zaterdag 18 september 2010

Beeldverhaal epiloog - 2010

Dan is de zoektocht ten einde. Ik wilde striptekenaar worden, werd schilder, deed aan poëzie en schreef een boek. Ik onderging verschillende fases in mijn werk, zowel in proza, poëzie als in de beeldende kunst en nu ben ik klaar. Fini. Tijd voor tabula rasa. Er zijn enkele vragen opgeworpen. Eén daarvan is vrij simpel: waarom kunst? Dit is een vraag die direct in het verlengde ligt van: waarom leven we? Misschien is het net zo’n nutteloze vraag. We leven omdat we op aarde zijn gezet en er verdomd veel moeite mee hebben onszelf om te brengen, al zullen enkele pessimisten denken dat we aardig op gang zijn onszelf uit te roeien. De vraag waarom we leven draait meer om de gedachten die deze vrijmaakt dan om het antwoord en zo is het ook met de vraag waarom kunst. Zoals Kerouac al zei, het gaat niet om het bereiken van de bestemming maar om de reis er naartoe. Misschien hebben andere schrijvers en filosofen voor hem wel iets soortgelijks beweert. We weten tenslotte allemaal wat er aan het einde van die reis is: de dood. Het grote vergeten. Geen gedachte gedacht, geen pennenstreek gezet, geen kwast gehanteerd, geen veldslag gevoerd of deze zal worden vergeten. We houden ons gaarne voor de gek en houden graag vast aan de illusie dat sommige zaken voor eeuwig zijn: Napoleon, Hitler, Churchill en Tinbergen, Reve, Cage, Bach en Polak, Attila, Thorbecke, Jagger & Aguilera, noem maar op. We denken graag dat we er altijd zijn zullen, ons voortplantend, onze liefdes en haat dragend, onze redelijkheid en argumenteren, ons neuspeuteren en nagelknippen, maar ook dat zal op een gegeven moment verdwijnen. De wereld zelf zal aan stukken worden gescheurd, de zon zal ontploffen en in elkaar zakken, het universum zal zichzelf ten einde brengen en wat komt er daarna? Misschien niks. Misschien komt God langs met Zijn heirscharen en de doden voor het laatste oordeel. Dat zal nog een drukke bedoening worden als we er even vanuit gaan dat God niet enkel de mens, maar ook de rest van de schepping die zijn best heeft gedaan uitnodigt op deze laatste barbecue. Misschien is dat Godsgebeuren wel een hersenspinsel en waar blijven wij dan met die kunst, wat stelt die voor en waarom zoveel energie en tijd? Bent u ook al depressief van dit verhaaltje? Ik niet. Ik heb vertrouwen in en begrip voor het vlietende van onze verlangens. Ik hoef geen ander doel dan mij gezet in dit leven. Gelukkig leven een hoop mensen zo. Ook ik wordt wel eens bekropen door de ogenschijnlijke hopeloosheid van ons lot, maar ach. Misschien moet een mens een soort simpelheid van geest hebben om zich daar telkens overheen te zetten en misschien heb ik dat. Ingewikkeld denken is prima, zolang het maar tot een oplossing leidt.

Deze zware materie, de dood van lichaam en geest, het verval van alles tot op de atomen en verder, is natuurlijk niet iets dat een normaal mens de hele tijd met zich kan meedragen. Als je kind bent zie je de dood niet. Je bent vol vuur als een pasgeboren zon, de ruimte om je heen zo oplichtend dat de duisternis geen kans krijgt. Als kind is de wereld voor jou geschapen, in een oogwenk, met elke oogwenk die je maakt. Naarmate we ouder worden en het licht van onze geest, van ons bewustzijn, steeds zwakker wordt, nadert de duisternis onweerstaanbaar. De stilte die rond ons schreeuwen heerst wordt langzaam verstikkend. In de ruimte is geen geluid en al snel drijven wij het luchtledige in. Hoe houd je dat gevoel vast dat het leven er voor jou toe doet? Hoe maak je elke dag weer dragelijk? We rennen van hot naar her voor afleiding. We krijgen kinderen, maken ruzie, falen en overwinnen, de hele tijd die zware gedachte ontwijkend: alles sterft. Ik ga dood. Niet nu, maar snel. Ons leven is nog niet eens een uur in het leven van de kosmos. We springen op, kopen een boek, gaan naar een feestje, kijken een soap, drinken tot onze levert barst, gaan op vakantie, doen van alles, orgasme na orgasme, in onze sprong voorwaarts. We proberen de tijd stil te zetten, maar slagen er enkel in het tikken van de klok onhoorbaar te maken. Er is een tijdgevoel binnenin dat vertraagd of versneld kan worden. Ik maak graag gebruik van deze mogelijkheid, en het help wel een beetje, maar ook dat is tijdelijk. Telkens als iets je overweldigt, een grote ramp of geluk, dan valt alles even stil van binnen. Dan is er geen tijd. Dan ben je als een dier in het wild: tijdloos vastgelegd op het pad van de aarde. Einstein, en met hem nog veel andere wetenschappers, heeft betoogd dat tijd net als ruimte is, maar hoewel het mogelijk is in de ruimte heen en weer, van daar naar hier, te lopen is dit niet mogelijk met de tijd. Deze kruipt en schuift alsmaar sneller vooruit. Naarmate we ouder worden, hangen we meer aan herinneren dan aan verwachting. Kunstmatig verlengen we dit verwachten door een hoop op het paradijs. Wie weet, maar niemand kan het dan ook echt weten en om je leven in te zetten op deze vage hoop lijkt me een grote, misschien wel te grote gok. Wat we zeker weten is dat dit leven zo weer voorbij is. Je hoeft maar de tv aan te zetten en langs de kanalen te zappen om al de verschillende mogelijkheden te zien die we beoefenen om te vergeten, om een warme illusie te creëren, om te vergeten dat alles wat we zijn ooit wordt vergeten. De enige die de herinnering aan ons enigszins staande houdt zijn wij en wij doen er alles aan om te vergeten.

Het is prettig om te vergeten, dat is een feit. Het is heerlijk om weg te dromen bij een simpel boekje met de leukste plaatjes, de mooiste rijtjes woorden, bij de lach van je kindje, bij haar eerste stapjes of op een feestje met een drankje en een goed gesprek. Er is geen twijfel aan. Denken aan de dood of alles dat daar direct mee verband houdt is zwaar en trekt aan ons. We staan niet helemaal meer in het leven als we al te druk zijn met de dood. Het leven, tenslotte, is iets dat barst van de energie, iets dat de hele tijd geeft terwijl je het leeft. Maar al die zaken, al die verstrooiingen kunnen niet verhullen dat we er steeds meer van nodig hebben om hetzelfde te bereiken. Net als drugs bouwen verstrooiingen een tolerantie op. Dat Burroughs de junkie als metafoor nam is zeker niet zomaar gekozen. Al zat zijn leven vol van de drugs, hij wist dat het zo werkte. We krijgen promotie en in plaats van tevreden te zijn willen we er nog een. We verdienen een beter uurloon dan bij de vorige baan en in plaats van dat dit ons vrede geeft klagen we over de werkomstandigheden. Niks van dit geeft echt soelaas, geeft ons die noodzakelijke rust. Liefde, daar wordt altijd over gesproken alsof dit het wel zou zijn. Zeker die eerste paar maanden, maar de meeste relaties stoppen ook weer, of bloedden langzaam dood. Van liefde naar liefde, als een eeuwige stroom van exaltatie, van geestelijk orgasme naar orgasme, van hier naar daar, het stopt niet meer. Eigenlijk is er maar een ding dat me altijd de echte rust geeft. Dat is een bepaald boek in mijn kast. Ik hoef er alleen naar te kijken en ik ervaar weer dat boven-orgastische. Alsof je buiten jezelf stapt, jezelf ziet, weer in jezelf terugstapt en er vrede mee hebt dat de wereld is zoals die is. Het is ook een bepaald schilderij dat ik maar hoef te zien, al is het een plaatje ervan, ik hoef er zelfs maar aan te denken en het doet dat weer met mij. Soms is het maar een nummer op een album vol andere geweldige nummers. Steeds hetzelfde object, in vlammen gezet door het vuur van zijn schepper. Welke verstrooiing kan daarmee concurreren? Er is geen honger na het aanschouwen van zoiets. Natuurlijk, het gewone leven gaat verder, de dood loopt rustig met ons mee, deze zal niet zomaar verdwijnen, maar dat moment en vele erna, zonder dat ik hiervoor van hot naar her hoef te rennen, die momenten zijn rust, vergeving, extase, hoop en liefde ineengerold. Het mooiste is nog dat de ervaring die men met zulk een stukje kunst heeft zich uitbreidt naar het echte leven, zodat een bepaalde blik van iemand, de bocht die een weggetje maakt, het ruisen van bomen bij dat huis, de configuratie van de wolken of dat zinnetje dat de taxichauffeur uitspreekt opeens ook deze klaarheid en diepte kunnen krijgen. Niet omdat ze deze vanzelf zouden hebben, maar omdat je er klaar voor bent, omdat je er open voor staat. Het is er pas als je het kan zien, op elke hoek van elke straat.

Het is niet te zeggen hoe dit wordt bereikt. Een toevallige samenloop van omstandigheden in het brein van de kijker, luisteraar, lezer, wie zal het zeggen. Dat ik de behoefte kreeg om werken als dit te maken, al was het maar het pogen zoiets te doen, kan toch niemand verrassen? Iedereen die even door het licht wordt geraakt verlangt er voor eeuwig naar de bron te vinden en er zich voor de rest van zijn of haar leven aan te laven. Iedereen probeert het om dan in alle bescheidenheid te realiseren dat het hem of haar niet is gegeven. Misschien brandt het vuur wel in ons allen, maar blijkbaar kan niet iedereen het omzetten in een materiële evenknie. Misschien is het gebrek aan talent, misschien aan uithoudingsvermogen of gewoon aan de rust. Sommigen zijn niet simpel genoeg, anderen te complex. Bijna niemand wil de verstrooiing er echt voor opgeven. Toen ik begon met scheppen wist ik hoogstens dat het niet voldoende was mijn voorbeelden na te doen. Ik moest met iets nieuws komen. Niet omdat iets nieuws perse goed is, maar omdat ik een ander was dan zij en omdat zij al hadden verdiend wat ze verdienden en ik dat op mijn eigen manier moest doen. Niet zijn als mijn voorbeelden, maar van hen leren, van hen jatten, hen imiteren en aanpassen. Ik wist niets van mooi & lelijk, maar kreeg al snel door wat De Schoonheid in zou moeten houden. Min of meer, enigszins, bij benadering. Niemand weet tenslotte hoe De Schoonheid echt in elkaar zit. Bijna altijd is het een soort van verschrikking, of het nou het hoge of het lage benadrukt. De verschrikking zit in het feit dat wij er niet bij kunnen met ons hoofd, dat wij niet begrijpen wat het met ons doet. Het is te groot voor ons en toch voelen we ons verwant. Het zegt iets over ons dat we altijd wisten, maar nooit zo ervaren hadden. De kunstenaar verfijnt, sublimeert, herschept, ordent, noem maar op. Ik begon zonder eigenlijk te weten aan wat, maar voelde de behoefte vooral het ongezegde, het vuil van de straat, het geraas van de storm, het geratel van een nieuwslezer, uit te drukken. Alles dat aan de onderkant van ons gewone leven kleeft trok mij en trekt me nog steeds. Ik kan buitengewoon genieten van de hoge hovaardige kunst die de sterren bespeelt en de mooiste vrouwen uitbeeldt, maar als ik zelf moet scheppen komt het er uiteindelijk eerder aan op verbeelden hoe het innerlijk van die ster atomen uit elkaar trekt en een mens verzengt, komt het eerder aan op de schaamstreek van die vrouw en haar zweet aldaar of de duistere gedachten die ze draagt gebukt als ze gaat onder al die adoratie. Ik kwam altijd graag in België omdat de huizen daar zo prachtig vervielen, terwijl wij in Nederland geen huis kunnen laten vervallen omdat deze dan uitzonderlijk lelijk wordt. De Schoonheid van een Godslasterlijke wolkenkrabber boven dat gezellige pleintje in Alkmaar. Geen nostalgie, maar vuil en kunststof. De verf en niet de imitatie.

Elk hoofdstuk in het Beeldverhaal was een nieuwe poging om aan te sluiten bij mijn voorbeelden, om ze te verbeteren, om mijn weg te vinden, om te zien wat ik kon, om die verdomde Schoonheid te vinden! Nog niet zolang geleden las ik over het grootste probleem met junkies en ander aangespoeld juttersbuit van de mensheid. Namelijk dat ze hun verhaal niet meer consistent kunnen maken. Ieder mens schijnt een innerlijk verhaal te hebben dat zijn of haar leven een samenhang geeft, dat motivatie oplevert en rechtvaardiging voor daden en ondaden, de dingen die we laten. Mijn Beeldverhaal was zo’n poging vorm en samenhang te geven aan mijn leven. In ieder geval als kunstenaar, maar eigenlijk, opgeteld bij de andere zaken die ik doe, zoals schrijven en dichten, als mens. Elk hoofdstuk vertegenwoordigt een onderdeel van mijn leven en bij elkaar opgeteld vormen ze in zekere zin ook mijn leven. Geen wonder dat ik me niet schaam voor de mislukkingen en misbaksels. Degene die ik niet heb vernietigd zijn verkocht of staan in mijn rek. Mijn leven staat daar uitgestald. Het zijn allen kinderen van de geest die wachten op een leven buiten het atelier. Pas als ze in het bezit van iemand anders zijn kunnen ze groeien, in de ogen en woorden van de toeschouwer. Telkens weer probeerde ik iets te verwerken, iets te verbeelden, ergens werkelijkheid aan te geven en nu is het Beeldverhaal af. Of is dat zo? Houd ik mij voor de gek te zeggen dat de nieuwe kunstwerken niet een nieuw hoofdstuk vormen? Ik zou graag denken dat ik dat achter me heb gelaten. Niet omdat ik die hoofdstukken van verdwazing en bevlieging zo vervelend vond, maar eerder omdat ik denk eindelijk de totale vrijheid te hebben gevonden. De vrijheid die ik aankan en waar ik naar verlang. Deze mag heel anders zijn dan die van andere kunstenaars, maar daar doe ik het mee. Geen rode lijn meer, geen verhaal an sich, maar enkel een zoektocht naar De Schoonheid. Nog steeds zal alles dat ik doe een autobiografische achtergrond hebben, maar het beeld zal nog opener worden. Er zijn geen andere regels om te volgen dan degene die ik per werkstuk afkondig en dan weer breek. Alles kan, er hoeft geen samenhang te zijn. Die komt vanzelf. Ja, wie weet, misschien is dit wel heel anders dan wat er vooraf is gegaan. Misschien is het Beeldverhaal wel echt afgesloten. Ik schilder, dat is het belangrijkste!

Het lustige stel, 2010, olie of doek, Marcel Ozymantra


Marc (muzikant), 2010, olie op doek, Marcel Ozymantra


Lucifer redux, 2010, olie of doek, Marcel Ozymantra


Faces of my mind (uit de serie), 2008-09, inkt op papier, Marcel Ozymantra


What we all want, 2010, olie op doek, Marcel Ozymantra