zaterdag 31 december 2011

Alleen de wereld

Nu wist ik natuurlijk wat er aan de hand was
Al vanaf het begin had mijn alarm geklonken
Maar ik sloeg de snooze-knop in en telkens
Negen minuten later vol grote hoop
Werd ik wakker met mijn ergste vriend in bed
Een geweldig partijtje neuken waar de creatie
Van het universum bij verbleekte

Ze had haar mond vol stille beloften
De één nog meer dan een prijs in de loterij
Kansberekening ontkend door haar kwantumbrein
Ik wist het zeker, ja, het balletje was op mij gevallen!
Er was geen twijfel over dat ik haar kon vertrouwen
Want kenden we elkaar niet sinds de kindertijd?
Zij op schoot en ik in bad, een eendje dat dobberde

Mocht het maar zo zijn, een eind aan mijn wereld
Het begin van een nieuwe
De balans was overladen aan de ene kant
Waar zij ging zitten, warm en klef, hijgde ik verrukt
En zat ik aan de andere kant van ons, zodat we samen
Het nieuwe leven in evenwicht konden brengen
De snooze ging over en het andere schaaltje bleek leeg

Was de vriend een vijand in nerven gegleden
Van mijn verlangen niet meer één en alleen te zijn?
Had ik het ontoelaatbare toch gedaan
De deur geopend, mijn verstand met de hand
Uitgezet in een moment dat angst de weg had verlaten?
Was ons vurige blazen een luchtspiegeling in de hitte
Van al-was-het-maar-voor-even echte liefde?

Niet eens een boek mocht ik er vol over schrijven
In drie episodes waren onze kussen gebleekt
Het gewicht dat zij erin had gelegd te zwaar
Voor het verleden waaraan ze niet ontsnappen kon
Het verlangen naar zichzelf maakte mijn liefkozing teveel
Waar laat dat mij, oh gouden velden van Elysium?
In de kou van voorheen, waaraan rust en statie ontnomen

Maar zelfmedelijden is de geijkte manier van de poëet
Om zelfmoord in het oog van woorden te plegen
Het gif dat langzaam vloeit is het teveel aan navelstaren
Was het mijn schuld dat ze haar nuchterheid liet winnen
Had ik in actie moeten komen, een gevecht van smeken starten
Voor het laatste druppeltje romantisch recht?
Maar we zijn geen kind meer dat verdrinkt in tranen

En het enige dat overblijft is een hartgrondig fuck off
Aan het malen van de stenen die de tijd placht voort te trekken
Want ik was niet de juiste persoon voor jou en jij niet voor mij
En ach, wie is er dan een uitzondering in het leed van de dag
Een ander heeft mogen grienen in het grein van míjn afwijzen
In het licht van de stilte worden nieuwe kunstwerken geschapen
Ik zeg dus aarzelend doch hartelijk, welkom kou, welkom nieuwe wereld


Alleen de wereld
illustratie M. Ozymantra

maandag 26 december 2011

De wonderlijke avonturen van Alfred de kat - 3

Het verhaal van Alfred de kat is niet een doorsnee vertelling waarin we allerlei menselijke gevoelens en eigenschappen aan dieren toekennen om zo iets over onszelf te zeggen. Het is een poging te kijken vanuit het perspectief van een dier dat misschien wel zo vreemd aan ons is als onze blik aan die van een buitenaards wezen. Overigens net als dat het perspectief van een kat zo vreemd is aan dat van een specifieke vogelsoort als de kraai. Als uitgangspunt neem ik wetenschappelijk onderzoek, eigen en andermans observatie. Het totale vermijden van menselijke interpretatie zal natuurlijk onmogelijk zijn. Al was het maar dat een dier niet in woorden denkt en onze woorden tegelijk ontoereikend als te betekenisvol zullen zijn. Een zekere mate van romantische interpretatie is dan ook niet te ontgaan. Niettemin staat het zo ver af van de normale knuffelverhalen dat het menigeen kan afschrikken. Natuurlijk zal ook in dit verhaal veel worden verteld over ons menselijk bestaan, maar dan door de lens van de aliens waarmee we samenleven.

Deel 3

Alfred naderde de kaas traag en omzichtig. Je wist het nooit met mensen. Soms mocht je iets van ze, want dan stonden ze er niet bij. Dan was het alsof ze expres wegliepen en het je gunden. Ze wisten toch dat hij een lekkernij niet zomaar zou laten staan? Als ze niet wilden dat hij iets pakte zouden ze er wel bij blijven. Maar soms stonden ze erbij en mocht hij het toch. Het was maar vreemd, met mensen.

Hij hoorde en rook hoe de andere katten, Peter en Druusa, op eenzelfde manier naderden. Het was een web van sporen en sensaties dat de buurt samenhang gaf. Hij kon ruiken waar ze besloten hadden op de kaas af te gaan. Hij kon voelen hoe graag ze de kaas wilden. Het was een levend patroon dat in zijn hoofd zat en hij zou er niet vrij van komen. Al die patronen van de hele buurt, de vogels, de padden, de muizen en de andere katten, dat alles vormde een fijnmazig web van kennis in zijn hoofd. Hij sloop er doorheen als een geest van zachte voetjes. Het was niet dat hij wist waar iemand zou zijn, maar de patronen verrieden alles.

Bij de Stenen woestijn aarzelde hij. Druusa, een roodwitte poes met likkebaardend lekkere flanken, stond rechts van hem, vijf sprongen verwijderd van de kaas. Hij moest zeker nog zeven gaan. De opwinding over het aanstaande gevecht deed hem spinnen. Een geluid dat Druusa als uitdaging opvatte. Ze rechtte de rug, strekte de staart, liet haar klauwen voorzichtig in en uit glijden en boog haar schouders, terwijl ze quasi-nonchalant doorliep. Alfred deed hetzelfde. Ze wisten waar ze elkaar zouden ontmoeten. Dat specifieke plekje was al voorbestemd sinds de oertijd toen hun voorouders voor het eerst hadden besloten kat te worden. De hele geschiedenis sindsdien lag daar in geuren en andere sporen samengebald.





illustratie M. Ozymantra

donderdag 22 december 2011

Van nul tot niets

‘Krijg nou wat,’ zei Guust, ‘een zwart gat!’ Niemand had ‘Het’ zien binnenkomen. Nou zie je ook niet elke dag een zwart gat ergens binnenkomen, maar je zou toch denken dat zoiets niet geluidloos gebeurt. Hoe Guust wist wat het was wist ik ook niet. Hoe herkent men zo’n ding als het nooit eerder is gezien? Dat hoorde ik later van hem, dat niemand ooit een zwart gat heeft gezien. Blijkbaar zit het universum er vol mee. Een theoretisch concept waarvan er in zo’n beetje elke melkweg een supergrote versie zou zitten. Ik wist niet eens dat er meerdere melkwegen waren! Ik dacht dat al de sterren in de nacht alleen maar kleine zonnen waren. Andere planeten? Ja, die schijnen er ook te zijn. Andere planeten dan waar we op staan. Maar zeg nou zelf, hoe gek is dat, een zwart gat op werk? Na Guust’ opmerking zei niemand nog wat. Spreken, geluiden en zo, ze leken onzinnig. Het gat zoog al het geluid op als een spons met whisky doet. Het geluidloze maakte ons bang, maar dat duurde niet lang. Zulke zaken duren nooit lang. Een ding was zeker: erg levendige conversatie zou niet volgen.

We nodigden het gat uit om mee te gaan naar de kroeg. Guust vertelde, Guust is mijn beste vriend sinds de Hbo, dat een zwart gat een zogenaamde singulariteit is. Een minuscuul gat van niets dat stil vibreerde van de verpletterde quantums die het uitspuugde. Het overblijfsel van een in elkaar gezakte ster. Wat het echt was wist men ook niet, maar dat het het ontbreken van alles dat bekend is was, daar waren de wetenschappers het over eens. Ik moet zeggen dat Guust wel eens leukere verhalen heeft opgedist. Met hem kon je op school altijd goed lachen. Guust was intelligent genoeg voor econometrie, maar ging liever in de reclame. Hij wilde zijn tanden in menselijke zwakheden kunnen zetten. Daar zat zijn plezier: in het zwakke van de ander. Hij wist over alles wel wat en zei ook dat een van de weinig manieren om te communiceren met een zwart gat geconcentreerde gammastraling zou kunnen zijn. Een papiertje met marker bleek ook voortreffelijk te werken.

Na ons vierde rondje hadden we het wel door. Ons zwarte gat was een vrouw. Ze ging constant naar het toilet, zoog het leven uit de conversatie en had geen goed woord over voor ons gebral. De eerste die dit suggereerde was Guust en hij was natuurlijk de eerste die begon te flirten. Guust is dan in het gewone leven de man met de ideeën, maar met een drankje op ging dat denken niet meer. Zeker als er sprake was van vrouwen. Dat was altijd al zo en ik zou je hele verhalen kunnen vertellen, maar daar heb ik nu geen zin in. Zo was er die ene keer met een travestiet, maar goed, dat wordt te lang uitweiden. Ik had zo mijn twijfels of dat zwarte gat een vrouwtje was. Ze deed me denken aan een jongen die op de HAVO altijd The Cure draaide en PvdA stemde. God, wat was die deprimerend. Toen hij zei ook in de reclame te willen lachte ik me dood. Uiteindelijk is er niks van terechtgekomen. Hij werkt nu voor de VPRO. Wat een nul!

Ik waarschuwde Guust nog, maar goed, die borrels, hè? Hoe het zwarte gat hem opzoog had ik nog nooit gezien. Naarmate hij dichterbij kwam werd hij steeds langer en dunner. Je zou denken dat hij uit elkaar zou scheuren, maar niks daarvan. Nee, hij bleef maar langer en dunner worden, schreeuwend zonder geluid te maken, tot hij dun als een lijn spoorloos verdween. Het gat vonkte een beetje alsof het boertjes liet, maar de vonkjes kwamen van buiten, niet vanuit het midden. Daar was niks en zelfs minder dan dat, als er een minder dan niks is. Enfin. Dat was dus best kut. Guust was toch echt mijn beste vriend. Met wie kon ik nou de hele avond over vrouwen en auto’s zeuren of naar Stryper-concerten gaan? Wie kende de teksten van Jiskefet zo goed dat we er naadloos mee konden improviseren? Met wie moest ik nu naar Alanya om die slettebakken dronken te voeren? Ik kon het niet laten ‘Lullo!’ te roepen toen hij over de evenementhorizon glipte. Dit was dus blijkbaar het laatste punt waarop men iemand of iets nog kon waarnemen die een zwart gat inging. Guust’s laatste wijsheid, zal ik maar zeggen. God nog aan toe.

In ieder geval zag niemand van ons dit als een reden om de kroegentocht op te geven. Peter en Max wisten een te gekke tent bij het Rembrandtsplein waar je onbeperkt bitterballen kon eten. Er hingen wijnranken aan het plafond en iemand had er Romeinse gasten tussen geschilderd. We bestelden drie flessen Champ en, ach, zo kwam ik wel weer over het verlies van Guust heen. En zo geweldig was het ook weer niet om dag in dag uit met Guust te werken, weet je. Big brain, oké, maar daar had hij niet de hele tijd mee te koop hoeven lopen. Niets is zo afstotelijk als iemand die zich de hele tijd aan zichzelf opvrijt. Ja, oké, ik kende hem al zo lang en niemand kende mij waarschijnlijk beter dan hij, zelfs mijn moeder niet, maar er waren zoveel mensen die ik nog niet kende en vaak niet wilde kennen en wat maakt dat uit? Ik ging toch zeker niet huilen?

Maar die gasten waar ik verder mee moest waren ook niet top. Neem nou Peter en Max, van de verkoop. Daar had ik weinig mee op want ze waren zo creatief als een Turk in een pierebadje. Toch was dat niet echt een probleem. Er kon geen carnaval, 1 april of Prinsjesdag voorbijgaan zonder dat ze het kantoor op stelten zetten. Zo hadden ze laatst de rubberen deurmat weggehaald en enkele potten appelstroop uitgegoten. Van een afstand zag het er perfect en echt uit. Die twee hinnikten zich die dag een hernia. Niet dat iedereen er de lol van kon inzien. Carolien had net dure schoenen gekocht en moest bovendien voor acquisitie een belangrijke klant ontmoeten.

Het zwarte gat was meegekomen en zinderde het plafond van de kroeg stuk. Plastic druiven schoten in spiralen weg om in drankjes en op borden terecht te komen. Stukken beschilderde kalk braken los en werden tot niks geknepen in de waanzinnige leegte van ons vriendelijke gat. Dus zo werd het universum binnenstebuiten getrokken. Peter verzamelde in zijn vrije tijd strips, wat kon je anders van zo’n kinderlijk persoon verwachten, en had eens een verhaal gelezen waarin een zwart gat de doorgang was naar een ander universum. Alles dat aan de ene kant werd ingezogen kwam er aan de andere kant uit als planeten en wat dan ook. In dat universum was het gat een zon die hele werelden leven gaf. Peter had meer fantasie dan ik dacht. Helaas maakte dit Peter zo nieuwsgierig dat hij te dichtbij kwam. Ergo, weer een maat minder. Max, Carolien, Arend-Jan en ik bleven over. Nog genoeg voor een heleboel gezelligheid! We tapten er nog maar eentje.

Het was alsof de duivel ermee speelde, maar al die idiote collega’s dachten iets in het zwarte gat te zien wat mij ontging. Ik zag tenslotte niets anders dan niets. Max en ik raakten aan de praat over iets dat alleen dronken mensen boeide. Hoe vaak de koningin neukte per jaar, geloof ik. Toen ik begon over de paus en soortgelijke zaken verbleekte hij en werd boos. Zijn rode snor flapperde helemaal van de woedend uitgespuugde woorden. Ik bood mijn excuses maar aan. Drank maakt meer kapot enzovoort. Iemand die geloofde. Ik moest erom lachen, maar vond het ook wel schattig. Je kwam ze nog maar zelden tegen en zeker niet in onze business. Hij keerde zich van ons af en leek iets te overdenken. Zijn zonden vast! Wij klonken onze glazen nog maar eens. Het zou een gedenkwaardige avond worden! Plotseling stond Max op en stapte aarzelend op het gat af. Het gat was klaar met plafond en plastic druiven. Er was nog plaats genoeg voor Max. Op zijn knieën werd hij traag naar binnen getrokken, zijn gebeden in het geluidloze opgeknabbeld. De honger van dat ding was niet te stillen.

De eigenaar van de bar vond het welletjes. Het was een slank mannetje en hij kwam op ons af met de mouwen van zijn wollen trui opgestroopt alsof hij ons er persoonlijk uit zou werken. Ja, sure, hij en welk leger, weet je! Maar hij was vriendelijk genoeg. Of we weg wilden gaan en alsjeblieft dat kreng van een gat mee wilden nemen. Het was slecht voor zijn verzekeringspremie. We wankelden naar buiten en Carolien, van advertising, begon met me te sjansen. Ze was alweer een jaar vrijgezel en we hadden al meermalen gekust en soms ging het wel verder. Ze had lekkere grote tieten, maar verder was ze niet mijn type. Ze deed het volgens mij met het hele kantoor. Zelfs getrouwde mannen. Geen grenzen, dat wijf, maar goed, wat wil je. Maakte mij niet veel uit, hoor, maar het blijft vies. Ik wilde er vanavond nog wel eens overheen rollen als het kon. Terwijl we zo liepen had ik al snel een hand op d’r kont en daar zei ze geen nee tegen, nee, ze had er eentje op mijn lul alsof het een tekkel was. Maar ik weet niet wat ik nou weer verkeerd zei, want voor ik het wist stond ze met mijn squashmaatje Arend-Jan te bekken die in zijn hand een tiet kreeg. Wat een slettebak. Maar dat was blijkbaar niet genoeg en toen ging ze met het zwarte gat te flirten. Het was bijna grappig om te zien hoe haar tieten werden opgerekt in de ruimtekromming. Toch vond ik het jammer. Je zou het niet zeggen, maar elke keer als ik met een meid had gevoosd bleef er een zwak voor haar. Zo niet in mijn hart of hoofd dan wel in mijn ballen. Misschien rook ze dan niet zo fantastisch, maar het bleef toch een meid waar je goeie lol mee kon hebben. Een mens. Ja, dat bleef ze ook.

Dus bleven Arend-Jan en ik over. We waren met drinken aardig aan elkaar gewaagd. Hij had een flacon absint bij zich waaruit we buiten de kroeg ieder een flinke slok namen. Met Arend-Jan is het altijd lol, maar ook altijd competitie. Voor hem bestond er geen gelijkspel en hij gaf nooit eens toe ongelijk te hebben. Het was leuk met Arend-Jan tot te agressief werd. Ook als ik hem in een partijtje squash had afgedroogd moest hij rotzooi trappen op de club. We waren er al een paar keer bijna uitgezet. Als copywriter was hij onovertroffen in zijn vakgebied en op werk konden we het dus best goed vinden. Zolang ik hem niet tegensprak.

Ik hield een papiertje voor het zwarte gat omhoog met ‘Volgende tent?’ erop geschreven en het volgde ons de taxi in. De mocro wilde ons eerst weigeren, maar hij moest volgens de wet iedereen meenemen, dus ook het zwarte gat. Mooi zeg dat we daar niet intrapten! In de nieuwe kroeg sloegen Arend-Jan en ik pas goed aan het zuipen. In het hoekje waar we zaten was het aangenaam rustig, al was het maar omdat iedereen het zwarte gat uit de weg ging. A-J begon zich er aan te ergeren. Dat staren en stralen hing hem de keel uit. Op deze manier was het gat net zo’n gast die erbij wilde horen maar niets zei. Je kent ze wel. Je had altijd van die lulletjes. Ze wachten als schoothondjes op het volgende gratis drankjes en lachten netjes op tijd om elk grapje, maar kochten nooit zelf eens iets. A-J was nou eenmaal niet zo’n geduldig type en begon te schelden dat het een lieve lust was.

Hij was een iel mannetje met glanzend haarvrij voorhoofd, dus toen hij op zijn borst begon te slaan als een gorilla maakte dat weinig indruk. Maar de felheid waarmee hij schreeuwde en de woeste blik in zijn ogen zouden een panter schrik aanjagen. Hij sprong stoer op naar het gat alsof hij het niets in zichzelf wilde duwen en verdween zoals de anderen voor hem. Een streep van venijn. Ik wist niet precies hoe ik me erover moest voelen. Aan de ene kant was het de minst sympathieke collega, maar aan de andere kant was hij squashmaatje en zou ik dat echt missen. Verder, ja, verder… Er was weer een mens verdwenen in het grote niets. Moest het me niets doen omdat ik deze persoon niet echt mocht? Ik kon toch niet om iedereen geven die dood ging of verdween? Ik werd er helemaal chagrijnig van. Er was niemand nog die naar me zou luisteren.

Ik zat zo een tijdje, biertje in de hand, zwart gat tegenover me, toen een langharige kerel aanschoof. Mijn woede over de verdwenen collega’s was grotendeels verdwenen. Aan de dood valt niets te doen, aan het ongeluk ook weinig. Al hadden ze het allen opgezocht, zelfs als ik het niet zou opzoeken zou het me inhalen. Deze stilte van het niets, dit buitenmenselijk gevoelloze waarmee we werden geconfronteerd zou niet weggaan omdat wij het wensten. Het zou blijven in onze dromen, in onze gedachten en plannen, maar nooit meer wijken. Ik was er helemaal poëtisch van geworden. Gatverdamme wat een slijmzooi! De langharige bebaarde man begon tegen mij te praten. Ik had het niet zo op fucking hippies.
‘Wat moet je?’
‘Zo, zo, een echt zwart gat, hè? Dat zie je niet veel.’
‘Nogmaals…’
‘Rustig aan, maat, je ziet er zo ontevreden uit dat ik dacht es te vragen wat er aan de hand is.’
‘Dat ken je toch zien?’ Ik vertelde hem over het verloop van de avond. Hij knikte begrijpend. Ik vond het maar niks. ‘Jullie snappen er ook niets van. De hele tijd zo agressief. Dat gat wil gewoon aandacht en warmte. Het is niet voor niets zo koud.’ Hij had inderdaad een zachtheid die me deed denken aan vroeger, aan mijn moeder, aan de eerste keer dat ik Gandhi zag, de film dan. Helaas was het gat ook voor warmte niet in de stemming. Zijn baard was het laatst dat over de evenementshorizon verdween, vrolijk als een serpentine.

Daar zat ik dus dan. Biertje in de hand, zwart gat tegenover me, een tent die roezemoesde en danste. Een hand die trilde. Ik kon het glas bijna niet vast houden. Ik zweette, terwijl het niet warm was. Mijn linker ooglid knipperde overdadig. Mijn pik leek zich wel in een schelp te hebben teruggetrokken. Geen van de aantrekkelijke dames in deze tent deed me ook maar iets. Ik ademde zwaar, maar wist niet of dat van woede of angst was. De twee liggen soms zo dichtbij elkaar. Het gat knipperde als een lamp die elk moment kapot kon gaan. Ik moest er iets aan doen.
‘Wat moet je nou van mij? Denk je werkelijk dat het me iets kan schelen wat je hier doet? Rot toch op, gek ding.’ Gek ding, ja, niets meer dan een gek ding. Een kloteding dat niets was en niets gaf. Een koud ding, een dode ster. Een opgedroogd impotent rotding waar niet aan te relateren viel. Toen sprak het ding plotseling.
'Op reis zag ik jullie planeet en wilde weten wat dat hier was, al dat gerucht, al die herrie. Niets hier is geordend in verval zoals de rest van het universum. Alles groeit, als een kanker zonder lichaam. Niemand is bewust van de kou, de alles overheersende, heerlijke kou van het heelal. Ik vond dit grappig en besloot langs te komen.’ Ik voelde een traan loskomen. Mijn ogen deden pijn. Ik kneep ze samen en realiseerde me plots dat ik huilde. Iets dat ik al sinds mijn jeugd niet meer had gedaan. Dit was waarom ik dit verhaal wilde schrijven. Omdat ik voor het eerst sinds de derde klas huilde.
‘O, dus we zijn alleen maar vermaak, iets om te onderzoeken?’ Mijn gezicht voelde aan als een opgedroogde sinaasappelschil die voor het eerst vochtig werd. Het huilen deed me pijn. Mijn woede deed me opleven.
‘Ach, het is niet meer dan een spel, met die vrienden van je. Ze wilden zo graag zien wat ze wilden zien. Mijn familie wacht bij de volgende melkweg. Adieu.’ Een spel. We zijn een spel voor een ding als dat!
‘Wacht even! De wetenschap is er blijkbaar nog niet uit, dus vraag ik het maar aan jou: wie of wat ben jij dan echt?’ Het gat lachte. Mijn tranen kwamen niet meer. mijn woede had alles opgedroogd.
‘Ik, of wij? Tja, wij zijn niets, helemaal niets!’
‘Heel erg grappig, hoor…’ Met een flits en een plof verdween het gat. Ik keek op mijn horloge, voelde de kater al op de deur rammen en besloot ook te gaan.



Nul
illustratie M.Ozymantra

woensdag 21 december 2011

Alinoë

Stel je voor, een jonge moeder op een eiland met kind en hond, ergens in de vroege middeleeuwen. Het is herfst en de wereld schittert in de mooiste tinten rood, bruin, blauw, geel en groen. Je kind is daar opgegroeid, 5 á 6 jaar, en wil een vriendje. Je kan er niks mee, want de buitenwereld is te gevaarlijk en je man is op reis om warme kleding en meel te halen. Het is bijna winter. Dan zie je dat je kind een armband heeft van een onbekend metaal. Hij vertelt eerst dat het van zijn nieuwe vriendje Alinoë komt en ontkent dat later. Het klinkt ook een beetje te belachelijk. Tenslotte is er niemand op het eiland. Maar als er wel iemand is dan is er gevaar! Je man heeft vijanden. Je kind ook, al kan die er niks aan doen. Dan bespied je hem met het vriendje. Een jongen met groen haar in witte tuniek.

Die strip las ik ergens begin jaren tachtig, in de Kuifje. Ik vond het zo vreemd en verstikkend dat ik het opzettelijk oversloeg. Het was uit de serie Thorgal, maar deze was dus op zee. En zijn zoon, Jonal, is boos op zijn moeder en zet het enge groenharige joch aan tot wraak. Tegen de tijd dat hij merkt wat hij zijn moeder Aaricia aandoet en er spijt van heeft is het te laat: Alinoë blijkt de macht te bezitten levende wezen in bezit te nemen en gaat helemaal los.

Ik heb dit boek pas laat weten waarderen. De beklemmende sfeer greep me steeds naar de strot. Nu besef ik eindelijk hoe ontzettend mooi de tekeningen en kleuren van Rosinski zijn en hoe geslepen het scenario van Van Hamme is. Helaas is er ook wat mis met zijn dialogen, maar goed, daar hadden veel stripscenaristen uit die jaren last van. Iets teveel Franse vrijblijvendheid. Al is Van Hamme dan een Belg en Rosinski een Pool.

Thorgal speelt zich af in een tijd dat de Vikingen de kusten van Europa teisterden met hun variatie van roofkapitalisme. De bloeddorst van de mensen, de ondoorgrondelijkheid van de goden en de onwerkelijke motieven van buitenaardse wezens die op mensen lijken worden subtiel met elkaar verweven tot unieke en baanbrekende verhalen in een wereld waar niks zeker is behalve Thorgals grote hart. De serie bestaat al sinds 1977 en draait nog steeds, al is het sinds kort met een andere scenarist. Voor ‘De schaduwen voorbij’ en ‘De boogschutters’ kregen ze belangrijke stripprijzen, maar Alinoë blijft voor mij het meest beklemmend en schoon.


Alinoë
illustratie M. Ozymantra
geïnspireerd door Rosinski

zondag 18 december 2011

De aard van uniek

Niet zo lang geleden was ik genoodzaakt drie dagen achtereen dezelfde maaltijd klaar te maken. Ik had teveel sperziebonen gekocht. U weet hoe dat is. Je kan vers voedsel ook niet eeuwig bewaren. Tenminste, ik houd er niet van invriezen. Ontdooit smaakt toch altijd minder. Mijn recept is dodelijk simpel: boontjes koken, vlees bakken (welk soort vlees dan ook), boontjes uit de pan, olie, rode ui, knoflook en wat chili erin, laten staan tot het week wordt, boontjes terug, basilicum, honing en mosterd erbij, husselen, nog wat langer laten staan en presto! De meeste mensen zouden er nog aardappeltjes of rijst bij doen, maar dit is voor mij genoeg. Een simpele, gezonde en voedzame maaltijd die bovendien likkebaardend lekker is.

Drie dagen achter elkaar zou mij gaan vervelen als ik dat met een kant-en-klare maaltijd zou doen. Als ik patat zou halen. Als. En ja, dan ga ik toch denken en zie verbanden en overeenkomsten. Koken kan best instructief zijn. Al die ingrediënten zijn dan misschien simpel, maar ik ben niet de meest zorgvuldige kok. Ik ben meer van het type een kloddertje hier en een kloddertje daar. Niks voorzichtig afmeten. Gooi het er maar in en we zien wel. Niet verhoudingsgewijs teveel, maar dat is makkelijk als je vaker kookt. Daar ontwikkel je een gevoel voor. Maar soms wat meer mosterd of basilicum, soms wat koriander of dan maar een tomaatje. Soms is de ui groter of is de knoflook iets meer doorbakken. Die kleine variaties maken dat je toch nooit echt went.

En toen viel het me te binnen, dit is de aard van uniek: het onvoorspelbare. Dit is waarom livemuziek in mijn oren eigenlijk altijd goed klinkt, zelfs als het van een band is die ik eigenlijk minder leuk vind. Oh, niet dat ik dan plots een album van die band ga kopen en ook niet dat ik niet hoor dat ze toch ‘mindere’ muziek maken, maar de frisheid van het niet te reproduceren is prettig. Meer dan prettig. Het geeft me een levendig gevoel. Het is een authentieke ervaring! Natuurlijk wordt het al anders als de muziek is opgenomen. Telkens dat je een cd draait hoor je precies hetzelfde. Het vereist grote vaardigheid van de makers om de muziek zo te schrijven en op te nemen dat ze fris blijft. Het moet op zo’n manier gebeuren dat je steeds iets nieuws kan horen zo dat je steeds gestimuleerd blijft. Kunt u zich voorstellen hoe moeilijk dat is voor statische kunsten als fotografie, schilderen en tekenen? Daarom worden dingen van natuurmaterialen door de meeste mensen meer gewaardeerd. Daar zit het uniek al ingebakken.

Het diner
illustratie M. Ozymantra

vrijdag 16 december 2011

Het bed van oma

Haar strakke deken getrokken tegen de kin
Lakens ouderwets gesteven en glad
Het kussen taai als speculaas een dag erna
Kou onzichtbare broeder van de kamer
Duister waarin de stoffen leeuw lui lachte
Dicht liggend tegen de ademhaling

Een bed dat uitgeklapt diende te worden
piepend in de verstilde kamer
Verborgen in de kasten lagen Donald Ducks
boven de brommende kachel gestapeld
Muziek op cassettes in een statige huiskamer
zaten opa en oma zacht tegen de beeldbuis

De nachten van het weekend waren als dit
als in tijden voor reclame televisie had
voor straten overliepen van auto’s en kabels
voor de warmte van het gas overal binnendrong
en kou in de harten van ons medemens trad
terwijl de tijd langzaam splinterde


Oma's bed
Illustratie M. Ozymantra

dinsdag 13 december 2011

Sonic Life

Ik was waarschijnlijk 18 of 19 toen ik het singeltje Silver Rocket voor het eerst op Mtv zag. De Europese versie van die zender had nog geen voorgekauwde playlists en de Dj’s stelden hun programma’s zelf samen, met soms onverwachte resultaten. Het nummertje sloeg naar binnen als een bliksemschicht. Ik was nooit erg ondernemend geweest in het ontdekken van nieuwe muziek. Ik kende alleen maar wat er op Hilversum 3 werd gespeeld en wat er in mijn ouders platenkast stond. Het was ook de tijd dat ik superheldenstrips verzamelde en daarom vaak bij Willem Penraat in Hilversum was. Uiteindelijk mocht ik zelfs de bestellingen voor de comics doen. Belangrijker voor mij was dat ik er Daydream Nation uit de bakken viste. Het album met Silver Rocket. Voor maar 15 gulden!

In de jaren zestig had men The Beatles en The Rolling Stones. Die vertegenwoordigden de twee kunstmatige polen waaronder de popmuziek opgroeide. Niet meer Chuck Berry of Elvis. De scheiding vertegenwoordigde een bepaalde gevoel, een bepaalde manier van muziek ervaren en was indirect afkomstig van de oude scheiding Classicisme en Romantiek van de negentiende eeuw. En als je nog verder terug wilt gaan naar die tussen Apollo en Bacchus. Al deden de oude Grieken niet aan zulk een simpele opvatting. Geen God en duivel, maar een pluriform beeld van de wereld. Mijn generatie had Sonic Youth versus de mainstream pop.


Tijdens de eerste keer luisteren was het alsof de muziek direct uit mijn lichaam kwam. Zoiets had ik nooit eerder gehoord. Het was alsof ze het ruizen in mijn aderen, het knarsen van mijn botten, het zoemen van mijn brein hadden opgenomen. Voor het eerst in mijn leven sprak de muziekinstallatie mij op gelijk niveau aan. Het was niks anders dan een vertolking van wat ik al jaren sinds de scheiding van mijn ouders voelde. Ja, natuurlijk had ik al eerder muziekliefdes gekend. Jimi Hendrix, The Beatles, Queen, Supertramp, Eric Clapton, ik hield van allen, maar geen had me zo weten te raken. Geen kan dat meer. Behalve soms Supertramp. Als ik me erg nostalgisch voel brengen ze me terug naar de tijd van voor de scheiding.

Voorheen werd het hogere meestal in hemelse tonen bezongen. De zogenaamde klassieke muziek zit vol van dit soort aspiraties, net als de schilderkunst van voor de modernen. Zogenaamde popmuziek en –cultuur, zo die al aanwezig was, ging alleen over de meest basale gevoelens en behoeftes. Kijk eens naar Frans Bauer. Op Daydream Nation (maar ook op de eerdere platen) bereikt Sonic Youth het onwaarschijnlijke: het hogere zonder hemelse tonen. Sterker nog, hun gitaren zijn allen vals gestemd, alleen Lee Ranaldo kan eigenlijk een beetje zingen. Ze kennen Stockhausen en John Cage, maar waar deze heren nogal formalistisch modernisme beoefenen heeft The Youth een rockmentaliteit. Ondanks al het subtiele werk aan toon, ritme, structuur, zang, noem maar op, blijft het een album om op te headbangen, te kraaien, te huilen, noem maar op wat je op de dansvloer zou willen doen. Dankzij het ijzersterke ritme van drummer Steve Shelley kunnen Lee Ranaldo en Thurston Moore eindeloze lagen gitaar over elkaar leggen. Dankzij Kim Gordons bas wordt het soms zelfs swingend. De nummers van Ranaldo, Moore en Gordon zijn altijd goed te onderscheiden, maar als band geven ze zich telkens aan het geheel zodat we nooit dat trieste egotrippen krijgen wat zo typisch is als niemand meer met de ander rekening houdt.

Daydream Nation is het hoogtepunt van een zoektocht. Op een bepaalde manier is het te vergelijken met een klassiek concert of een soundtrack. Nog twee uitstekende albums volgen, maar daarna raken ze iets van hun urgentie kwijt. Ze blijven werken met een vergelijkbaar geluidspalet, al is de feedback op Rather Ripped geheel verdwenen (om ijzersterk op het voorlopig laatste album The Eternal terug te keren), maar inhoudelijk bespelen ze meer registers. Voor mij zijn die eerste albums tot en met Dirty de culminatie van een verlengde puberteit aan de rand van de maatschappij. In deze oer-Amerikaanse muziek zit een gevoel dat mij zo raakte omdat ik het in de verlorenheid van de buitenwijk elke dag tastbaar proefde. Ik hoorde de vervreemding van de moderne wereld in al haar glorie. Het was een trieste tijd voor een twijfelaar als ik en The Youth vertolkte dat en liet me weten dat er meer waren zoals ik. Laat het dan zo zijn dat ik jaren later hoorde dat Neuromancer van William Gibson (1984) voor in ieder geval een gedeelte als inspiratie voor Daydream had gediend, een boek dat een enorme indruk op me heeft gemaakt. Laat het ook zo zijn dat de vormgeving van The Youth enorm aansloot bij mijn stripsmaak en de later ontwikkelde voorkeur voor de moderne kunst. Laat het ook zo zijn dat de omslag van Daydream een schilderij van Gerhard Richter is, een inspiratie van latere datum. Natuurlijk waren er toen andere bandjes die een vergelijkbare sensibiliteit hadden, maar geen wist dat zo pakkend te doen. Pas toen ik Pavement ontdekte had ik weer iets vergelijkbaars. Oh ja, en bandhoofd Thurston Moore was ook nog eens de ‘ontdekker’ van Nirvana. Dankzij dat bandje werd mijn gevoel zelf in de mainstream media vertegenwoordigd.


Sonic Life
Illustratie M. Ozymantra

donderdag 8 december 2011

Nik de Furie

Tom Kavelaar had hetzelfde gevoel voor avontuur als ik en daarom trokken we door weer en wind over berg en rivier naar waar we de meeste lol hadden, al was de weg zelf altijd amusant genoeg en kwamen we nauwelijks verder dan de grens van onze wijk. Tom woonde drie straten verderop en dat maakte dat hij niet tot onze vijanden behoorde – zoals de jongens van de aanliggende straat.
            De tocht naar de Witte Huizen was redelijk te doen. De kinderen daar keken naar ons als naar vreemden die uit de woestijn kwamen. We liepen spitsroeden, maar iedereen was te nieuwsgierig om iets te doen. Niemand sprak een onvertogen woord. Een jochie met lepe blik schopte een bal in onze richting. Het zachte plastic ding had een vervaagd logo van een niet meer bestaande supermarkt. We namen de halfslachtige uitdaging niet serieus. Tom trapte de bal naar één van de oudere jongens.
            In de ochtend hadden we elkaar op het veld achter mijn straat ontmoet. Naar dat veld trokken regelmatig hele troepen kinderen om cowboytje Indiaantje, om te voetballen of voor pruimentikkertje. De afgelopen zomer ontdeden ik, mijn buurmeisje en Jeroen – van verderop van bij de grens tussen onze straat – in de struiken ons van de kleding en bekeken elkaar minutieus. Jeroen was wat jaren jonger en klikte die avond tegen zijn ouders. De volgende dag kreeg ik een beschamend standje. Dat veld was de kern van onze buurt, maar ook de plek waar al de verschillende straten elkaar ontmoetten. Over een paar dagen zou het Sinterklaas zijn. Ik droomde al weer even van alle cadeaus die ik zou krijgen en praatte er honderd uit over met Tom en andere vrienden.
            De radio had kou, kou en nog eens kou voorspelt. Precies wat we wilden. De dijk die de Witte Huizen tegen de boze wereld – en tegen de autoweg – beschermde beklommen we moeizaam. Van daar af hadden we zicht op het hele wilde land. Links lag de aanbouw van de nieuwe brug over het meer, recht voor ons lag de meanderende weg naar het volgende dorp en achter de weg lag ons doel; de eindeloze woestenij met heuvels, zandvlaktes en braambossen. Achter ons de Witte Huizen, fiere haaientanden verzonken in de zwarte vruchtbare aarde, die zigzaggend de ijswaterlucht open kauwden. We gleden half struikelend lachend de dijk af. De sneeuw had alles glad en gevaarlijk gemaakt. Een wildernis vol onbekend avontuur grijnsde ons tegemoet!
            Beneden bleef Tom tijdens ons wandelen de grond naar gave karkasjes afspeuren. Iedereen die hem kende bewonderde zijn skeletverzameling. In doosjes van karton en hout lagen de bijna perfect bewaarde skeletten van muizen, ratten, padden, papegaaien, lijsters, mezen, een kat en zelfs van een otter die hij van een oom uit Noorwegen had gekregen. Toen ik hem eens met verhuizen hielp en een doosje per ongeluk liet vallen werd hij boos op zichzelf. Want hij had mij in vertrouwen genomen en dat was een fout geweest. Tom werd liever boos op zichzelf dan op zijn vrienden. Ik dacht altijd dat hij gewoon bang was om ons kwijt te raken.
            De autoweg was stil. Niemand die zich op het kristalliserende asfalt wilde wagen. Even werd mijn aandacht door een donkere vlek op het wegdek getrokken, maar Tom keek er niet eens naar. Daar zou geen botje heel van zijn. Ik begon te schuiven en voor we het wisten gleden we luidruchtig over het asfalt. We lieten sporen als van skiënde kangoeroes achter.
            Zonder dat we het hadden afgesproken was ik de leider. Ik was tenslotte degene die de ontdekkingsreis had voorgesteld en bovendien vond Tom verantwoordelijkheid maar niks. Als ik er zo over nadenk kan ik me geen moment herinneren dat hij ooit het initiatief nam. Ik vond het ook niks, maar deed graag wat ik wilde en het was prettig als anderen dan volgden.

De stokken die we als machetes gebruikten om de bladeren weg te slaan hadden we naast de weg gevonden. Het slaan zelf was al plezier genoeg, want eigenlijk zat niets ons in de weg. Ik zag hoe Tom telkens naar de heuvels verderop keek, waar een donkere kam van bomen de zwerk kietelde, maar ik voelde er niets voor om daarheen te gaan. ‘Dat is nou wat je ervan krijgt, Tom,’ dacht ik vilein, ‘als je niet het initiatief wilt nemen.’ Gek genoeg ergerde het me dat hij iets anders wilde, maar er niet voor durfde uit te komen. Hij stopte met staren en begon de grond weer af te speuren.
            Eindelijk waren we daar waar ik wilde zijn, al had ik niet van tevoren geweten dat ik daar wilde zijn. Het was een klein ondergelopen stuk met in het midden een eilandje. Als er geen ijs op het water had gelegen was ik eraan voorbijgelopen. Tom keek me vragend aan.
            ‘Zou het sterk genoeg zijn?’ vroeg hij. Ik voelde met de voet het met sneeuw bedrukte ijs en merkte dat het doorboog, maar niet direct brak.
            ‘Misschien… Wil jij niet ook op dat eilandje zitten?’ Tom knikte geestdriftig. Zijn blonde haar wuifde als een gordijn in de tocht.
            ‘Maar is het ijs sterk genoeg?’
            ‘Misschien als we snel genoeg rennen zijn we erover voor het breekt.’ zei ik.
            ‘Maar hoe komen we terug?’ Ik zag aan zijn blik dat het hem weinig kon schelen.
            Tom nam een aanloop en rende over het ijs. Het brak in grote stukken onder zijn zwarte schoenen. Aan de schotsen die hij maakte was te zien dat het ijs maar iets van twee centimeter dik was. Ik volgde een heel stuk verder naast zijn spoor. We renden snel genoeg om geen natte voeten te krijgen en vielen op het eilandje op het mos dat schitterde van de rijp.
            ‘Godsamme, zeg!’ riep hij juichend uit.
            ‘Ja, man!’ We steunden kreunend van de ren en voelden ons als helden uit de een of ander epos.

Het werd al snel duidelijk: we konden niet terug. Het ijs zou een terugtocht niet aankunnen. Ons eiland was afgesloten van de wereld. Ik was benieuwd hoeveel proviand we nog hadden en zocht door mijn zakken. Twee salmiakknotsen en een mandarijntje.
            ‘Wat heb jij bij je?’ Hij had een zak Engelse Drop. Daar konden we de hele nacht op teren. We bleken toch natte schoenen te hebben – dat gebeurde vast en zeker helemaal op het eind– en trokken onze schoenen uit om de sokken uit te wringen. Het was ijskoud, maar ik verdroeg ongemak zolang we plezier hadden.
            We lachten nog eens broederlijk. De vroege nacht begon het duister mysterieus te maken en het witte een goddelijk glans te geven. Ik vertelde hem over de tunnel die van de Sint Jan in Hilversum naar Huizen en het Gooimeer liep, door wat vroeger de Zuiderzee was. Ik vertelde nog een verhaal en nog één, terwijl we af en toe een dropje bestaande uit vrolijk gekleurde laagjes aten. De ronde blauwe en roze pittenkussentjes verdeelden we netjes onder elkaar. Sommige verhalen verzon ik ter plekke en andere had ik van familie & vriendjes gehoord.
            Boven ons eilandje was geen wolk te bespeuren. We konden in het bruine diep van het heelal staren. Ik vertelde over de Olympus Mons– wat de hoogste berg van het zonnestelsel is – waarin een een ondergrondse stad zat. Natuurlijk waren de marsmannetjes niet groen met grote uitpuilende ogen en waren ze zeker niet enkel mannelijk. Nee, ze bleken blauwig te zijn en hadden een poreuze huid, zodat ze de schamel aanwezige zuurstof beter konden absorberen. Het waren bijna alleen vrouwen, net als bij leeuwen. Hun ogen waren kleine spleetjes en de mannen hadden inderdaad ook manen.
            Onze konten werden nat in het vochtige mos, maar onze ruggen bleven warm in de jassen die bol stonden van het schuim. Een schuim waarvan ik kon vertellen dat het meer dan eens levens had gered omdat het vuurbestendig was.
            Toen werd het tijd voor Tom om een verhaal te vertellen. Dat was het beste van met Tom rondlopen. Altijd kwam hij met een verhaal waarover je moest nadenken.
            ‘Wist je dat Sinterklaas in de derde eeuw na Christus werd geboren? Niet in Spanje, maar in Myra aan de kust van Turkije – wat toen nog Romeins was. Vanaf zijn geboorte al noemde iedereen Nicolaas een heilig boontje, zo vreselijk Christelijk was hij.’ Tom knipoogde naar me, maar dat was moeilijk te zien in de duisternis. ‘Omdat hij nog meer wonderen dan Jezus verrichtte stond hij bekend als een wonderdoener, maar niemand snapte dat dit fout was. Want had Jezus niet gewaarschuwd tegen valse magiërs? Ja, dat had hij.’ We lachten hard. Ik verslikte me bijna in een dropje. Luid kuchend verdeelde ik de salmiakknotsen.
            Toms ouders kwamen uit de buurt van Kampen en behoorden tot de Zwarte Kousen-gemeenschap. Eng witte mensen. Ik dacht altijd dat ze familie van Dracula waren of zo. Tom had er niks mee. Die ging zijn gang.
            ‘Wat niemand wist was dat om wonderen te kunnen verrichten Nicolaas een verbond met een heidense god had gesloten! Wodan, oppergod van de Vikingen, had zijn oog ingeruild voor een blik op de toekomst en gezien hoe de Christenen zijn geloof zouden uitroeien. Hij wilde vriendjes met de nieuwe godsdienst worden, zodat hij en zijn medegoden genoeg aandacht zouden blijven krijgen.’ Het was altijd hetzelfde met Tom. Hij wist zoveel dat je nooit zeker wist wat hij je op de mouw spelde. ‘Weet je dat de goden leven van de aandacht van mensen? Zonder dat zouden ze verdwijnen als een soapsterretje die door de paparazzi wordt genegeerd. Wodan deed Nicolaas een aanbod: zijn mooie witte schimmel om in een oogwenk van de ene naar de andere plek te rennen en zijn speer waarmee hij de vijanden van het geloof kon vernietigen. Zo kon Nicolaas tegelijk de heiligman zijn en strijden tegen de barbaren uit het Oosten die het Romeinse rijk bedreigden. Niemand weet of de andere bisschoppen ervan wisten, maar in ieder geval kwam het keizer Constantijn goed uit. Ook Wodan kwam het goed uit, want iedereen die Nicolaas zag moest onherroepelijk aan de Alvader denken.
            ‘Nicolaas genoot zo van dit dubbelleven dat zijn lichaam soms doorschijnend was. Zijn onderdanen dachten dat het kwam door zijn hoogste heiligheid en aanbaden hem nog meer. Op het strijdveld stond hij bekend als Nik de Furie, gesel van de Parthen. Toen hij zijn einde voelde naderen ervoer hij een diepe schuld over al die doden en bad vurig om vergiffenis. Natuurlijk werd hij heilig verklaard. Als beschermheilige van kinderen, ongehuwde vrouwen, kooplui, studenten, geliefden, slagers, dieven, moordenaars, piraten en eigenlijk al het tuig op straat kon dat toch niet anders? Maar er stond wel iets tegenover. Dat is waarom hij sindsdien op december over de daken rijdt om zijn zielenheil te verlichten. De Zwarte Pieten zijn de zielen van alle vijanden die hij heeft gedood.’
            We lagen in de stilte van ons koude eiland te luisteren naar het slaan van vleugels in de verte. Het kon ook de tabberd van de Sint kunnen zijn, klapperend in de striemende lucht.         Ik staarde naar de hemel en geloofde even met heel mijn hart in het bestaan van onderaardse Marsvrouwen en de koopwaar die ze hun mannen in ruil voor een Marsnacht van minnen beloofden. Ik droomde ervan een vriendinnetje te hebben, van het krijgen van kinderen, van het verzamelen van de schedels van de doden, van het opzetten van skeletten en ze nieuw leven inblazen. Ik droomde van een Sint die helder was als het zuiverste water en tegelijk duister als het vuilste kool. Ik droomde van roetzwarte zielen die zich in de mantel van de Sint verstopten, waarvan de binnenkant zwart als het universum was, duister als een lege schedel. Nooit eerder had ik zo gedroomd.
            We lagen te verkleumen in een kou die zo diep klauwde dat het op sterven leek. We geloofden werkelijk dat we nooit meer van het eilandje af zouden komen.

Tom was de eerste die zich verroerde. De Engelse drop was op. Ik wilde blijven liggen en verder dromen.
            ‘Maar we kunnen toch niet weg tot het meertje is dichtgevroren?’ zei ik. Ik heb eigenlijk nooit zeker geweten of ik in Sinterklaas geloofde. Hoe kan je weten dat je gelooft als er geen reden is om aan je geloof te twijfelen? Ik wist niet eens of ik ervan overtuigd was dat de Sint bestond, want hoe kon ik overtuigd zijn van iets als er geen reden bestond om te denken dat hij ook niet kon bestaan?
            ‘Wil je dan de hele nacht hier blijven kleumen,’ vroeg hij. Dat begreep ik ook wel. We konden gewoon weg. Natuurlijk konden we gaan wanneer we wilden. De honger maakte het moeilijk om de overtuiging vast te houden dat we afgesloten van de werkelijkheid waren. Achter het eilandje was de afstand tot het vaste land een stuk korter.
            We stampten luid klossend het ijs aan stukken. Het kon ons niks schelen of we nat en koud werden. Het waren maar een paar stappen. Vijf, om precies te zijn. Van daar was het een klein stukje naar huis. We sloegen de dijk rond de Witte Huizen over. We hadden geen zin in de koude klim. Ik zocht niet meer naar skeletten en Tom ook niet. We namen van elkaar met een knik afscheid. Hij ging naar zijn stuk van de wijk en ik naar het mijne. Thuis wachtte een warme kachel.


Nik de Furie
illustratie M. Ozymantra

donderdag 1 december 2011

Doe Maar een nieuw gevoel

Is dit alles, het eerste nummer van het derde album van Doe Maar, Doris Day en andere stukken, verscheen in 1982. Het album maakte nogal een indruk op een generatie. Dit was toen ik voor het eerst van de band hoorde, mijn ouders kochten het, maar voor mij was het ook het begin van het einde. Toen 4Us uitkwam was ik hen zat. Iedereen praatte erover, iedereen draaide het maar, niemand dacht nog na. Als echte fans dichtgeslagen met bewondering. Jaren later ging ik weer eens luisteren en ontdekte een schat aan muzikaliteit en tekstuele juweeltjes. Doe Maar was punk met een vrolijk deuntje. Ze waren The Police, maar dan authentiek Nederlands. Niet een bandje die de buitenkant van Engelstalig muziek na-aapte, maar eentje die naar de basis ervan keek en deze transponeerde naar een vaderlands gevoel. Hun teksten zijn hard tot op het nihilistische, maar altijd prachtig commercieel verpakt in vrolijke reggae en ska.

De voetstappen, het fluiten aan het begin. Vooral dat laatste… het klinkt vrolijk, maar er zit iets dreigends in. Dan die sleutelbos en de trage trompet die de lome beat inleidt. Henny Vrientens bijna zeurderige dictie. Zijn zuchten is acteren en toch ook weer niet. Het gevoel dat hier indirect wordt bezongen, het gevoel dat nooit echt benoemd wordt, is iets dat hij kent. Misschien tweedehands van vrienden of familie, maar hij is er intiem bekend mee. Als je het mee heb gemaakt weet je onmiddellijk wat hij bedoelt. Veel van hun fans zal het een raadsel zijn. Hoeveel van hen zaten vast in een lange relatie en wilden er genoeg moeite voor doen om deze te redden? De meeste van hen waren de helft jonger dan Vrienten en co en naarmate de band langer bestond werden de fans steeds jonger. Natuurlijk stelt een kind en zeker een puber zichzelf en de ander vaak die vraag: is dit alles? Maar voor zoveel andere redenen dan alleen relationele.

Dit gevoel van eenzaamheid in een relatie is natuurlijk niet door Doe Maar uitgevonden. In alle kunsten sinds, zullen we maar zeggen de industriële revolutie, kwam dit naar voren, met als hoogtepunt de jaren 60. Meestal was het antwoord simpel. Ga uit elkaar, vindt nieuwe liefde of doe alsof er niks aan de hand was. Dat je er ook echt iets aan kan doen zonder de relatie te verbreken of ruïneren mag misschien nieuw worden genoemd. Dat het zo subtiel en toegankelijk werd verpakt voor het Nederlandse taalgebied is waarschijnlijk uniek. Dat Doe Maar door muziek serieus te benaderen, tekst niet grappig of romantisch te maken, de weg opende voor talloze kleinere en grotere bandjes die gemakzuchtig onder de term Nederpop werden geveegd mag een feit zijn. Dat Vrienten zelfs in deze minimale tekst een dans uitvoert tussen onschuld en nihilisme in dat ene zinnetje ‘uiteindelijk zijn we allemaal de klos’ toont hem als een groot popartiest. Maar dat hij en maten besloten de populariteit te ontvluchten door de band op te doeken mag triest worden genoemd. Wat als ze net als collega’s The Beatles en Blur hadden besloten hun muziek net zo volwassen te maken als de teksten en zo de commercialiteit waren ontvlucht?

Is dit alles?
Illustratie M. Ozymantra

zondag 20 november 2011

Hemingways krassen

Ja, ik weet het, het klinkt pretentieus als je zegt Hemingway en Orwell te lezen. Ik lees ze inderdaad, maar vertel het niemand. Tenslotte wil ik niet pretentieus overkomen. Er is absoluut één ding dat elk beginnend schrijver in Nederland moet voorkomen en dat is anderen het idee geven dat ze pretentie hebben. Hemingway, zoals u vast weet, leefde vanaf 1899 tot 1961 en schreef voornamelijk boeken tussen de jaren twintig en vijftig. Hij had een avontuurlijk leven te midden van de twee wereldoorlogen. Orwell leefde een stuk korter, vanaf 1903 tot 1950. Ook hij was aanwezig in de Spaanse Burgeroorlog, maar kreeg geen Nobelprijs voor zijn oeuvre. Hij schreef wel 1984 en Animal Farm, twee boeken die nog steeds graag gelezen en geciteerd worden. Hemingway heeft met zijn spaarzame proza en strenge opvattingen enorme invloed gehad op de schrijvers die volgden. Orwell staat vooral bekend om zijn compassie met de armen en hardwerkende man/vrouw.

Wat mij opvalt als ik deze twee naast elkaar lees is dat ik Orwell plezieriger vind. Hij schrijft in prachtige ronde zinnen die soepel door mijn ogen lopen en sterke beelden oproepen. Het is telkens alsof ik een sappige kipfilet tot me neem, zo vol smaak, zo makkelijk te verteren en rijk. Maar niet te rijk. Geen overdrijven. Geen zweven. Nee, Orwell brengt ons precies daar op aarde waar we horen te zijn. Hemingway is een heel ander soort schrijver. Zijn achtergrond als journalist maakte dat hij neigde naar grote efficiëntie. Hij schreef dan ook vooral korte verhalen. Onder invloed van een aantal modernistische schrijvers als Elliott, Pound, Joyce, Dostojevsky en Proust begon hij te werken aan zijn stijl. Hij schraapte steeds meer weg en probeerde de diepere laag van het verhaal te impliceren door goed gekozen beelden. Het maakt dat ik zijn schrijfstijl soms een beetje krasserig en koud vindt. Hij haalt zijn literaire nagels over de klei van de geest en wat er overblijft lijkt meer op een sculptuur van Giacometti dan van Rodin.

Veel schrijvers volgen vanzelfsprekend in het voetspoor van Orwell. Zulk schrijven komt op ons natuurlijk over. Zijn afgetrainde warmte leent zich uitstekend voor het vertellen van inlevende verhalen. Niettemin heeft Hemingway de meeste invloed op de huidige schrijvers. Hij is bijvoorbeeld goed terug te vinden bij Grunberg. Net als Van der Rohe’s ‘Minder is meer’ door beeldende kunstenaars en masse werd overgenomen, lopen vele schrijvers en redacteurs nog steeds achter Hemingways minimalisme aan. Het is ze gebleken dat veel lezers graag weinig moeite doen en dat deze benadering ze het best bediend. Waar Hemingway zocht naar een manier om zich uit te drukken wordt van de moderne schrijver verlangd dat hij deze stijl kant en klaar in de boekenwinkel kan leggen. Elke franje aan de tekst maakt het tenslotte alleen maar moeilijker. Alleen lijkt de diepere laag die bij Hemingway impliciet aanwezig is te missen bij nieuwe schrijvers.

Schrijvers uit zijn tijd wilden meer dan alleen goede boeken maken. Pound, Elliott, Joyce, Giacometti, Picasso, noem maar op, ze wilden allemaal meer. Ze hadden de pretentie op wereldniveau te werken. Orwell wilde de wereld veranderen, Hemingway wilde het proza heruitvinden. Voor de kinderen van deze tijd moet dat maar vreemd lijken. Hun wordt geleerd vooral niet teveel van kunst te verwachten. Dat terwijl deze oude literatuur en schilderkunst nog steeds over de hele wereld wordt gelezen en gekeken en nog steeds veel invloed heeft.


Hemingways krassen
illustratie M. Ozymantra (naar een foto)

maandag 14 november 2011

69

Deze twee cijfers op hun zijde maakt het astrologische teken voor de Kreeft. Beroemde Kreeften zijn Julius Ceasar, Calvijn, Mandela, Isabelle Adjani en Rembrandt van Rijn. Astrologie zoals wij die kennen is bedacht, verzonnen, uitgevonden of opgespoord, het ligt eraan hoe je er tegenaan kijkt, in het oude Mesopotamië, een rijk van stadstaten dat plusminus 5500 jaar geleden tussen de Tigris en Eufraat lag, waar nu Irak is. Astrologie vormt de basis van de tegenwoordige wetenschap van de sterren, astronomie. Dat de mens naar de sterren keek en erover noteerde gebeurde al plusminus 25.000 jaar geleden. Er zijn aantekeningen op bot gevonden van de oermens waaruit af te lezen is dat men het toen al bijhield. Wat voor betekenis dit voor hen had kunnen we alleen maar naar raden. Wat we wel denken te weten is dat Stonehenge, het jongesteentijdobject in Groot-Brittannië, een soort van zonnewijzer was. Op bepaalde punten en momenten kan men aan de hand van de vallende zonnestralen en de schaduw zien of een seizoen begint. Dat men daar veel waarde aan hechtte mag men aannemen want ongeveer vijfduizend jaar geleden.zonder moderne technologie, zelfs zonder metaal, was het vast een hels karwei dit te bouwen. Als we er even van uitgaan dat het niet buitenaardsen waren die het bouwden. Van Kreeften wordt gezegd dat ze warmbloedig zijn en ook erg moederlijk. Kreeften schijnen ook lekker te smaken, maar daar heb ik geen ervaring mee. Het idee dat zo’n beestje in koud water wordt gezet en dan langzaam dood wordt gekookt spreekt me niet aan. Ook al smaken ze blijkbaar dan het best.

Waar de meeste mensen aan denken bij het zien van het cijfer 69 is waarschijnlijk de seksuele daad die hiermee aangeduid wordt. Jimi Hendrix heeft hier ooit een liedje over geschreven genaamd If 6 was 9 met een prachtige suggestieve tekst. Jimi was Boogschutter, het teken waaronder ik ben geboren. Boogschutters staan in de astrologie wel bekend om hun seksuele vrijmoedigheid. Waar deze lustgevoelens bij de Kreeft nogal naar binnen zijn gekeerd komen ze bij boogschutters maar wat graag naar buiten. Soms zelfs plat of ordinair. Zeker wat betreft Kreeften, heb ik wel eens gehoord. Ik zal toegeven gemengde gevoelens te hebben bij standje 69. Het ligt er echt aan hoe goed je partner jou aanvoelt en vice versa. Soms is het hopeloos, maar het kan inderdaad magische proporties aannemen. Het lijkt mij in ieder geval niks voor beginnelingen.

Maar eerlijk gezegd kwam ik tot de titel omdat ik de meeste blogjes nummer en dit 69 is. Een trein van associaties ontstond die ik achterstevoren aan jullie heb verteld.


If 6 was 9
illustratie M. Ozymantra

vrijdag 11 november 2011

Treurwilg in de garage

De wereld is niet meer hetzelfde, wordt wel eens gezegd. De wereld is een groot begrip, dat zich uitstrekt van horizon tot horizon en tegenwoordig van chip tot USB-stick. De wereld is te groot, het universum is te koud, God heeft zich teruggetrokken of bestaat niet, de vrouw is onafhankelijk, de man is geen man meer, de buitenlander is de nieuwe maatstaf, de binnenlander de nieuwe schurk. De wereld draait maar door en door zonder dat wij er iets aan kunnen doen. Ons leven tikt langzaam af en dat begin je te merken als je te vaak naar medische programma’s kijkt. Geen dokter die nog geloofd wordt want alle specialisten spreken elkaar tegen en niemand weet nog wat de waarheid is. Als er al zoiets als waar-zijn is. Iedereen een eigen universum van overtuiging, een eigen wereld van ervaring die ook nog eens ondeelbaar is. Een eind aan het samenzijn.

Een bijna vanzelfsprekende reactie is de mens weer terug in zijn hokje duwen. Er wordt een spektakel bedacht zoals White Sensation, wereldkampioenschap voetbal, een gezamenlijke munteenheid, een programma dat iedereen elke avond moet zien omdat men er anders niet bij hoort. Mensen gaan elkaar weer corrigeren en kanker is als vloek taboe. We vinden dat we ons meer als de ander moeten gedragen, dat we meer als de ander moeten zijn, want we zijn tenslotte alleen dan veilig en iedereen die daar tegenin gaat wordt de weg versperd. Vreemd is vies. Gek is fout. De ‘fool on the hill’ moet worden geholpen. Wees toch vrolijk. Waarom lacht hij nooit op foto’s? Iedereen gaat naar dezelfde supermarkt en zo niet dan lijken de supermarkten steeds meer op elkaar. Iedereen zit op hetzelfde sociale platform en als men daar afwijkt dan geven we mensen aan. Bovendien gaan alle sociale platforms steeds meer op elkaar lijken. Een intelligent mens moet meer op zijn gevoel letten, want in het gevoel zijn we allemaal hetzelfde. Steek er vooral niet bovenuit met je verstand! Steek er alleen bovenuit met je gevoel. Oh, ja, en talent? Dat wordt bepaald door de massa. We stemmen wel voor degene die het beste is. Wij maken uit wat goed is. Vox Populi!

Er is geen ruimte meer voor afwijken. De regels van de Euro maken dat de Grieken hetzelfde moeten denken en voelen als de Nederlanders. Anders klapt de munt, de muntunie, de economische werkelijkheid, onze welvaart, ons gevoel van welbehagen, onze rust. Ik zou graag een pleidooi houden voor het afwijken, voor nummerbordspelletjes, bunkerbonken, parkeergarageïntimiteiten, de treurwilg onder de meisjes, de vlerk die flapt in de nacht, maar ik ben bang om onrust te veroorzaken. Ik ben bang om de weg versperd te vinden die ik graag zou leven. Ik ben bang dat ‘samenzijn’ en ‘afwijken’ niet samengaan. Misschien dat het dit ooit deed, in de mooie jaren zeventig van de vorige eeuw bijvoorbeeld, maar wat moeten we er nu mee? Als afwijken niet is om te zetten in veilige commerciële producten dan is het gevaarlijk voor de eenheid. Als afwijken om te zetten is wijkt het niet meer af en verliest het zijn waarde.

Laten we wel wezen, al dat beperken tot één en dezelfde stem zou geen echte kunstenaar ooit lang kunnen verdragen en ook een zichzelf respecterend mens zou dit niet moeten doen. Ik stel voor: opstand, opstand opstand!


Verknocht
Illustratie Marcel Ozymantra

woensdag 19 oktober 2011

De wonderlijke avonturen van Alfred de kat - 2

Het verhaal van Alfred de kat is niet een doorsnee vertelling waarin we allerlei menselijke gevoelens en eigenschappen aan dieren toekennen om zo iets over onszelf te zeggen. Het is een poging te kijken vanuit het perspectief van een dier dat misschien wel zo vreemd aan ons is als onze blik aan die van een buitenaards wezen. Overigens net als dat het perspectief van een kat zo vreemd is aan dat van een specifieke vogelsoort als de kraai. Als uitgangspunt neem ik wetenschappelijk onderzoek, eigen en andermans observatie. Het totale vermijden van menselijke interpretatie zal natuurlijk onmogelijk zijn. Al was het maar dat een dier niet in woorden denkt en onze woorden tegelijk ontoereikend als te betekenisvol zullen zijn. Een zekere mate van romantische interpretatie is dan ook niet te ontgaan. Niettemin staat het zo ver af van de normale knuffelverhalen dat het menigeen kan afschrikken. Natuurlijk zal ook in dit verhaal veel verteld worden over ons menselijk bestaan, maar dan door de lens van de aliens waarmee we samenleven.

Deel 2

Alfred lag lang uitgestrekt in het zand en liet de zon loom zijn haren bespelen. Zijn poten leken wel helemaal tot aan de andere kant van de tuin te reiken. Hij klauwde zijn nagels even uit en droomde van een aan stukken gescheurde duif. Dat was lang geleden, die duif. Als jonge kat rende hij vaak achter ze aan om er zo nu en dan één te vangen en in een wild gevecht de nek te breken. Al die veren in het rond, al dat nodeloze geklepper van de vleugels, de geur van vers bloed, het was zo’n sterke samengebalde herinnering dat er even niks anders in de wereld bestond dan dat. Zijn duif… zijn prooi… zijn cadeau aan de baas. Deze had er weinig van begrepen. Maar Alfred meende het met de ernst van een gelovige die aan zijn god offerde. Het was de dank voor een leven van luxe en aaien. Aaien… Geaaid worden was één van de leukste dingen ooit! Al kon hij er soms geheel genoeg van hebben. Soms voelden leuke dingen te leuk, dan werd hij onrustig en moest lopen. Naar waar dan ook. Die duif. Alles aan die duif zat nog in hem. De herinnering aan die duif was het dierbaarste van het moment. En de zon. De lome slome zacht brandende niet aflatende zon die alles een heerlijk geurtje gaf. Wat een gek ding toch, die zon. Die gloeiende vlek daar helemaal boven waar je niet eens bij kon komen vanaf de hoogste tak of het dak. Dat dak. Dat dak dat zo heerlijk was tegen de regen.

Alfred rook weer de kaas van achter de Stenen Woestijn. Hij besloot toch maar eens een kijkje te gaan nemen. Op dat moment zag hij pas dat Lules zich bij haar maatje had gevoegd. Ach, weer een kans gemist. Het was niet meer hetzelfde met jagen sinds de operatie. Hij wist nog niet zeker of zijn baasje er schuld aan had of niet. Zo ja dan vroeg Alfred zich af of die duif niet teruggegeven zou moeten worden. Of iets anders. Iets dat hij moest doen dat verschrikkelijk was. Hij vond het niet leuk om boos op zijn baasje te zijn.

Het doorkruisen van Het Struikenparadijs was als altijd spannend, maar niet zoals vroeger, nee. Hij had niet meer die jongensachtige verwachting over wat komen zou. Hij miste dat niet echt, want de rust was ook iets waard, maar toch… Toch…


illustratie M. Ozymantra

vrijdag 14 oktober 2011

De wonderlijke avonturen van Alfred de kat - 1

Het verhaal van Alfred de kat is niet een doorsnee vertelling waarin we allerlei menselijke gevoelens en eigenschappen aan dieren toekennen om zo iets over onszelf te zeggen. Het is een poging te kijken vanuit het perspectief van een dier dat misschien wel zo vreemd aan ons is als onze blik aan die van een buitenaards wezen. Overigens net als dat het perspectief van een kat zo vreemd is aan dat van een specifieke vogelsoort als de kraai. Als uitgangspunt neem ik wetenschappelijk onderzoek, eigen en andermans observatie. Het totale vermijden van menselijke interpretatie zal natuurlijk onmogelijk zijn. Al was het maar dat een dier niet in woorden denkt en onze woorden tegelijk ontoereikend als te betekenisvol zullen zijn. Een zekere mate van romantische interpretatie is dan ook niet te ontgaan. Niettemin staat het zo ver af van de normale knuffelverhalen dat het menigeen kan afschrikken. Natuurlijk zal ook in dit verhaal veel verteld worden over ons menselijk bestaan, maar dan door de lens van de aliens waarmee we samenleven.

Deel 1

Natuurlijk heette Alfred niet Alfred. Dat wisten alle katten. Maar Alfred vond het niet vervelend om zo te worden genoemd. Zijn echte naam had waarschijnlijk voor verwarring gezorgd. Dan had hij misschien gereageerd alsof de roepende een kat was en niet een mens. Zijn echte naam was een samenstelling van kattenklanken en kattengeuren en ook van een vleugje kattenkrabben. Geen echt mens had deze kunnen uitspreken zonder voor mafkees uitgemaakt te worden. Soms kwam zijn baasje akelig dichtbij met zijn gekoer en gekrauw om aandacht, maar zijn baasje was dan ook een beetje gek, vond Alfred. Vergeleken met andere mensen.

Het was weer een dag als zovele, met de geuren zoet van muizen, bitter van boombast en brandnetel, indringend van bloemen en hun dragers van geel stuif en met de dauw die nog niet elk hoekje was ontvlucht. Alfred was als een geest zo licht die over de aarde vlood met de tred van een dief. Daar aan de overkant, achter het Struikenparadijs, boven de Stenen woestijn, links van de buren die nooit buitenkwamen en soms toch wel, stond er kaas op een tafel tussen het verse brood. Op een bord van glad steen op een kleed vol platte bloemen. Bloemen en kleed hadden dezelfde geur, maar dit negeerde hij. Die kaas was zo scherp dat de hele buurt er van gloeide. Zelfs Peter en Druusa van twee straten verderop hadden het geroken. Alfred kon het aan hun beweging horen.

In de boom aan de rechterkant, drie stappen verder van de aasboom, vier sprongen en een stap rechts van de meiboom, in de boom die vogels vluchtboom noemden, zat een ekster genaamd Jules te kwetteren. Hij wachtte op Lules, zijn maatje voor eeuwig. Tenminste, tot Alfred één van hen te pakken kreeg. Ook dat waren natuurlijk niet hun namen en geen mens had ze verzonnen, maar Alfred sprak geen Eksterig, tenminste, niet voldoende, zodat hij niet kon wist hoe ze echt heetten. Kraai had hij het wel eens gevraagd, maar Kraai antwoordde zijn vragen nooit, nee, hij vertelde alleen. Zijn verhalen van over de hele stad, of dat wat de kraaien noemden: Stagroot. Alfred zou zich aan Jules kunnen ergeren, maar de zon was daarvoor te lekker. Bovendien leek het hem een uitzonderlijk goed moment om Eksterig te bestuderen. Het was vast niet zo anders dan Kraais. Misschien zou hij zo op iets komen om Jules te vangen.



illustratie M. Ozymantra

woensdag 5 oktober 2011

De ernst van de situatie

Het is iedereen vast opgevallen dat we een hoop problemen in de wereld hebben. Ik zou er een opsomming van kunnen maken, maar je hoeft enkel de krant te openen, de tv aan te zetten of op internet te kijken om te zien waar ik het over heb. De wereld danst langzaam naar een mogelijke afgrond toe, maar we weten niet hoe groot die afgrond is, hoe diep of dat we misschien al bezig zijn met vallen. Is alles nog op te lossen, kunnen we er iets aan doen, of is het hopeloos en is het tijd voor een feestje want na ons de zondvloed?

Maar deze problemen zijn mijns inziens niet het echte probleem. Veel ervan is buiten onze macht om er iets aan te doen en het zou toch gek zijn als we denken door te posten op Facebook, door brieven te schrijven naar krant of tv we daar echt iets aan kunnen doen. Op een bepaalde manier komt dat over als het afkopen van onze zorgen. Iets in de wereld geeft een onprettig gevoel, we reageren en kunnen verder met het leven. We hebben tenslotte genoeg te doen en kunnen ons toch niet overal de hele tijd zorgen over maken.

En er zijn altijd redenen om verantwoordelijkheid over wat er gebeurd uit de weg te gaan: je bent het niet eens met de analyse, het is zo ver van mijn bed, iemand anders lost het wel op, we gaan toch naar de hel want daar horen we thuis, zij hebben het gedaan dus zij lossen het maar op, ik heb al nauwelijks genoeg tijd om mijn eigen problemen op te lossen, de wereld is te groot voor mij, ik doe toch mijn best want ik ben een lief mens, negativiteit helpt niet, positiviteit ook niet, ze gebruiken de verkeerde woorden dus ik kan ze niet serieus nemen, er is teveel te doen en ik leef maar 1 keer, iedereen moet voor zichzelf zorgen en natuurlijk moeten we allen vooral veel tijd besteden aan geld verdienen voor dak, voedsel, kinderen, vakantie, iets leuks, noem maar op. Ik heb vast een paar excuses vergeten, maar laat dat vooral een excuus zijn om de ernst van de situatie uit de weg te gaan.

We leefden tot voor kort in de rijkste tijd ooit. Nog nooit had de mensheid zoveel luxe en zoveel mogelijkheden. Niet dat iedereen er in kon delen, maar dat is nooit anders geweest. Nu was het mogelijk voor grote delen van de wereldbevolking om te leven als de aristocraten en plutocraten van vroeger. Een leefwijze is ons in het westen eigen geworden die men zich vroeger nog niet eens kon dromen. Iedereen kan reizen naar de andere kant van de wereld, plastische chirurgie is voor de meeste binnen handbereik, schoon water voor de massa, medicijnen voor elk kwaaltje behalve de dood, veiligheid voor de werknemer, uitbanning van agressie uit de openbare ruimte, noem maar op, reizen in de ruimte. We hebben kunnen leven als gegoede burgers in een uitermate luxe maatschappij. We zijn er met die luxe vandoor gegaan als verwende kinderen en vervallen tot puur hedonisme en decadentie. Al die rijkdom hebben we vrolijk over de ruggen van de armen in andere landen verkregen, maar dat kochten we af met ontwikkelingshulp en de plichtmatige uitroep ‘dat het allemaal verschrikkelijk is’ daar in die andere landen. We kregen het zelfs voor elkaar onze eigen wereld te beklagen dat het nog niet rijk, veilig, spannend genoeg was. Ach, wat was het hier eigenlijk verschrikkelijk. En nu is het voorbij. Of was het al voorbij? Vallen we al in die afgrond? Zo niet, hoe lang duurt het voor we in die afgrond vallen en kunnen we het vermijden?

Het echte probleem zijn niet de grote problemen van de wereld, maar hoe we het voor elkaar krijgen onze kop in het zand te steken. We verstoppen ons in vermaak van allerlei soort en klagen graag over wat er aan de rand van ons uitzicht gebeurd. Al die onfraaie rafels die we proberen te ontwijken in onze poel van plezier en afleiding storen ons, zodat we alsmaar dieper wegduiken. Het echte probleem is dat niemand bereid is de ware ernst van de situatie in te zien en zich aldus te gedragen. Alles wat we hadden, alles dat we konden worden, al het goed dat we kunnen doen, dat alles staat op het spel. Net als ieder ander hou ik van spel en plezier, afleiding is een must, maar het is niet de oplossing. Plezier en ernst kunnen wel zeker hand in hand gaan. Misschien als we ons meer bewust zijn van onze sterfelijkheid en ons falen wordt dat plezier meer intens geleefd en kan het tot helen leiden.

Er zullen van jullie vast zijn die dit allemaal domineepraat vinden. Tenslotte is dat ‘de aard’ van de Nederlander waar wij die ouder zijn, wij van voor het hedonistische tijdperk, nog het meest aan herinnert worden als we gevraagd worden het leven ernstig te nemen. Waren de jaren zestig en al dat soort dingen niet een afzetten tegen dat eeuwige zondebesef van onze Protestantse ouders? Veel van mijn generatie en die daarvoor zullen een instinctieve afkeer voelen van wat ze zien als moraliseren. ‘Ik weet niet waarom ik er van ga steigeren, maar ik doe het automatisch als iemand me verteld wat te doen.’ 'Laten we het gezellig houden.' Daar zeg ik op: get over it! Wordt eens wakker! Dit is een echte afgrond waar we het over hebben. We weten niet hoeveel tijd er nog is. Willen we de volgende generaties met deze toekomst opschepen?

woensdag 28 september 2011

Kouwe drukte

Onrust op de markt. De ene koopman schreeuwt dat zijn waren voor maar drie dubbeltjes zijn te krijgen en de volgende gaat daar onderdoor. Ze kochten datzelfde product voor vier dubbeltjes, maar het is belangrijker dat iets wordt verkocht. Als je klanten genoeg aan je kan binden kan je later de prijs weer verhogen. Kopen en verkopen, dat is hun wereld. Alles gaat prima tot het nieuws komt dat de gemeente meer geld voor de staplaatsen wil. Ze hebben namelijk een tekort opgelopen. Niemand weet precies waar. De rechtse stadsdeelleden zeggen dat het komt door drugsoverlast & uitkeringen, de linkse stadsdeelleden houden vol dat het ligt aan malafide huisjesmelkers & belastingontduikers. Iedereen die buiten dat discours staat houdt het op uit de hand gelopen uitgaven bij de noord-zuid-west-oost-tunnel.

Staplaatsen worden duurder, de markt moet zijn prijs verhogen, maar het bloed kruipt en toch gaan ze weer onder de prijs. Dat afbetalen van de staplaats komt toch pas aan het eind van de maand. Tijd genoeg om het geld bij elkaar te krijgen. De stad heeft geld moeten lenen om de tekorten op te vangen en de marktlui betalen allemaal te laat waardoor de gemeente weer meer geld moet lenen. Men wordt enigszins ongerust. Wat als die lening niet betaald kan worden? Ze hebben het geleend van de staat, maar die rekent op een afbetaling aan het eind van de maand. De gemeente verhoogt nog maar eens de verhuur van staplaatsen. De markt weigert zijn prijzen te verhogen, want de concurrentie is moordend. Letterlijk. Een buurman heeft de viskraam van zijn competitie in de fik gestoken en die ging in vlammen op met vrouw van eigenaar en al.

De staat heeft een tekort op het budget omdat het geld van de gemeente niet op tijd binnenkomt en men begint zich zorgen te maken. Iedereen weet wie van wie geld heeft geleend en men weet dus ook dat de eerste groep, de markt, niet genoeg geld heeft om zijn lening af te betalen. Niet tenzij ze plotseling de prijzen drastisch verhogen. Maar als die prijzen worden verhoogt dan hebben de burgers niet meer genoeg geld om de huur van huis & verzekeringen te betalen. Dan heeft de staat geen inkomsten meer. Iedereen maakt zich ondertussen zorgen, behalve de markt, want die verkoopt niet voor het geld, maar om het verkopen. Elke keer als ze boedel inruilt voor geld en vice versa houdt ze zichzelf in stand. Men lacht erbij, want spektakel is geweldig en al die marktlui zijn adrenalinejunkies.

Iemand begint te investeren in goud, want dat is zeker, daar weet iedereen van dat het alleen maar in prijs zal stijgen, in ieder geval niet zal dalen. Hoe meer mensen kopen, hoe meer het waard wordt, hoe minder kans er is dat je het voor dezelfde of een betere prijs kan verkopen. Sorry, hoor, maar wat een gedoe, zeg. Waarom al die drukte eigenlijk?

maandag 26 september 2011

Geheugen als een geschiedenis

Ik heb misschien een beetje gekke ideeën over geschiedenis. Ik vind het bijvoorbeeld leuk om over oude beschavingen of opgravingen of boeken en gebruiken te lezen. Ik geniet er ook van als wetenschappers hier enthousiast over kunnen worden. Het is ongebreideld plezant om meer te leren over het verleden van mijn land, mijn stad of de aarde en wat daarop rondkruipt. En ik hoef het niet te weten voor cijfers, diploma’s of wat dan ook, ik geniet van kennis. Dat daar iets extra’s bijkomt in de vorm van inspiratie voor creativiteit of inzicht in de mens of gewoonweg gesprekstof is alleen maar een geweldige toevoeging. Kennis vergaren is leuk! Nerdy McNerd? Yep, and proud of it! Fuck al dat anti-weten dat deze tijd zo eigen is. Geen brood en spelen om mij in slaap te sussen! Nou ja, een klein beetje, maar niet genoeg om in te sukkelen en te missen wat er met onze wereld gebeurt en is gebeurd. Zo kijk ik weer eens naar de HBO-serie Rome en ga dan toch even Wikipedia afzoeken naar wat we de feiten noemen. Kicken!

In de loop der tijd is er dan ook een bepaald idee bij mij ontstaan. Namelijk dat een land als een mens is, met een geboorte en een dood. In tegenstelling tot een mens kan een land ook opgaan in een ander land, of anderen in zich opnemen. Een land is ook een onderdeel van een grotere identiteit, zoals de Europese, waar waarschijnlijk meer landen bij horen dan alleen de strikt Europese landen. Dan zijn we allen ook nog onderdeel van de soort genaamd Mens of Homo Sapiens die ook een eigen identiteit heeft. Ik denk dat geschiedenis dat is wat wij voor onszelf een leven zouden noemen. Een land groeit meestal vreselijk traag op, maar doorloopt vergelijkende fasen als een mens. In het begin is het zich van niets dan zichzelf bewust, dan gaat het vragen stellen, dan komt het in de puberteit, et cetera. Sommige landen zullen al zolang bestaan hebben dat wij geen analogie voor hun fase kunnen vinden in ons eigen leven. Misschien als we ooit in staat zouden zijn 150 of 200 te worden. Ieder land moet zich ook om de zoveel tijd verjongen om niet in te slapen. Kleine revolutie hier, links of rechtsom, wat oorlog, een opstand der proletariërs. Het is een tijdelijk schoonvegen van het geheugen om ruimte voor nieuwe zaken te maken. Alsof je van baan verandert.

Dat laatste is sinds de Tweede Oorlog met veel landen gebeurd. Nederland kreeg een trauma en we moesten dit verwerken. Alles van voor de oorlog was verkeerd en we gingen alles weer opnieuw inrichten. Even vergeten van wat ons tot die verdoemde oorlog had gebracht. Maar een mens kan niet eeuwig leven met een trauma en een land ook niet. Bovendien kan een mens ook niet zonder verleden leven. Als we vergeten waar we vandaan zijn gekomen, waar we onze levenslessen hebben geleerd, wie en wat belangrijk voor ons was toen we kind waren, dan zullen we doelloos dwalen en de grootst mogelijke fouten maken. Dan is er geen sprake van verjonging, maar van verwoesting. We hebben een sterk humanitaire en hedonistische periode ondergaan en lijken daar noodgedwongen van terug te moeten komen. Misschien waren we toch niet zo humanitair en hedonistisch opgevoed. Misschien kunnen we dit voor onszelf ook niet goedpraten. Misschien zijn we wel enigszins… ontaard. Ontworteld is vast een beter woord. Een mens kan niet zonder zijn verleden, dus waarom denken zoveel mensen dat ze zonder de geschiedenis van hun land, hun werelddeel en de mensheid kunnen? Waarom zwelgen zoveel in het niet-weten?

vrijdag 23 september 2011

Sneller dan het licht, nietwaar?

Dus er zou iets sneller dan het licht zijn gegaan. Dat is op dit moment veel in het nieuws. Waarom is het in het nieuws? Een heleboel wetenschappers maken zich er druk over, de journalisten ook, want het lijkt spectaculair en zo krijgt u het op uw bordje. Waarom zou dit zo interessant zijn? Ik ben geen wetenschapper, maar heb er wel wat over gelezen en zal aldus een geïnformeerde mening proberen te geven.

In dit universum kan er niks sneller dan het licht, heeft Einstein uitgerekend. Als een object de snelheid van het licht bereikt krijgt het een oneindige massa. Massa is een soort van gewicht, maar dan niet. Een kilo veren weegt minder op de maan dan hier, ongeveer een zesde ervan, maar behoudt dezelfde massa. Als iets oneindige massa krijgt, nou ja, dan valt het misschien een gat door de vloer van het universum. Ik weet niet wat, maar het kan niet, volgens alle wetenschappers. Dus kan een object ook niet de snelheid van het licht bereiken, tenzij het geen massa heeft, zoals lichtdeeltjes. Iemand anders zal zeggen: lichtgolven, maar dat is letterlijk zoals je er tegenaan kijkt. Het is namelijk beide waar, hoe raar.

Alles dat de wetenschappers meten in het universum heeft als uitgangspunt dat de snelheid van het licht niet kan worden overschreden. Al die leuke films en zo met sneller dan het licht ruimteschepen? Fantasie. We zouden anders nooit bij een andere ster kunnen komen. Het duurt ongeveer vier en een half jaar voor we bij de dichtstbijzijnde ster arriveren als we met de lichtsnelheid zouden reizen, maar dat kunnen we niet eens. Op dit moment duurt het ongeveer drie jaar voor we bij Mars zijn. Ja, dat is nogal traag. Al die sciencefiction is precies dat: fictie over wetenschap. Sciencefiction gaat over wat er mogelijk is als bepaalde vaststaande wetten van het universum niet zo nauw genomen hoeven worden, of misschien op de een of andere manier genegeerd kunnen worden en wat er dan voor mogelijkheden zijn voor ons als mensen. Starwars en dat soort dingen? Geen sciencefiction. Er wordt niet in nagedacht over wetenschap er wordt niet gefantaseerd over wat er kan als bepaalde wetenschappelijke feiten geen feiten zouden blijken. Dat noemen we Fantasy, zoals Lord of the rings.

Maar goed, nu blijkt er misschien iets te zijn dat de lichtsnelheid overschrijdt. Men is er oprecht opgewonden over, maar het gaat om maar een 60 miljardste van een seconde sneller op een afstand die 2,34 duizendste van een seconde zou moeten duren. De wetenschappers van het CERN hebben hun collega’s uitgenodigd de gegevens te controleren. Zo zijn wetenschappers dan weer wel. Fantasten van allerlei soort kunnen beweren wat ze willen en niemand zal ze ooit een vingerbreed in de weg leggen.

woensdag 21 september 2011

Zelfreflectie

Gisteren zag ik drie jongens, allen met camera’s, goed gekleed en tassen op de rug, een trap in de kerk fotograferen. Iedereen had zo zijn eigen smaak. De ene schoot vanuit de naaf naar boven, de ander probeerde een overzicht van iets verder, een derde deed omgeving & trap. Het is een prachtige wenteltrap van oud bruin hout. Zeer bijzonder om erop te lopen, maar ook prachtig om te zien. Toeristen kunnen er niet op. Je kan er het handwerk van aflezen. Toen kwam dingen nog niet direct uit de fabriek! Hebben we nog steeds zulke timmermannen? Ze deden een dansje. Niet een letterlijk dansje, maar ze namen elkanders plaats over en weer over. De ene met het kleine baardje ging acrobatisch omlaag hangend in de naaf, de ander nam daar een overzicht van; de derde besloot ook een grafsteen bij het spektakel te betrekken. Om het af te ronden werd er geposeerd. Eentje stond klaar voor zijn foto en nam die van de volgende, etc.

Iedereen was even belangrijk, zowel de fotograaf als het model. Iedereen maakte dezelfde foto’s en men wisselde zelfs camera’s uit. Behalve wat ze in hun eigen hoofd hadden was er geen verschil tussen de jongens. Ze leken zelfs enigszins op elkaar. Allen beantwoordden aan het moderne ideaal van de man: slank & gespierd, een beetje ruig; maar niet te, ontspannen gekleed; maar niet te. Het was een soort Droste-effect ter plekke, waarin de camera de spiegel was van de volgende camera van de volgende camera van de eerste camera. Een gesloten systeem. Allen individu en allen met eigen esthetische idealen. Ze polijstten zonder probleem elkanders ego omdat ze wisten dat de ander dat voor de één ook zou doen.

Met elke nieuwe foto die werd gemaakt, met elk nieuw idee dat ze van elkaar overnamen verminderde de waarde van de individuele foto’s en ideeën. Het werden kopieën van kopieën van kopieën. Bij elk klikje van de sluiter kreeg het afgebeelde minder glans. Ze waren blij met de ervaring. Ze voelden zich een groep. Het was niet zo belangrijk dat ze elkaar imiteerden. Dat was eerder een bevestiging van hun eenheid. Ze vonden het plezierig om ieder de macht over de camera te hebben, over hun eigen camera, maar wat er werd afgebeeld was niet van belang. Ieder van hen regisseerde zijn eigen leven dat als twee druppels leek op dat van zijn vriend. Samen maakten ze duplicaten van duplicaten van duplicaten. Er was geen leider, er was geen genie, er was niemand die aangaf wat de maatstaf was. De enige die niet aan dit spel van zelfbevruchting meedeed was de eeuwenoude wenteltrap.

foto's door Daniel Bras, de Oude Kerk te Amsterdam