maandag 31 januari 2011

De groep - deel 8

Nog voor dat ik interesse kreeg in kunst, nog in de tijd dat ik meestal optrok met maar één vriend, gingen die vriend en ik een tijdschriftje maken en ontmoette ik zo heel veel nieuwe mensen. Het leek wel een groep om toe te behoren. In het begin plaatsten we alleen werk van ons en enkele schoolgenoten, waaronder een leraar, maar bij het tweede nummer kwamen we in contact met een ander blad waar we tekenaars van stolen. Ik kreeg een half bierviltje binnen van een jonge tekenaar met de simpele boodschap ‘Ik wil een strip voor jullie tekenen’ of iets van die strekking.

De redacteur van dat andere blaadje was zo vreselijk enthousiast over ons initiatief (de meeste van zijn tekenaars waren slechter dan de onze, als dat al mogelijk was) dat hij een fusie voorstelde. Dat leek ons geen slecht idee, maar het leek toch een nog beter idee als we de krenten uit de pap haalden en de rest lieten zitten. Helaas verplichtten we ons ook hem te publiceren en helaas kon hij tekenen noch schrijven. Nou ja, jong en enthousiast was hij, dus op een dag zou dat wel goed komen. Mijn vriend en collega-redacteur was er ook niet geheel van overtuigd te kunnen schrijven of tekenen. Het was meer het enthousiasme en de liefde voor strip die ons dreef. Hadden we dan voor niks het motto ‘Alles mag, alles kan’?

Ik zat uren aan de telefoon; pratend, smekend, argumenterend, biechtend, lachend, veroordelend. Gelukkig hoefde ik die gesprekken nooit te betalen. Mijn moeder deed dat. Die telefoonhoorn zat permanent vast en ik denk dat er geen betere vriend was. Het is niet alsof ik begreep wie die ander was, maar iets of iemand reageerde op mijn woorden en deed in ieder geval alsof wat ik zei er toe deed. We waren virtuele vrienden voor internet zo sociaal werd. Toen ik enkele kon bezoeken, vooral dankzij Pim Fortuin’s uitvinding de OV-jaarkaart voor studenten, was het altijd een bijzondere gelegenheid. Niemand zag er uit zoals door de telefoon beleeft en de meeste vielen toch enigszins door de mand. Wat ons bond was het blad en een liefde voor strips, een nood om ons te ontwikkelen en te presenteren. Wat mij afsneed was een behoefte aan grotere complexiteit en fijnzinnigheid, een zicht op de eeuwigheid en de totale vrijheid. Met de mederedacteur en de biervilttekenaar ben ik nog steeds bevriend.

zondag 30 januari 2011

De groep - deel 7

In de tijd dat ik nauwelijks enig contact had met anderen en bovendien zocht naar mijn plaats in het leven gingen allerlei historische figuren een steeds belangrijkere rol spelen. De kunstenaars, striptekenaars, muzikanten, schrijvers en dichters die ik het meest bewonderde werden de lat waar ik mijn moraal en aspiratie tegen legde. Het werd de groep waar ik meer en meer toe ging behoren. Mijn gezelschap was niet geplaatst in het heden, maar in de tijd. Ik wist dat ik er alles aan zou doen om een plaats tussen hen in te nemen. Dit klinkt overmatig pretentieus en overmoedig, maar ik zag het eerder als het bescheiden verlangen ergens toe te behoren.

Het grappige aan mensen die je enkel door hun werk kent is dat je geen dialoog met ze kunt aangaan. Zij vertellen, jij luistert en denkt erover na. Vervolgens ging ik ze imiteren in de hoop een eigen ding te maken waardoor me bij hen kon scharen. Ik ging er vanuit dat ze me zouden accepteren. Je leert ze steeds beter kennen en daardoor worden ze menselijker, echter en de tijd waarin ze leefden wordt dat ook. Waar ik vroeger dacht dat ze zo magisch tot de wereld kwamen als tot mij zie ik nu de hand van de poortwachters rond hen. De paladijnen aan de poort van eeuwigheid. De bewonderaars en de kleine oplichters, de kenners en de hoge neuzen. Geen was verder gekomen als niet één van hen had gezegd: Ja, jou wil ik, jij bent uitgenodigd voor het grote banket.

De kennis dat veel van hen hebben moeten schreeuwen, smeken en slijmen om maar een picogram van hun werk aan de wereld te mogen laten zien, mensen wiens serene en onwereldse indruk nu nog kleeft aan de binnenkant van mijn schedel, heeft mij doen schrikken, maar niet afgeschrokken. Het beeld van een William Blake die achter zijn rug werd uitgelachen is mij altijd bijgebleven. Triest hoe iemand met zoveel overtuiging, zoveel ernst en urgentie, nauwelijks serieus werd genomen. Hij was niet modieus genoeg, kunnen we nu zeggen. De meeste mensen zullen denken aan Van Gogh als ik zoiets vertel, maar die boeide me vroeger niet. Nu ik zijn brieven lees rijzen de haren op mijn rug. Wat een lef, wat een onwerelds doorzettingsvermogen en wat een kansloos pogen. Gelukkig dat de meeste kunstenaars het uiteindelijk recht breien en hun leven ook met kind en rijkdom kunnen delen, misschien ondanks hun aard.

De groep - deel 6

Mijn vrienden

Zwevende emblemen van macht in elektrische lucht
zwaaiend bij het voorbijgaan, een knipoog van vertrouwen
op weg naar doelen ver van hier, verborgen
Lang wachten en dan thee in de nacht van een houten huis

Ongekozen zijn ze komen aanwaaien
op een koude dag, met dauw op de wenkbrauwen
hinkelend langs tegelrand met tekenmap onder de arm
een grap of kaart vol schatten in de hand

Wij hebben een bouwtekening van herinnering
honingraat vol efemere werkbijen
om op te teren, om van te leren, om opnieuw te beleven
telkens weer rollen de woorden een rood tapijt

Zij hebben ieder een kring van vertrouwelingen
geschapen in het vuur van gezelligheid
Waarlijk, we zouden elkaar vaker moeten zien
al vliegen we evengoed weer door naar de ongebonden einder

The frenz - Marcel Ozymantra

De groep - deel 5

De vrienden waar ik tot nu het langst mee optrek zijn ook allemaal eenlingen. We zien naar elkaar toe wanneer we de behoefte hebben de banden weer aan te versterken, maar soms zien we elkaar een jaar niet. Er was een tijd dat dit anders was, toen we als smeden druk het metaal van vriendschap sloegen toen het heet was, maar het eigen leven riep en we dwaalden verder langs dat wat je ook het lot kan noemen. Het is niet dat ik niet van ze houd, het is meer dat er nog zoveel mensen te ontmoeten zijn, zoveel dingen te doen zijn, maar ook zoveel rust en afzondering te verlangen is. Het leven van een kunstenaar kan heel druk zijn met mensen, maar wanneer we kunst maken is afzondering een heerlijk gegeven. Zijn wij een groep?

Om daar een soort van antwoord op te geven zouden we een groep moeten definiëren. Eerlijk gezegd heb ik nooit boeken gelezen over groepsgedrag. Alles dat ik ervan weet ken ik van tv, uit de populaire en minder populaire cultuur en van observatie. Mensen die iets delen en zich tot op zekere hoogte gelijk gedragen mogen waarschijnlijk een groep worden genoemd. Vaak is dat delen enkel een beroep, vaak is het een taal of geloof (wat is geloof, oh wat is dat en is het enkel aan een god verbonden?), vaak zijn het gebruiken of een gemeenschappelijk verleden. Dat kan je positieve eigenschappen kunt noemen. De zogenaamde negatieve eigenschappen zijn waarschijnlijk dat groepen een afgesloten geheel vormen, buitenstaanders buiten houden en een gemeenschappelijke wil opleggen aan de minderheid binnen de groep of dat in ieder geval proberen.

Ik heb een tijdje gedroomd dat mijn ‘groep’ enkel de positieve eigenschappen zou bezitten, want dat was waar het mij om ging. Ik wilde me graag bij anderen aansluiten, maar niet gedwongen worden deel te nemen aan de negatieve kanten van het groepszijn. Ach, dan blijkt de een de ander niet zo te mogen, de ander specifieke ideeën over dit of dat te hebben, hij daar je vaker te willen zien dan jij hem en zij vind dat bepaalde gedrag niet kan. Gelukkig is er geen dresscode, denk ik dan. Het is ook nooit goed, zullen sommige zeggen, maar mijn vrijheid is een groot goed en gelukkig zijn er mensen om dat mee te delen. Of dat een groep maakt is natuurlijk nog maar de vraag.

maandag 24 januari 2011

De groep - deel 4

Onlangs vroeg ik me iets af over bepaalde opvattingen en gedachten die ik al een tijd koesterde over mijn leven. Vaak denk ik dat mijn leven niet altijd even te gek is geweest en dat ik daar langzaam aan ben ontkomen. Ik realiseerde me plots dat tot de scheiding van mijn ouders het geluk niet op kon. Ik was misschien een enigszins overgevoelig kind, maar nam wel altijd overal deel aan. Op een feestje mocht ik vaak in het middelpunt staan en deed dan ook, op school speelde ik in de musical, in de straat had ik een hele troep vrienden waarmee we van alles deden. Weinig echt kattenkwaad, maar wel de leukste spelletjes zoals riddertje en voetballen. Ik had nooit één vriend, maar altijd een hele tros. Met mijn neef kon ik het zeer goed vinden, maar de hele wereld was een uitdaging voor mijn enthousiasme. Het ging op school eigenlijk ook prima.

Na de scheiding, die zo rond mijn tiende of elfde plaatsvond, heb ik mij uitzonderlijk teruggetrokken en had meestal maar één vriend. Ik werd jaloers op mijn neef omdat hij er zoveel had en op school ging het geheel niet goed. Deze periode heeft een enorme indruk op me gemaakt en deed die gelukkige tijd zo’n beetje geheel uit het geheugen verdwijnen. De puberteit was dus geen fun. No fun, to be alone, no fun on my own, was mijn liedje in die dagen. Het was ook nog eens de tijd van de crisis en ik verwachtte later als baan werkeloos te worden. Het was in die tijd dat ik het gevoel had dat er iets mis was met de wereld en dat ik er iets aan zou moeten doen. Uiteraard was er iets grondig mis met mij.

Het was pas later, zo rond mijn twintigste, toen ik samen met een vriend een stripblaadje oprichtte, dat ik langzaam weer bij de mensheid kwam. Ik belde wat af, bezocht tekenaars en scenaristen en we organiseerden zelfs bijeenkomsten. Allemaal pukkelende jongens met een uit de hand gelopen hobby en veel hoop. Toen ik op de lerarenopleiding tekenen ging dwaalde het af naar de kunst, een heerlijk vakgebied voor solovliegers, maar ook in die tijd was ik bezig om bij de groep te komen, om ergens bij te horen, om een aansluiting te vinden. Een vriend van me vroeg waarom ik daar zo mee bezig was. Maar hij had veel vrienden.

Wordt vervolgd

zondag 23 januari 2011

De groep - deel 3

Daar zit ik dan, op mijn fiets en pas 40, op weg naar een plek waar ik al bijna 19 jaar kom. Een plek vol kinderen zoals ik, iedereen verlangend naar seks, dansen en vluchten. En anderen zoals ik die nog iets van het verleden proberen terug te vinden? Ik twijfelde heel erg. Ik was moe, het was laat en koud. Zoals vroeger was het niet meer, toen ik een week niet door kon komen zonder in het uitgaansleven te duiken. De behaaglijkheid van het thuis weegt al een tijdje zwaarder dan de behoefte aan een liederlijk leven. Ik wist echt niet of ze mijn muziek zouden draaien en het mijn Korsakoff was.

Bij binnenkomst was ik onmiddellijk gerustgesteld. Ik hoorde The Killers of iets anders dat misschien wel commercieel is, maar in ieder geval binnen mijn smaak valt. Het bier was wel veranderd, Budel in plaats van Leeuw, maar de barlui niet. Althans, één anders en de rest hetzelfde, maar allen met dezelfde blik van verveling gemengd met alertheid, zo eigen aan barmensen. Wat dat betreft is het nooit leuk te werken als anderen plezier hebben.

Wat in de eerste plaats opviel was dat er een speaker half op de dansvloer stond die het moeilijk maakte om je daar in de hoek te verbergen. Zoals gewoonlijk observeerde ik eerst. Het is prettig om te kijken naar mensen die zich vermaken en ik voel me bovendien ook een beetje geremd in de aanwezigheid van zo’n groep. Een biertje of twee doet wonderen. Het viel op dat de groep onsamenhangend was. Niemand voelde zich blijkbaar echt op zijn plaats. Dat is ook niet gek als een formule wordt vervangen en de vaste gasten afwezig raken. Zij zijn degene die voor samenhang horen te zorgen.

Toen begon het dansen, het volgen van de muziek. Eerst aarzelend, met kleine stapjes en bewegingen, maar allengs nadrukkelijker en uitdagender. Zo’n dans is een herinterpretatie van muziek in beweging en een show voor toeschouwers, maar ook een meditatie op de vleselijke kant van het leven. Deze dans begint dan ook bij jezelf, daar waar je alleen bent en naarmate je langer danst en meer terloopse contacten maakt met de anderen dans je steeds meer met elkaar, al blijf je solo zoals de moderne mens doet. Toch ben je op een gegeven moment één met de groep, zonder praten, zonder oordelen, zonder schaamte.

Wordt vervolgd.

De groep - deel 2

Sinds ik in Amsterdam woon ga ik al naar de Korsakoff, een danstent op de Lijnbaansgracht. Er wordt voornamelijk harde muziek gedraaid: Gothic & Hardrock. Ik zal u niet met titels en namen vervelen. De eerste keer dat ik er heen ging was ergens in 1991 of zo en sindsdien ben ik er af en aan regelmatig langs gegaan. Sommige periodes 3 keer per week, andere tijden eens in de vier maanden.

Wat me, afgezien van de muziek, altijd goed is bevallen is dat ze er nauwelijks toelatingsbeleid hebben en dat je als eenling makkelijk met de schaduwen kan versmelten. Niemand kijkt je erop aan als je niemand behalve de barman aanspreekt en dat laatste zelfs enkel door een vinger op te steken en naar het kratje Leeuwbier te wijzen. Een vriend van me die zich toentertijd zo’n beetje anti-alternatief kleedde, sportjack, golvend blond haar, modieuze jeans, kwam altijd zonder enig probleem binnen. Iedereen was welkom in deze prettige hel van de verstotene. Dat heb ik wel eens anders meegemaakt in de mainstream plekken.

Al een tijdje heeft de Kors, zoals wij het liefkozend noemen, de koers gewijzigd en meestal als ik langs kom is het een teleurstelling te zien dat er een jaren 90 trancefeestje is. Niet dat ik iets tegen die muziek heb, maar daarvoor ga ik niet naar de Kors. Ook niet voor de ultraviolette belichting die elk stofje en vlokje op mijn zwarte kleding heftig op doet lichten. U kan zich misschien voorstellen dat ik enigszins onzeker was toen ik een recente zaterdag geleden besloot mijn geluk te beproeven. Ik wilde dansen en ik wilde dansen op mijn soort muziek, met de vrijheid die mij eigen is op een dansvloer waar ieder ander ook zo doet.

Op de fiets gingen herinneringen door me heen van vele jaren zo laat op de fiets springen en het toeval uitdagen. Soms in de hoop en verwachting een potje te dansen, soms in de hoop een meisje te ontmoeten. Eigenlijk nooit om een vriend te ontmoeten. Zoveel is er in mijn leven al veranderd, maar sommige zaken zijn altijd hetzelfde gebleven. Een van die dingen was de Korsakoff. Altijd klaagde iedereen dat die plek nooit veranderde, maar voor mij was dit een zegen. Hier hield ik een ketting van ervaringen in het leven. Hier zag ik de onveranderlijkheid van de mens.

Wordt vervolgd.

woensdag 19 januari 2011

De groep - deel 1

Tijdens het wereldkampioenschap voetbal volgde ik de wedstrijden zoals gewoonlijk alleen in mijn kamer. Ik had nooit tijd of zin om me bij een grotere groep te volgen. Als zo’n wedstrijd aanstond en ik was thuis kon ik nog wat anders doen dan naar dat groene scherm te kijken. Iets nuttigs, zei ik met een glimlach. Zet het geluid hard genoeg aan en het wordt een soort radioverslag waarbij je de plaatjes kan bekijken als het zo uitkomt. Meestal bij luid gegil. Toch, naarmate het spannender werd, voelde ik me genoodzaakt eens gezelschap op te zoeken. Soms verhoogt dat het plezier ook, dat delen van de ervaring. Je kan je buurman even aanstoten en een opmerking maken over dat schot, of die redding of zoiets en dan een biertje klinken op het succes/verlies. Het is tenslotte maar voetbal.

Enfin, voor de wedstrijd Nederland – Spanje besloot ik naar een nabij gelegen barrestaurant te gaan waar ze een groot scherm zouden hebben. Ik had wel eens eerder een wedstrijd in een kroeg meegemaakt, dat was… iets tegen Frankrijk en het zat vol met Marokkanen die allen juichten voor Zidane. Dat was een grappige en aandoenlijke bedoening. Beetje buitenland in het binnenland met een biertje. Ik kon er op mijn gemak anoniem tussen zitten. Hoe anders was het met deze wedstrijd tegen Portugal. Ik droeg geen oranje, mijn haar zat apart en ik had een soort van baardje, bovendien kende ik niemand. Normaal gesproken (als ik uitga of zo) is er niemand die me dit soort zaken verwijt, maar hier kreeg ik al snel blikken toegeworpen die toch niet mis te verstaan waren: wie is die mafketel? Of misschien dachten ze dat ik een Portugees was.

Ik probeerde met net zoveel enthousiasme te juichen, met net zoveel interesse te praten, maar die blikken bleven maar komen. Iedereen zat in groepjes bij elkaar en mengde nauwelijks. Blijkbaar werd het Nederlandse elftal gesteund door allerlei belangenverenigingen. Bovendien, als er gescoord werd of net niet of er was een vuile overtreding (van de ander) dan ontplofte de tent in een gigantisch orgastisch gebrul dat weinig aantrekkelijk was. eerlijk gezegd kwam het op mij, iemand met een zijdelingse interesse, gewoonweg gewelddadig over. Ik voelde volkomen ontheemd tussen mijn landgenoten. In de pauze was iedereen hyper en niemand luisterde echt naar de verschillende analyses die ze zelf maakten. Ik voelde een oprechte angst in deze groep zich te ontspannen. Mijn toch lankmoedige liefde voor voetbal was gesmoord.

Wordt vervolgd.

vrijdag 14 januari 2011

Portretschilderen

Sinds vorig jaar schilder ik portretten. Ik moet eigenlijk zeggen: weer. Op school tekenden we veel portret en een jaar of wat na school schilderde ik er vijf . Drie van vrienden, één van mijn moeder en één van mijn vader. Op school tekende ik, maar aangezien schilderen een soort van lust voor leven werd leek het vanzelfsprekend dat ik, eenmaal op eigen voeten, mijn portretten zou schilderen met olieverf. Olieverf, de moeilijkste en mooiste, de koninklijke, etc. van alle verven. Nou ja, ik vind het lekker spul. Ermee werken kost misschien meer tijd dan met die andere verven, maar dat geeft me dan ook de tijd om na te denken of met iets anders bezig te zijn. Niet zo haasten, meneer Ozymantra! laat het leven richting en ritme krijgen aan de hand van de langzame droger!

Natuurlijk worden er al eeuwen portretten gemaakt en ongetwijfeld zeer vaak door mensen met aanzienlijk meer talent dan ik , maar juist dat geeft iets prettigs. Het is tegelijk rustgevend, want je hoeft niet perse het wiel opnieuw uit te vinden en het is een uitdaging, want er valt altijd wel iets van eigen hand, eigen geest, eigen inventiviteit of inspiratie toe te voegen. Er gaan veel verhaaltjes over portrettekenen rond. Onder andere en vooral dat de schilder de ziel of het hart van de geschilderde in een schilderij verwerkt. Of zoiets mogelijk is lijkt mij vooral te liggen aan iemands spirituele instelling. In deze materialistische wereld blijft er op het doek niets anders dan verf, dan een manmoedige poging iets van een persoon te vangen. Zelfs dat zal door velen gezien worden als een illusie. Tenslotte is er niks anders dan techniek en materie. De schilder is magiër noch bemiddelaar tussen het hogere en ons aardlingen. Verf is verf en er bestaat geen ziel om te vangen. De persoonlijkheid is tenslotte niets anders dan illusie.

Maar, eerlijk gezegd, is het schilderen van mijn modellen een ongewoon plezier omdat het leuke, gezellige en intelligente mensen zijn en omdat het prettig is te socialiseren tijdens werk. Wij schilders leven tenslotte een behoorlijk solitair leven. De meeste tijd brengen we door achter onze ezel, met een leeg doek, denkend over wat de volgende kwaststreek gaat worden, de volgende kleur, de volgende afbeelding. Wij bewandelen een smal pad tussen de investering van onze ziel en zaligheid in het volgende kunstwerk en de totale overgave van de materie aan de materie van het geld.

zondag 9 januari 2011

Schijnheilig

Schijnen als een heilige. De schijn van heiligheid. Schijnheilig. De naam van iemand die doet alsof hij iets anders is, maar nog eerder van iemand die doet alsof hij beter is dan de ander. Het is een woord waar je liever niet aan wordt gekoppeld, maar hoeveel onder ons zullen zo nu en dan zo’n momentje hebben gekend dat ze zich beter voordeden? Misschien is schijnheiligheid erger dan dat. Misschien gaat het om het stelen van een stukje goddelijkheid en haalt het zodoende God naar beneden. Misschien is er sprake van een soort blasfemie die onze gelovige medemens niet kan toestaan. De mens meet zich de maat van God aan. Wie zei dat ook alweer, ik ben een god in het diepst van mijn gedachten? Graag ziet de moderne Nederlander zich zo: als een God van binnen en een lijdend voorwerp van de echte wereld. Die echte wereld is dan ook de duivel en het innerlijk is maar al te perfect. Zie hiervoor ook dit alleraardigst interview afgelopen zondag 10 januari met Paul Schnabel. Misschien moeten deze moderne Nederlanders de hand ineen slaan en tezamen het woord Schijnheilig teniet verklaren of op zijn minst een papiertje ondertekenen waarin het ontdaan wordt van allerlei negatieve connotaties. Want als iedereen dezelfde ‘kwaliteit’ deelt kan men deze dan nog als ‘slecht’ zien?

Natuurlijk is Schijnheilig ook een leuk kraakpand op de Passeerdersgracht te Amsterdam, waar ik zaterdagavond een gezellige avond heb mogen doorbrengen. Het was als vanouds, zullen we maar zeggen, jaren 80 & 90 achtig. Dat zie je niet meer zo vaak. Lekker rommelig met veel mensen in vrijetijdskleding, al was al die kleding van uitzonderlijk betere kwaliteit dan die van vroeger en rookte bijna iedereen netjes in het rookhok. Daar mocht deze avond dus geen tango worden gedanst . Maar ja, Schijnheilig, gratis en met een kleine vernuftig opgehangen expositie van protestposters uit het verleden en heuse snelschakers die iedere uitdaging aangingen en met zwier wonnen!

Kraken is natuurlijk een uitzonderlijke bezigheid. Een pand staat leeg en anderen nemen het in. Alsof ze daar een soort recht op hebben. Vervolgens, als het goed is, maken ze er onder het mom van de vrijheid een cultureel centrum van dat soms legaliteit verwerft, maar vaker weer verdwijnt zonder andere sporen dan herinneringen achter te laten. De buitenwereld begrijpt niet dat iedereen een betaalbare woning nodig heeft en dat cultuur ook buiten de gebaande paden moet gedijen, maar gaat wel door met klagen over hoe de wereld naar de klote gaat aan geld en hebzucht.

zaterdag 8 januari 2011

That 70's show!

Laat ik een lans breken voor de sitcom That 70’s show. Niks hoge cultuur, nee, een simpele serie met als voorbeeld Happy days. Met de jaren 70 als uitgangspunt betekent dat drugs, Vietnam, emancipatie van vrouwen en zwarten, noem maar op. Bovendien zien we de typische dingen van die tijd zoals de mode en films (Starwars). Onder het mom van zo op het eerste zicht een oubollige humor wordt een beeld gegeven van een jeugd die opgroeit in de moderne tijd. In sommige episodes wordt er naar de jaren 90 gekeken zoals men dat toen deed met het sciencefictiondroomglazenoptimisme: Aluminiumfolie kleding & persoonlijke raketten.

Waar de serie het van veel anderen wint is het samenspel van de karakters die soms vergeten dat ze karakters zijn en laten zien dat ze als acteurs een hecht soort van vriendschap hebben opgebouwd. Dit komt het best naar voren in de toespraak in de laatste aflevering van Kitty Foreman, Erics moeder. Kitty, de liefste en meest verzorgende ouderwetse moeder die een jongen maar kan hebben rookt en drinkt als een ketter. Ze heeft het niet zo op haar sletterige dochter die juist de oogappel is van Red, haar man. Een veteraan van twee oorlogen die vaak een tirade of toespraak eindigt met de vraag of de ander graag zijn foot in his ass wil. Eric heeft het beheer over de kelder waar hij en zijn vrienden samenkomen en vaak in een kringetje wiet roken. Donna waarmee hij opgroeit en een relatie begint: struis, roodharig, intelligent en feministisch. Zijn beste vriend Hyde: cynisch, vrijdenker, harde bolster blanke pit. Kelso (door Ashton Kutcher), de vrolijke kluns die denkt dat schoonheid alleen genoeg is, wat diens vriendin Jacky ook denkt, een ijdel leeghoofd die complimenten geeft waarmee ze de ander beledigt. En dan Fez, een door seks geobsedeerde buitenlander waarvan niemand weet waar hij vandaan komt. Telkens als hij het zegt is het plotseling zo lawaaiig dat niemand hem verstaat.

Het meest hartverwarmende is wel hoe deze groep zich van alles jegens elkaar kan veroorloven, maar altijd op elkaar vertrouwt als het er op aan komt. Relaties beginnen en eindigen, overspel wordt gepleegd, drugs worden gebruikt, practical jokes worden uitgehaald, maar als het er op aankomt doet men hun best voor elkaar, is men bereid de ander te vergeven, laat men de relatie dieper en hechter worden, zonder de individualiteit daar helemaal voor op te geven.

donderdag 6 januari 2011

De hindoegodin-cyclus VI

PS.

Eindelijk de sluier te licht bevonden
Je gezicht niet de mijne
Dromen van verguld karton
Die avond lag de leugen wel heel dicht bij de waarheid
Beloften van een stand-up komiek
Het laat niet over

De wereld gehouwen in hanenpoten
Pardoes gekerfd in het strand van vorig jaar
Je hebt me niet lief, kreunde de boterbabbelaar
en zo was het geschreven
zo stond het spijkerschrift zijn kroon af
dit was een verband nooit gezien

woensdag 5 januari 2011

De hindoegodin-cyclus V

Afscheid van ogen in wijn

Een nacht van zacht gekleed
danste je mijn tenen
de schmink met witte wijn
djellaba in de was gezet
In je ogen van bast was te zien
dat de wereld een last voor de ander
luchtig tuinen van vlees kuste
ledig en opgeruimd
liep de muziek over in het bal
Een spel van ledikant en spiegel
Je bruine huid met zaag geschoren
Lippen onbespoten

Niet meer liet de telefoon van zich horen
en kraakte het bot van mijn oren
Onzichtbaar en drachtig
verdween je weer in de droom
Vergeten de wond van achter
te luid klonk de roep om verzet

De hindoegodin-cyclus IV

Verzoek aan een ander

Kom, laat je kruipruimte gloeien in mijn licht
Ontbloot je borst in het schitteren van absolutie
Vertel je verhalen van verraad en schone schijn
Laat je kerstenen in de volle maan van acceptatie
Dans tot je kreten in de haard zinderen
Leer me het tuig van schuld aankleden
te modderen in je stuiptrekken
Spreek en voel het
Spreek en laat het
En luister dan
Hoor mijn woorden in de voile van de weduwe
Zie me spreken in het gat van de wereld

Als een vader tot zijn kind
Als een man tot zijn vrouw
Als een kind tot zijn ouders

dinsdag 4 januari 2011

De hindoegodin-cyclus III


Het koude huis


Het is koud in de kamer
Zo koud als er lichamen te tellen zijn
Zo koud dat gebrilde ijsberen uit hun wak kruipen
De wasbak zelf ligt te kraken van kristallen zeepbellen
Laten we wel wezen, het is koud in mijn kamer

Het exacte moment van de dood is niet vast te stellen
Misschien gebeurde het tijdens de wijn
geschonken uit een fles zo hard als een hart
waar de momenten opgeslagen werden
Aan gruzelementen genoeg

En het zal wel zijn wanneer de winden van methaansneeuw
uitgeraasd flinters giftig ijs laten
de kromming van mijn herinnering volgend
want die geur is niet meer uit het vest te halen
Zij blijft daar plakken, bruine bloem van ver

De hindoegodin-cyclus II


De verdwijning


Even werd de jurk gedragen in al haar schittering
Het tonen aan de juiste persoon kostte een hele avond
Eén waar de wassende maan rijkelijk schonk
druppels droge wijn straalden straten oogwit
schoon van doornen in jaren gestoken
Ogen gloeiend als tekstballonnen
Woorden dartelden met van pijn vertrokken zolen
op weg naar de belofte van het zachte hakblok

Daarna zweeg de stem een geschoten tijger
Afdruk van het zitvlak nog nat en veeg
Röntgenfoto’s zonder skelet wapperden licht
Een telefoon ging af zonder antwoordapparaat
De Zweden waren bezig met het bouwpakket
van een boekenkast zonder handleiding

maandag 3 januari 2011

De hindoegodin-cyclus I


Hindoegodin


Aardbeien morgen wenkte traag
uit een bijzondere slaap kwam de opiumeter
Gedroomd inderdaad, woeste vrouw van hout
zijn laatste florijnen uitgegeven in de bazaar
aan een jurk van honingbijen

Ze droeg het als een dame in de overgang
vurig en nog net niet exploderend
Uit een grammofoon kwam de Franse tong
die ons dansen langzaam begeleidde
Twee gaaien met een doodsverlangen

In haar zou hij zich begraven
als laatste steen één van lijm gemaakt
om de zielen vast te plakken aan de hemel
opgetuigd met kamelenteugels
karavaan als afsluiting

zondag 2 januari 2011

Een dode David Bowie

Ik dacht eens dat David Bowie dood was en moest toch even huilen. Nou ja, huilen… Dat doe ik niet zo snel. Soms. Als ik een documentaire zie op Animal Planet. Maar die doen het erom. Welke rotschoft zou daar niet een traantje om laten? Geef mij dan maar The dog whisperer op National Geographic. Wat die man voor elkaar krijgt hebben hele opvoedingsinstituten soms jaren voor nodig. De mate waarin een mens bereid is zich aan de hondenmanier aan te passen is verbazingwekkend en bewonderenswaardig. Zeker als je bedenkt dat mensen honden meestal nemen omdat ze ook behoefte hebben aan gehoorzaam gezelschap.

Anyways… David Bowie. Die heb ik leren kennen via mijn moeder. Ik had hem natuurlijk wel eens op de radio gehoord, want in die tijd, de late jaren zeventig, speelde men nog van alles op de radio, maar zijn persoon en muziek waren nooit tot me doorgedrongen. Niet tot ik Let’s dance hoorde en die clip zag en mijn moeder aankondigde dat ze naar een concert van hem ging. Dat laatste verraste me hogelijk aangezien ik dacht dat ze zulk soort dingen nooit deed, behalve misschien eens naar een jazz-optreden hier in Laren of Bussum. Mijn zus en ik moesten altijd mee, maar dat zagen we nooit echt zitten. Ik heb vast een hoop plezier gemist door die koppige houding. Ik zat liever thuis met Starwarspoppetjes of eh vieze boekjes. Is de Playboy een vies boekje?

Het idee dat die man met de markante tanden en kaak, met die afwijkende ogen die soms glitteren als edelstenen in een besneeuwd veld, zomaar zou kunnen verdwijnen stemde me uitzonderlijk droevig. Na die eerste echte kennismaking via Let’s dance ben ik meer naar hem gaan luisteren en steeds meer onder de indruk geraakt. Met terugwerkende kracht is hij in mijn verleden opgedoken. In alle kieren van mijn opgroeien, zelfs toen ik nog niets van muziek wist, is hij gekropen en heeft hij gezongen met die ijle blikken en soms kreunende stem. Al die transformaties waren de kleren die ik uit en aantrok door al die jaren. Zoiets geeft een gevoel van eeuwigheid. Zoiets geeft het gevoel van een hond die je altijd trouw is en je leven altijd licht geeft. Zoiets zorgt ervoor dat mijn moeder nooit dood zal gaan. Dat was even het gevoel dat door me heen trok toen ik dacht aan een dode David Bowie.

Poëzie is lelijk

De meeste poëzie is lelijk
zei zij en zwaaide naar Picasso in het park
Ik mompelde iets onverstaanbaars
Mijn map ging de lucht in, het papier
Ik liep verder en bleef staan, beduusd
Het park was drassig
De woorden weigerden
Te geconstrueerd, zei zij
en met dat woord ging ze de strijd aan
Ik stapelde elk argument daar bovenop
en zij schoof een riposte onderdoor
Het klonk niet meer, de rijm liep weg
Ze wist het wel, dat rijm niet klonk
Dat was niet wat ze bedoelde
Het was niet die klank
Dat verlies
Elk woord
Zat vast