatuur. Aan literaire vertalingen naar de strip deed men tussen 1940 en 70 in de VS al met hun Classics Illustrated serie. Karakteristieke en inventieve verhaalmogelijkheden worden meestal ontweken ten faveure van iets dat eigenlijk alleen voor woord is bedacht. De manier waarop beeld en woord tijd vertellen, een verhaal bewegen en stil zetten, thema’s op verschillende manieren mengen, waaraan de tekenaar ook bijdraagt door stijl, wordt grotendeels uit de weg gegaan. Zeker in deze moderne vertellingen. Een echt volwassen strip voldoet aan geheel andere eisen dan een roman.
Overigens kunnen de zogenaamde kinderstrips, zoals Guust of Asterix, heel goed worden genoten door, inderdaad, van 9 tot 99. Ouderwets vermaak voor elke generatie en niks om op neer te kijken. Elk album een juweeltje van innovatie, creativiteit en speelsheid met een sterk thema.

Er kunnen best voorbeelden worden genoemd van strips die uit het eigen universum van verbeelding komen en daarin grootse stappen hebben gezet richting het volwassen publiek. Maus van Art Spiegelman bijvoorbeeld. Maar voor dat hij dit maakte werkte hij al de mogelijkheden van de strip uit op een manier die alleen geraffineerd kan worden genoemd. Kunst voor de kunst, waarin hij het lichte van de strip binnenste buiten trok en sequentie plat vlak uitwerkte. Daarin was hij zeker niet de eerste, of laatste. In de Amerikaanse ‘underground’ (waar hij uitkwam) werd er al lang volop geëxperimenteerd. Natuurlijk is er ook zoiets als 'De Avonden' in het Engels. Neem bijvoorbeeld Robert Crumbs bijbelvertelling. Maar door diens stijl en karakter wordt het verhaal geheel anders. In Yummy Fur deed Chester Brown ook de bijbel, maar dan vier keer de vier apostelen van het Nieuwe Testament. Door zorgvuldige keuzes uit de bijbeltekst weet hij telkens een andere karakteristieke sfeer op te roepen die past bij de betreffende apostel. Het maakt dat de verhalen, die allen min of meer hetzelfde beschrijven, doordrenkt raakten van het karakter van de vertellers. Op deze manier wordt het ons gegund om Christus letterlijk door de ogen van de apostelen te zien. Het woord wordt minder urgent, maar de intentie van de vertellers en hun emotionele geladenheid des te meer.
In elke strip zoeken de karakteristieken van woord, beeld en opeenvolging naar de uiterste en meest geschikte betekenisvorm. Of het gaat om Lucky Luke of de bijbel.

2

De Amerikaan Eric Shanower heeft ons de afgelopen jaren op iets speciaals bediend dat nog maar net tot onze landerijen is doorgedrongen: Age of Bronze (in het Nederlands: Het bronzen tijdperk (Saga Uitgaven), wat toch iets van de kracht van het origineel mist). Het is een omvangrijke benadering van de Illias, een boek dat in de Verenigde Staten altijd extra aandacht krijgt wegens hun superheldencultuur. Deze mag gezien worden als een moderne voortzetting van de klassieke Griekse heldencultus. Het zou al voldoende zijn voor menig liefhebber als Shanower probeerde het verhaal zo natuurgetrouw na te vertellen, maar wat hij doet gaat verder dan in literatuur of geschiedenisboeken wordt gedaan. Hij heeft alles dat refereert aan de Illias verwerkt in een coherent verhaal. Het enige dat echt afwijkt is dat hij, net als in de film Troy, de goden weglaat. Als er wordt gevraagd om hun aanwezigheid, zoals met de godin Thetis, moeder van Achilles, presenteert hij haar als mens. Ze is in dat geval cultisch leider met grootse aantrekkingskracht op iedereen rondom haar. Het is een interpretatie van hoe de goden in de verbeelding zouden kunnen zijn geslopen die getrouw aan de werkelijkheid kan zijn. Zo zijn er tempels in Midden-Amerika gevonden, die, deurtje na deurtje openend, begonnen bleken als graven voor een koning. Deze had door de tijd heen goddelijke status verkregen. En niet alleen verwerkt Shanower alles dat in de Illias staat en de teksten die voornamelijk overgeleverd zijn uit de vijfde eeuw voor Christus, maar ook latere verhalen krijgen een plaats, zoals Shakespeares Troilus en Cressida. Wat er verder aan archeologisch bewijs is gevonden over de tijd waarin de Illias zou hebben plaatsgevonden (1200 voor Christus), maakt dat we niet de typische Corythintische helmen zien waar normaal gesproken alle helden mee worden getooid. Die werden pas duizend jaar of zo later modieus. In plaats daarvan dragen ze de hoofddeksels waarvan we ondertussen zeker denken te weten, door vondsten en schilderingen, dat de Myceners en tijdgenoten ze moeten hebben gedragen. Achterin het boek dan ook uitgebreide bronlijsten.

De manier waarop Shanower (ook schepper van verschillende boeken rond Oz, uit het verhaal van L. Frank Baum) zijn wereld verbeeldt is vrij basaal. Zwart-wit tekeningen die consistent in beheerste kaders opeenvolgen en zodoende een fijn ritme op de pagina veroorzaken. Geen enkel plaatje springt er echt uit, wat eigenlijk vanzelfsprekend zou moeten zijn in een strip. Tenslotte gaat het om de samenhang die een consequente benadering oproept, waardoor de lezer zich geheel in het verhaal kan verliezen. Juist op deze manier, wanneer tekenwerk en tekst naar de achtergrond stappen, ontstaat de gestalt in het hoofd van de lezer. Als een film, maar niet als een film. Waar je bij film eigenlijk geen rustpunt hebt, tenzij met de pauzeknop, waardoor het oog de hele tijd mee wordt getrokken, kan de lezer van een strip het eigen ritme bepalen. Rustig inzoomen, stil terugbladeren, de stemmen vormgeven, pagina's overslaan om later toch  lezen. Natuurlijk probeert Shanower ons een bepaalde kant op te duwen. De opeenvolging van platte en staande kaders tonen verschillende snelheden waarbinnen het vertelde afspeelt. Als de kaders wegvallen, vanwege een droomsequentie of een andere bijzondere gebeurtenis, valt dit extra op. Zijn in eerste opzicht enigszins houterig aandoende koppen en lichamen worden dermate consistent uitgevoerd dat iedereen een eigen karakter krijgt. Bovendien sluit het aan en verwijst het naar de schematische manier van afbeelden die gewoon was in die tijd en waar ook de Illias zelf in woord regelmatig gebruik van maakt. Het ging in Homerus' tijd niet om de allerindividueelste expressie van het allerindividueelste voelen, maar om een iconische, ondertussen soms stereotype, manier van uitdrukken. Alsof elk mens en ding Het Mens en Het Ding is. Niettemin laat hij ruimte voor de lezer door het maar al te menselijke gedrag van zijn karakters. Zo valt het niet moeilijk een emotionele verbintenis aan te gaan. Juist dit contrast tussen het stijve en het liederlijke is wat de strip, maar ook de mythen zelf, boeiend maakt. Het zwart-wit, gecombineerd met de iconisch verstolde uitvoering, maakt de pagina’s soms wat ondoorgrondelijk voor de beginnende lezer. Eenmaal gegrepen laten ze niet meer los.
De intentie is om het in 7 delen te doen, maar bij deel drie is er al sprake van een 3A-deel, dus dat gaat nog even duren. Geen enkel probleem, zou ik zeggen, voor deze Asterix voor volwassenen.

Een preview van twee pagina's van  Age of bronze 32.



Gekleurde platen voor de tablet-versie



Ondertussen zijn er drie delen in de Verenigde Staten verschenen bij Image Comics, allen in zwart-wit, voorgepubliceerd in korte ‘comics’ van plusminus 22 pagina’s. Een kleurenversie voor de tablet is hier te verkrijgen. Waar kunt u dit langzaam groeiende meesterwerk in Nederland kopen? De dappere Belgische uitgeverij Saga Uitgaven bedient onze markt onder de titel Het bronzen tijdperk. Te bestellen via http://www.sagauitgaven.be/index.html Ze delen elk boek in twee. Binnenkort verschijnt het tweede deel. U kunt zich natuurlijk ook direct bij meneer Shanower opgeven voor nieuws en informatie op http://www.age-of-bronze.com/. Kijk ook even naar de links aldaar, want een hoop te smullen voor iedereen die geïnteresseerd is in de authentieke wereld van de Illias. Facebook pagina hier. Een stripzaak die ook comics verkoopt kan vast helpen aan de losse deeltjes of complete boeken. Vraag ernaar. Hoe meer mensen ervan weten hoe beter.

English translation


1

Sometimes I notice how literature is measured by it’s most mature representative, like Coetzee or Tolstoy, and that the comic strip (it is kind of difficult to translate this from Dutch to American, since both have such different approaches in publication) is almost always measured by it’s most childish representative. Though considering that in the world of literature also a lot of immature stuff is produced and that the comic strip presents enough high minded works. Maybe it is so that literature has existed longer, which one reads when one is older and comic strips are a quite recent invention, which people read when they’re young and abandon when they grow up. So they miss the connection to the profound stuff. Let me make it clear that I don’t consider translations of novels by artists like Dick Matena, of De avonden (a famous Dutch novel by the writer Gerard reve), a mature comic strip. From a certain perspective this kind of translation could be seen as an impoverishment of the comic strip. Maybe literature is even some kind of parasite in this case. Literary translations were already done in the US during the 40s-70s in the Classics Illustrated series. Characteristic and innovative possibilities of telling a story are mostly avoided in favor of something that’s only made for words. The way in which word and image tell about time, animate a story, mix themes in different ways, to which the artist adds style, is largely avoided. Certainly in these modern tales. A really mature comic strip complies with very different demands then a novel.
Of course, so called children comics, like Guust (Gomer Goof) or Asterix, can be very well enjoyed by, indeed, 9 till 99 years old. Old-fashioned entertainment for every generation and nothing to look down upon. Every book is a jewel of innovation, creativity and playfulness with mature themes hidden inside them.

There can be named a few examples of comic strips that grew out of their own universe of imagination, which made giant steps towards a mature audience. Maus by Art Spiegelman for example. But before he made that he already explored the possibilities of the comic strip in ways that could only be called refined. Art for art in which he used the levity of the comic strip, pulled it inside out and explored experimental sequences. Of course he wasn’t the first nor the last to do that. Prior to him there was plenty of experimenting in the ‘underground’, both in American as in European. Of course there’s something like ‘De avonden’ in English, take for example the retelling of the bible by Robert Crumb. But his style and personal character redid the whole story. In Yummy Fur Chester Brown ‘did’ the bible too, but then four times the four apostles from the New Testament. By careful choices from the original text, he extracted a different characteristic atmosphere that fit the concerned apostle perfectly. It drenched the stories, which are all kind of the same, in the particular character of the narrator. The wording itself gets less urgency, but the intention of the narrators and their emotional charge electrifies the reader.
            In every comic strip the characteristics of word, image and sequence search for the utmost and most suitable shape of meaning. Whether we talk about Lucky Luke or the Bible.

2

The American Eric Shanower treated us in the past years on something special that hasn’t penetrated our country yet: Age of bronze (in Dutch published by Saga Uitgaven, Belgium, Het bronzen tijdperk, a translation that misses something of the power of the original, though it means exactly the same). It’s an extensive approach to the Illiad, a book that gets extra attention in the United States on account of it’s superhero culture, which could be seen as a modern continuation of the classical Greek hero cult. It would’ve been enough for most lovers of the Homeric tales if Shanower had tried to render the story as faithful as possible, but what he’s doing goes further than what has happened in literature or in history books. He’s incorporated everything that refers to the Illiad in a coherent story. The only thing that really deviates is that he, like in the movie Troy, omits the Gods. If there is need for their presence, like with the goddess Thetis, mother of Achilles, then he will present her as a human. She then is the cultic leader with great attraction to anyone around her. It’s an interpretation of how the gods could’ve sneaked into our imagination, that could well be true to reality. A temple has been found in the middle of America for a god, that seems to have been started as a grave for a king. Through the ages this king had gained godly status. And Shanower not only incorporates everything from the Illiad and texts that have been delivered from the 5th century before Christ, he also uses newer stories, like Troilus and Cressida by Shakespeare. What has been discovered as archeological evidence about the age that the Illiad really could’ve happened (about 1200 BC) avoids that we see the typical Corinthian helmets (around 500 BC) that the hero’s are generally outfitted with. They now get the headgear from which we guess that it’s likely Mycenaeans and contemporaries wore them. In the back of the book are also a comprehensive index and language list.

The way in which Shanower (also creator of different books playing in the universe of Oz) sculpts his world is pretty basic. Black and white drawings in consistent frames, by which he creates a sweet rhythm on every page. Not one picture really stands out. In a way this should be always the case in a comic strip. After all it’s about the coherence that a consistent approach calls forward, through which the reader can totally immerse itself in the story. Exactly in this way, when artwork and text take a step back, the gestalt arises in the mind. As with a movie, but not like a movie. In a movie you never have a pause, unless you use the button, so the eye gets pulled along all the time. But the reader of a comic strip can decide it’s own rhythm. Quietly zooming in, silently paging back, shape the voices, skip pages to read later on. Of course Shanower is trying to push us in a certain direction. The sequence of lying and standing frames show different speeds within the story. When the frames are left out for a dream sequence or another special happening this attracts extra attention. His at first glance seemingly stiffly drawn heads and bodies, are done so consistently that everybody gets his own character. On top of that this refers to the schematic way of depicting so common in that age and in the way words are used in the Illiad. In those days it wasn’t about the most individually expression of individual feeling, but about the iconic, sometimes stereotypical expression. As if every man and thing were The Man and The Thing. Nevertheless he leaves enough space for the all too human behavior of his characters, so it isn’t be difficult to connect emotionally to them. Exactly this contrast between stiffness and lechery is what the comic strip, but also the myths themselves, makes so fascinating. Its black and white, combined with the iconic coagulated execution, renders the pages sometimes inscrutable for the virgin reader. Once captured you won’t be able to put it down.

It is the intention to do the story in seven parts, but with part three they already split it in A and B, so it will take some time before the series finishes. No problem, I’d say, for this Asterix for the mature.

Afterword with the English version

Translating the article, which took a bloody long time I admit, it occurred to me in what dire straits Dutch comic culture is these days. In part one of the blog I’m explaining things that should be, and probably are, perfectly clear to a lot of Americans and other comic loving nations. On the other hand, after more consideration, I realized that the comic strip everywhere seems to be either at a standstill or even in decline. Either it’s a constant re-using of clichés or it’s a flight in art obscurity. Though super hero movies attract more attention every year and improve in quality too, the super hero comics get lower sales every year. Great comic strip geniuses from the past are still making interesting or at least entertaining comics strips, but new ones tend to take the step into movies or art. In the Netherlands there is no popular comic strip anymore. Nothing besides three frame gags. Which are surprisingly successful, but they don’t amount to a complete album. Initiatives to start up magazines as there used to be, two or four pagers as part of a large album, don’t succeed or fail to even start. Even revivals of old successes falter quickly.

Is the time of the comic strip at an end? Was it really nothing but a dream that the comic strip could compete for attention with the movie and the novel? Of course a product like Age of bronze seems to contradict this. As well as the popularity of people like Alan Moore, Grant Morrisson and Frank Miller. But a few successful and innovative persons does not make a culture. To make the comic strip significant again ambition is needed, over a broad range, from amateurs to professionals and also a keen sense of the possibilities and shortcomings of the medium. It needs people to take it seriously, though it’s at heart a light-hearted medium. But especially this light-heartedness makes for a great communication and a splendid way to reach large groups of people with art and a vision. Even online there is great opportunity, though one shouldn’t dismiss the power of the paper comic book.

In this day and age in which people tend to move away from the word, don’t like to read prose as much as they maybe should, the combination of word an picture makes perfect sense. So why isn’t anyone really picking up on this? Is it just not rewarding enough anymore to put so much effort in a page that gets thrown away after one read? Is it that in our culture there is no honor to be gained in slaving over 48 pages of pure genius for what some call the immature mind? Or is it that the new mediums, like movies, internet and games, take prominence over the comic strip? Is it only something for art-artists, who are not satisfied with one picture at the time, but are not overly concerned with communicating or the history of the medium they work in? Is it something only for steroid induced mass producing hacks who love their heroines cool, masculine and half nude? Is it only for the guys who can make a joke last for three frames at best and do this the rest of their lives for a modest but okay fee? Where are the new Goscinnys, the new Kirbys and Ditkos, the new Corbens, the new Hergés, Franquins, Lawrences, Lodewijks and Rosinskis, Crumbs and Sheltons? Whatever happened to the comic strip?

donderdag 18 oktober 2012

Het vertrouwen in de kerk


Mijn beloften aan jou, o, moeder
vergeten in steen en sarcofaag
wij weten dat jij niet geeft om mij, o, moeder
hoeder, begeleider, trieste wegbereider, traag.
Ik dacht in veiligheid geboren te zijn
warm pruttelende placenta van zon
pulserend druipend kaarsgeschitter.
Jij had nog andere plannen, zo te zien.

Wij zongen een psalm in het maanlicht van Mars
geen lucht kwam tot ons, geen zucht liet ons gaan
o, moeder en vader, waarom groeit het geld niet op
wie ben jij om de kus te onthouden
wat is deze kou om mij heen, geschapen in vertrouwen?
Wij liepen niet over, nee, moeder, wij vergaten
en toen, ja, dat was de laatste dag van kaas en schouderham.

Een gebed voor de toren.
Een carillon in de kerker.
Vaas aan gruzelementen.
Het is koud hier helemaal boven.

Gedicht uit de nog niet afgeronde bundel 'Voorwaarts, vrinden'

The chains that bind
illustration M. Ozymantra

zaterdag 6 oktober 2012

Duel in de diepte - Neerlanda*

Lang geleden, was het ergens in de zeventiende eeuw, nee, toch de vorige, tijdens mijn jeugd, eentje die ik met veel leeftijdgenoten deel, was er een Nederlandse tv-serie die zo’n beetje iedereen ondertussen is vergeten. Ik ben het ook eigenlijk vergeten. Alles dat is blijven hangen het strand van een Antilliaans eiland, een eigenaardig gevoel en Doctor Vlimmen alias Peter Faber als de dorpsgek die nog niet zo gek was, het was ook geen dorp, maar een eiland en die El Loco werd genoemd. Toentertijd een nogal mysterieuze naam voor iemand in mijn ogen. Dat laatste is natuurlijk geheel verdwenen. De Gek. Tja, verzin het maar. Beetje net als een Abraham van Helsing die Nederlands is en met een Duits accent in de film praat omdat er toch geen Amerikaan is die het verschil zou horen. Amerikanen vinden Nederlands als taal, maar ook als land spannend. Het is echt een trend om in comics en films schurken van Nederlands klinkende achternamen te voorzien. Goed voorbeeld, vijand van Captain America: Kashmir Vennema. Vooral het woordje ‘van’ vindt men heerlijk.

Natuurlijk ga ik zoeken op het internet. Sindsdien, jaren 70 of 80?, heb ik de serie niet meer gezien. Eerst eens checken of ik ze kan downloaden of op Bol kan kopen. Nergens iets behalve een dvd-set. Nou ja, mijn dvd-speler ligt al een tijdje bij de wasserette, dus dat wordt niks. Wikipedia, oh groot orakel, wat heeft u me te vertellen? Een jeugdserie uit 1979, eenmalig herhaalt in 1994 en blijkbaar speelde Hauer er ook in. Maar ach, die speelde in alles toentertijd. Die was als Waldemar Tortor of één van die andere wassen neus de huidige Nederlandse film rijk, die speelde overal in. Klein landje, moet je maar denken, weinig werkgevers in film en televisieland. Maar jeugdserie? Werkelijk? Man, ik zat daar met gespannen kaken, in een half spannende, half smerige emotionele 8-baan! Maar achteraf gezien was al dat Nederlandse mediagedoe in die tijd een beetje zo: losse moraal, half naakte dames, scheldende mannen (trucker Tom Hoffman die zo’n beetje 8 afleveringen van iets anders dat ik ben vergeten ‘godverdomme’ riep), windende mannen (Grijpstra & de Gier, waarvan de ene een vlam uit zijn reet liet komen), noem maar op. De vrije jaren 60 die gevolgd werden door de grove jaren 70 en de platte jaren 80. Een kloddertje roze, hierrrrrr! Dat laatste was dan weer uitermate beschaafd en onderdeel van de linkse hersenspoelmachine, zeg nou zelf. Niet dat ik de idealen van de familie Knots niet meer deel, maar ze lagen er eigenlijk wel erg dik op en niemand die zei: goh, moeten we onze kinderen werkelijk bloot stellen aan de ideeën en opvattingen van een stel tv-makers? Maar niemand ook die dat zei over ‘Duel in de diepte’.
Was het werkelijk zo ruig en spannend als ik me kan herinneren? Alleen herkijken helpt. Maar dan zou ik ook die herinnering om zeep helpen. Dan zou ook dat gevoel langzaam vervagen om plaats te maken voor de nuchtere samenvoeging van twee ervaringen: toen en nu. Gelukkig heb ik daar goede ervaringen mee. Ik ben in staat de herinnering te behouden en tegelijk te zien hoe misplaatst of juist niet dat was. Ik zat nog niet zo lang een stel oude Alexxen te lezen (jaren 70-80 stripboek van Jacques Martin over het Rome uit Julius Ceasars tijd) en ergerde me mateloos aan de dialogen, de manier van tekenen, noem maar op. Vroeger had het verhaal me geabsorbeerd, nu zag ik alle fouten in het scenario, alle bullshit die ik toen slikte. Dat Ceasar en co de nobele helden waren en zo. Valt dat achteraf even tegen. Maar ik zag het wel, hoor, die prachtige achtergronden, die pogingen om een tijd en wereld te verbeelden die we niet meer kenden, dat was iets dat me toen al trok en nog steeds kan bekoren. En plotseling zat ik daar, echt heel diep in het avontuur, volkomen overgeleverd zoals vroeger. De wereld gesloten in het nu, de spanning en het geloof geheel terug. Alsof ik veertien was, of acht. Leven door de stem en tekening van een ander. Zo had ik ‘Duel in de diepte’ ook bekeken. Misschien zou ik het bij herkijken ook weer terugvinden. Misschien.

Uiteindelijk blijf ik nog met deze vraag zitten: in welke serie uit de jaren 70, 80 werd er een hoofdrol gespeeld door iemand die Kaaskop werd genoemd, ik geloof in het Engels, die aan het einde verzoop? Een prachtig beeld van iemand die in de blauwe diepte zonk, luchtbelletjes achterlatend. En was het wel een serie?




*Neerlanda
Verkenningen in het moeras van herinneringen dat bepaalde generaties Nederlanders met elkaar verbindt, of we willen of niet. De eigenaardige, onwerkelijke karakters, voorvallen, gewoontes, gebruiken, en programma's die door de zeef van ons geheugen dreigen te vallen of dat al hebben gedaan. Een speurtocht naar wat authentiek Nederlands is, maar nooit algemeen of doorsnee was. De sneeuwvlokjes of flinters stront met een afwijkende kleur en vorm die een bijna niet te vinden afdruk in onze beleveniswereld hebben achtergelaten

donderdag 4 oktober 2012

titelloos (inktvisarmen ontloken)


het bed wacht tot de regen uitgebabbeld is
wolken woonarken op drift drijven luchten voorbij
over in traag vlammend achterland ontzet
dat niemand eraan denkt dat wij hier
vrijend liggen wij hier.

Gisteren begon de avond met een dans
zonder enig idee waar dat dansen toe mocht leiden.
Natuurlijk wierp de alcohol ons de vraag op
die lippen in elkaar deed slippen
dragend over rabarber landerijen, talend naar kaal genot.
Zo kwam het dat onze lichamen als inktvisarmen ontloken
waarna woorden druppel voor druppel voldaan klonken.

En zie het ochtendland omgeven door oceaanschuim
onaantastbaar voor ieder ander liggen we wrak, gekanteld
dreggend naar de laatste schatten van de fiere oceaan
geborgen in de spelonken van onze kieuwen.

Strange love
illustratie M. Ozymantra


Dit gedicht is onderdeel van de te verschijnen bundel "Sterrenplantsoen". Andere gedichten uit de bundel zijn hier reeds gepresenteerd onder de titel 'Tot het dal gekeerd'. In de bundel zelf worden geen titels gebruikt.

vrijdag 28 september 2012

Secret of creation


Olieverf op canvas
2011
50 x 100 cm

Al vanaf dat ik begon met schilderen heb ik een fascinatie met de materie en het directe van verf. De ware sensatie van schilderen ligt voor mij eerder daarin dan in het creëren van illusies. Ik zoek de hele tijd naar een manier om de inhoud van wat ik schilder tot uitdrukking te brengen in de manier waarop ik schilder. Zo vertelt de verf net zoveel over wat er gebeurt als het afgebeelde.

In dit schilderij heb ik gekozen voor een ongewoon formaat. Soms is dat omdat ik nog wat doek over heb, maar altijd is het omdat ik er plezier aan heb. Ik had tenslotte van dit stuk canvas ook meerdere kleine doekjes kunnen maken. In een eerder schilderij, The big pink, benaderde ik mijn onderwerp op eenzelfde manier. Een kijkje door een uit monumentale verfstreken opgebouwde laag van groen, maar een verscholen wereld. Wat er precies gebeurt is niet meer te achterhalen voor de toeschouwer. Het is in een dunne, precieze, bijna grafische manier geschilderd. De roze tonen suggereren iets van vlees of leven, de blauwen vormen daarmee een contrast. Het fijne priegelwerk daarop suggereert verschillende substanties. Het koud-warm contrast tussen de kleuren verhevigd de intensiteit alleen maar. De onmiddellijkheid van het groen en het doorgewerkte van de onderlaag verhevigd de spanning.

woensdag 26 september 2012

Het Stedelijk Museum – Tussen ambitie en praktijk


Niet veel mensen weten dat ik een jaartje suppoost ben geweest bij het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het was één van mijn eerste baantjes nadat ik school had verlaten en heeft mijn liefde voor het gebouw en zijn kunst vergroot. Zo ben ik dankzij de overzichtstentoonstelling liefhebber van Arnulf Rainer geworden .. Na driehonderdduizend keer langs hetzelfde werk lopen kan iets echt onder je huid gaan zitten. Of het valt op hoe vreselijk en saai het is, of het tegengestelde. Daarom was de heropening van het Stedelijk voor mij gevuld met veel herinneringen en verwachtingen. Een museum voor zo lang sluiten, iets wat overigens maakte dat ik bijzonder vaak in het Haags Gemeentemuseum ben geweest, moet dan toch echt voor een goede reden zijn geweest. Wat de redenen voor de vertraging ook mogen zijn geweest. Al konden we dan een tijdje terecht in de prachtige locatie bij het Centraal Station.

Dit stuk gaat in ieder geval niet of nauwelijks over de geëxposeerde kunst. Tenslotte is smaak persoonlijk en bovendien hingen veel van de nu getoonde werken er ook voor de sluiting. Mensen die de kunst van het Stedelijk toen mooi of interessant vonden zullen niet teleurgesteld zijn. Waar het om gaat is die enorme badkuip waar zoveel over te doen was. Is het een toevoeging, is het een versterking, was het de moeite waard, of toch niet?

Hoewel de badkuip een prachtige vorm heeft en mooi met het oude gebouw is verbonden, krijgt het niet de ruimte op het Museumplein dat het nodig heeft. De Albert Heijn verbergt de ingang, vlak achter trekt de nieuwbouw van het Van Gogh erg veel aandacht, daarachter het Rijksmuseum en om de één of andere reden hebben ze de sculptuur van Richard Serra zo gezet dat deze bijna de punt van de kuip raakt, waardoor de ruimte nog meer wordt ingekrompen. Beetje claustrofoob zou zich behoorlijk ongemakkelijk kunnen voelen tussen zoveel ongelijksoortige bouwsels en indrukken. Het is goed te zien hoezeer Amsterdam eigenlijk te klein is voor dit soort initiatieven. In Parijs of Berlijn zou er aanzienlijk meer ademruimte zijn. Nu lijkt het de muur van een negentiende-eeuwse salon die helemaal dicht is geplamuurd met schilderijen.




Er stond een rij en dat was begrijpelijk. Ze moesten een beetje grip houden op het bezoekersaantal en bij de meeste grote musea zou er zodoende een rij staan. Natuurlijk is de gemiddelde Amsterdamse museumbezoeker daar niet van gediend. Regelmatig liep er iemand uit de rij om te vragen of het misschien anders kon, wat er aan de hand was, of er geen uitzondering kon worden gemaakt. Tja, bij Musee d’Orsay of Tate Gallery sta je ook rustig te wachten. Helaas bleek er meer aan de hand. Er zijn maar vier deuren, waarvan twee draaideuren, waarvan één in gebruik. Daarachter was het al stampvol en stond men haaks op de ingang te wachten voor een kaartje. Er is jammer genoeg geen aparte ingang voor Museumkaarthouders zoals bij het Van Gogh, of een machine zoals bij de Hermitage. Eenmaal het kaartje moest ik me door de wachtende rijen worstelen om bij het toegangspoortje te komen. Natuurlijk heb je daar minder last van op gewone dagen, maar toch strijdt het enigszins met de zelf uitgeroepen ambitie om een topmuseum te zijn. Dat zou niet alleen moeten worden afgemeten aan de hand van de kwaliteit van de kunst, maar schept ook de verwachting van een gestage grote en groeiende hoeveelheid bezoekers. Zeker bij blockbusters zal dit het museum opbreken en vragen over professionaliteit doen opwerpen. Even een leuke pluspunt: je kan OOK met een 2 euromunt de locker gebruiken. En die winkel is geweldig! Veel moeilijk te vinden boeken over kunst, filosofie en dan ook nog boeken gevuld met kunst! En je kan hem betreden zonder een kaartje te hoeven kopen. Daar zal je me vaak zien.

Het leek logisch leek om direct na het poortje, dat moeilijk openging omdat het kaartje eerst niet, en niet alleen bij mij, werd gelezen, door te lopen. Naar de Donald Judd en het portret van de koningin door Luc Tuymans. Maar, dwars als altijd, wilde ik eerst die badkuip van binnen bekijken. Dat bleek lastiger dan misschien nodig. Tussen de kaartjesverkoop en het restaurant, een trap naar beneden, langs de bekende bloemen van Warhol. Van daar de zo vaak genoemde roltrap waar menigeen van onder de indruk is. Eerste even beneden. Een expositieruimte in drieën verdeeld in het midden waar een brede gang om heen loopt. Als geheel indrukwekkend, maar de kunstwerken erin hebben zeker ruimte nodig. De gang is vol geplakt met enorme bijna onleesbare teksten van Barbara Kruger, bij nadere beschouwing citaten van bijvoorbeeld Barthes en Orwell. Ik hoorde een tiener tegen haar vriendin zeggen: vet cool, man, en dacht ook zoiets, maar dan anders. Het Stedelijk is daar altijd goed in, dat monumentale bijna megalomane formele. Je krijgt het gevoel in een kunstwerk te staan dat volledig boven je uitstijgt waardoor er een prettige desoriëntatie ontstaat. Dat de tekst nauwelijks was te lezen deed er aldus weinig toe. Dat het indruk maakt op tieners spreekt voor zich. Kunst voor de massa? Bijna. Zo overweldigend als een billboard.

Op de achtergrond het portret van de koningin door Luc Tuymans. 
Prachtig, maar ze kijkt nogal vreemd van ons weg.





Ik maakte me zorgen. Was dit waarvoor ik acht jaar had gewacht? Een enorme ruimte waar bijna niks in stond of gebeurde, met kunst die me nauwelijks echt raakte? Maar dat is smaak. Er zijn er vast genoeg die er helemaal opgewonden van worden. Ik vond bijvoorbeeld de Sigmar Polke monochromen geweldig. Maar toch, erg veel ruimte, ja, voor erg weinig. Ik kreeg niet het gevoel dat ze hier iets van hun opslag hadden neergezet. Dit leken allemaal aankopen van de laatste paar jaar. Eindelijk was het tijd voor de fameuze roltrap. Inderdaad een prettige ervaring, maar niet meer dan dat. De roltrap aan het Pompidou doet ook altijd weer iets nieuws en dan heb je het uitzicht over Parijs. Misschien niet zo subliem in zichzelf gekeerd als deze trap, misschien wat romantisch en sentimenteel, zelfs als ze er kunstwerken aan verbinden, maar toch.


De badkuip zelf bestaat blijkbaar uit twee verdiepingen die ruim van opzet zijn, met veelal nieuw werk. Ik liep er uiteindelijk enigszins teleurgesteld uit. Wat zo massief aan de buitenkant leek, bleek heel normaal van binnen. Nou is het dat ik van normale museummuren houd, wit en vierkant, dus zo teleurgesteld was ik niet. Maar was daar die badkuipvorm voor nodig? Een moment werd er echt gebruik gemaakt van de vorm, bij een kunstwerk van Suchan Kinoshita. Het is te hopen dat dit vaker gebeurt. Vandaar uit was ik al snel in het oude gebouw, met al die oude vertrouwde vrienden. Barnett Newman en Robert Ryman, maar langzaamaan ook andere, onbekendere Stedelijkbewoners. Een prachtige Daan Golden, een bijzonder ding van Cosima von Bonan. Weer een restaurant. Weer een restaurant? Waarom twee restaurants? Zo groot is de plek toch niet? De meest prettige verrassing was beneden bij de ingang. Breitner, die hier hoort, maar die ik nooit eerder hier had gezien. Een prachtige ruimte vol met Cobra, mooi overgaand via Jorn naar Dubuffet en mijn favoriet van Matta en nog meer. Heerlijk om Cobra zo bij elkaar te zien. Een goed eerbetoon en overduidelijk nog een vitale kunststroming. Als dit het gevolg is van de uitbreiding dan ben ik fan. Laat die megalomane objecten en dingen daar maar staan. Geef  hier ruimte aan de oude modernistische meesters! Degene die nog echte barrières moesten breken.


Constant Nieuwenhuis - Een held van me, en dit werkje
 is ook nog eens heel bijzonder, fragiel en schoon!


Was het de acht jaar wachten waard? Heb ik gewacht? Natuurlijk niet echt, maar ik miste mijn wekelijkse dosis kunst. Er zat me wel iets anders dwars. Het oude gebouw had een andere ingang en je merkt dat de looprichting daardoor nogal verwarrend en onoverzichtelijk is. De bekende trap waar ik ooit Harry Mulisch op heb zien stijgen, na achter zijn terloops met een grande gebaar afgeworpen jas te springen, is  grotendeels functieloos. De ruimtes op de helft zijn verdwenen, de statigheid is ontnomen. Misschien nog een kleine operatie in het mortel en dat bijstellen? En misschien die design eindelijk eens afstoten? Het heeft behoefte aan een eigen museum en ik heb weinig behoefte aan design in een kunstmuseum, hoe aantrekkelijk het ook is. Want juist die aantrekkelijkheid stoot me af. Kunst hoort meer te wringen dan te bekoren. Het heeft geen nut en is juist daarom zo belangrijk. En Grayson Perry hoort niet bij design. Punt.

Waar ik nog op hoop, en dat is onder mijn andere pet als kunstschilder, dat het Stedelijk weer wat meer gaat fungeren als registrator van de Amsterdamse kunstwereld, zoals de door henzelf zo vereerde Sandberg deed. Dus niet alleen kijken op kunst- en Rijksacademies, maar verder, dieper in de krochten, zodat iedereen een gelijke kans heeft.

Het is natuurlijk makkelijk achteraf met kritiek te komen. Uiteindelijk ben ik zeer blij dat de tent weer open is en wen ik ook wel aan de nieuwigheid en zijn beperkingen. Het Stedelijk is te lang dicht geweest om er niet licht euforisch over te zijn. Misschien is de uitgelatenheid van rond de opening wat overdreven. Het is namelijk een beetje als de terugkomst van een goede oude vriend die een nieuw huis heeft gekocht waarvan de bel het niet goed doet en waar alles, meubels en inwoners, nog zijn plaats moet vinden.

Ik liep per ongeluk binnen bij het omwisselen van de band. 
De ruimte was zonder projectie ook boeiend.

 Sigmar Polke - Heb ik ooit een overzichtstentoonstelling van gezien
 in Hamburg, maar niet genoeg waarde aan gehecht. Prettige, luchtige kunstenaar



Suchan Kinoshita - Suchkino (2012)
De enige plek waar gebruik wordt gemaakt van de vorm van de badkuip. 
Of is dat zo?


Doorkijkjes.

Cosima von Bonin - When ardour is replaced by ennui (2006)

Een hele oude vriend: Jeff Koons

Megalomaan, monumentaal, formeel.

Naar de oude trap.

Nog een restaurant?

Een rijtje voor The beanery.
Zelfs een museumkaart geeft hier geen voorrang!


Een prachtige nieuwe vriend: Daan van Golden.



Boeddha in reflectieve bui, Nam June Paik, vriend :)

Simone Forti - Angel (1975-1977)
Geweldig ding, nieuwe aankoop. 
Blijft de vraag waarom we niet vaker zulke kunst zien.
Een klein jongetje was zo blij toen ik liet zien
 dat het te fotograferen is :)


Natuurlijk vergeet ik weer dat een filmpje niet zo makkelijk is recht te zetten als een foto.


Ye goode aulde Lucio Fontana.

Akira Kanayama - Ballon (1957)

Kinderlijk flauwe poging tot punk-kunst van Erik van Lieshout.
Pim Fortuijn dissen in het Stedelijk Museum. Beetje dubbelop.
Kan hij beter opsturen naar geenstijl.nl.
Daar zou het effect hebben. Had qua aankoop niet gehoeven.

Paul Mccarthy die zich weer eens kunstelijk vermaakt. En ons ook.

 Goed, ik heb niks op met design in het Stedelijk, maar 
dit pikte mijn oog toch en, tja, is bijzonder. 
Kon alleen niet de naam van de maker vinden.

 Het is zeker bijzonder om buiten het originele museum binnen te zitten.