donderdag 27 mei 2010

Beeldverhaal Hoofdstuk 7 – De stad droomt in bloed – 1998-99

Tijdens de expositie in de Soundgarden van de Korsakoff-schilderijen zei iemand dat hij ze wel aardig vond, maar dat hij liever wat meer vrijheid had gezien. Natuurlijk ergerde die opmerking. Het was net zoiets als tegen Mondriaan zeggen dat hij wat schuine lijnen had moeten schilderen. Een kunstenaar doet wat hij doet omdat hij doet wat hij wil. Vervang de ‘hij’ in die zin gerust voor ‘zij’ en de ‘wil’ voor ‘God ik weet niet wat ik doe, maar het voelt goed’. Ieder mens heeft zo een vooropgesteld esthetisch plan, maar ieder mens denkt ook dat dit plan het beste is dat er is. Een kunstenaar probeert dit plan uit te werken en wordt zodoende nogal persoonlijk in de esthetische opvatting. Er is niet van tevoren te bepalen hoe en wat Schoonheid is. Maar toch, de opmerking bleef hangen. Inderdaad wilde ik meer vrijheid. Helemaal in het begin van mijn opleiding rommelde ik meestal wat in elkaar en de durf van die werkjes beviel nog steeds. Ik was sindsdien vooral bezig geweest met de technische kant van schilderen. Kwast- & verfgebruik.

Maar ja, vrijheid… Dan maar lekker ‘aankliederen’ als een Appel of Pollock, zoals Picasso in zijn latere jaren of als een Kirchner? Vrijheid in schilderen en dan de hele tijd alsmaar weer andere poppetjes en monstertjes of wat dan ook? Ik was met de stad bezig. Ik had eigenlijk een kroniek gepland van het stadsleven en nu voelde ik de horizon wenken. Het plan zou losgelaten moeten worden, maar de kern niet. Ik zat nog in het Juliana ziekenhuis met Norm Bleac en voelde een heerlijk vurige driestheid opkomen. Mijn meest creatieve en productieve periode stond er aan te komen. Kan een mens dat instinctief weten, dat zulke dingen op het punt van gebeuren staan? Tot nu toe is het ook financieel mijn meest succesvolle geweest, al gebeurde dat allemaal pas veel later en lang nadat ik gestopt was met dit werk. het begon simpel als een uitdaging om een stad en ervaringen om te zetten in beeld. Ik zocht naar een manier om meerdere zaken tegelijk te laten gebeuren, zodat we de stad als tweedimensionaal ding konden zien en tijd en gevoel samensmolten tot een beeld. Ik wilde heel veel in een overzichtelijk plaatje tonen. Ik wilde gebruik maken van de mogelijkheden van collage, lijn, vlak en dunne verf. Het mocht nog stripachtig zijn, maar dat kon weer gecontrasteerd worden met een enigszins grimmige beeld. Ik wilde woorden gebruiken, maar kwam al snel tot de conclusie dat door zelf geschreven letters vaak armoedig en zwak van vorm waren. Ik had iets nodig dat robuust, krachtig en vormvast was. Het werden sjablonen van simpele blokletters van teksten die ik telkens opnieuw kon gebruiken en die zodoende een soort van echo in het werk veroorzaakten. Waar deze woorden in het begin nog herkenbaar waren werden ze in het latere werk steeds meer onderdeel van de palimpsest die mijn canvas was. Hele brokken teksten sneed ik en tamponneerde in druiperige lagen over elkaar als een tapijt van een gestoorde puzzelaar. Het eerste van deze schilderijen was ‘De stad droomt in bloed’.

Het werd een roes van terpentijn smijten, krantenpapier snijden, lijnen trekken, figuurtjes uitknippen en Pritt stift plakken. Het atelier stonk er dagelijks naar. Meerdere doeken hingen tegelijk te drogen. Ik vraag me af of Norm het wel zo prettig vond. We verhuisden ondertussen naar een atelier niet zover van het Juliana-ziekenhuis, dat eindelijk tegen de grond moest. Alweer een inspirerende en grootse plek waar ik de beste tijd van mijn leven had doorgebracht die door het Grote Marktwezen werd vernietigd. Ach, als er maar goede plekken bleven, nietwaar? Verderop, in de Oude Tramremise aan de Kinkerstraat, gingen we vrolijk verder. Norm met zijn vierkante zonnen en etherische schapen, ik met mijn tapijten van stadse zichten. De vorm van geconcentreerd verhaal vertellen was achtergelaten. Nu was het hele doek een eindeloos vlak van tactiele en visuele ervaring. Geen rust, geen wachten. Roetsj roetsj! Gaat zo verder! De stad heeft geen rust, heeft geen tijd! De stad droomt in het bloed van haar bewoners! De stad is een gestalt, een monster van onmetelijk formaat en wij zijn haar bloedcellen, razend als kleine machientjes in haar binnenste! Wij denken in woorden dus de stad denkt in woorden, maar malende, gestoord, zich overgevend als een telepaat zonder grenzen! De stad droomt en wij zijn haar bloedcellen! Dit was de ware geboorte van de kunstenaar.

Hier te zien: De stad droomt in bloed plus detailfoto’s en enkele schetsen van tijdens het werk. Stille nacht. Hete zomer II. Geel, Iedereen droomt (met een poging Lady Kier van Dee-lite na te schilderen), Tekens, Descendre ici, Ik mens (zelfportret naar Dürer, nou ja, de pose dan), Amandla (met prominent de Nieuwe Silo erin, ook zo’n gebouw waar ik goede herinneringen aan heb, maar dat verpest is door commercie), Illuminations (naar aanleiding van de zonsverduistering in Saint Quentin), Me Tarzan (naar aanleiding van mijn eerste India-reis), Lucie en Illusie, Die Hemelsche Blues, We could be dancing, nog meer en meer en schetsen (god ik kon niet stoppen met schilderen).

Meer afbeeldingen op ozymantra.nl
















woensdag 19 mei 2010

Beeldverhaal Hoofdstuk 6 - Korsakoff– 1997-98

Nine Inch Nails – Closer, Grauzone - Eisbär, Life Of Agony – This Time, Rammstein – Wollt Ihr Das Bett In Flammen Sehen, Prong – Snap Your Fingers waren allemaal bands en nummers waar ik regelmatig op danste in de Korsakoff, ook liefkozend de Kors genoemd. Al sinds voor ik in Amsterdam kwam wonen was ik er vaste klant. Het is niet voor de muziek dat ik daar kwam, want ik hield eigenlijk meer van Amerikaanse Alternative, maar voor de sfeer, voor de vrijheid van verantwoordelijk tegen elkaar aanbotsen in de pogo. Ik kwam er omdat iedereen rookte en dronk, iedereen stoned was en maffe dansjes deed, omdat de meiden spannend gekleed gingen en er lui tussen het publiek stonden die waarschijnlijk al te lang op straat hadden gezworven. Ik kwam er omdat mijn aftandse kleding en hongerige blik, een honger als van vuur naar hout, niet uit de toon viel. Ik liep er tussen vreselijk arrogante mensen en gewende er vrij snel aan. Het was plezierig zo jezelf te kunnen zijn. Het duurde zeker drie jaar voor ik er iemand aansprak (Berry). Al vrij snel leerde ik meer mensen kennen. Elke zomer werden de meiden ververst met een nieuwe lichting, maar jaar in jaar uit bleef alles bij het oude, want er veranderde wezenlijk niets. Zelfde muziek, zelfde norse koppen, zelfde trotse verdedigende houding.

Dit onderwerp was voor mij een logische stap in de Grotestadslyriek. Ik zou de chroniqueur worden van mijn tijd. Ik zou de wereld omzetten in heldere duidelijke platen, zoals de modernen voor mij deden met de wereld van voor 1950. Ik wilde laten zien waar ik vandaan kwam, laten zien hoe het bloed door de stad pompte en wat voor mensen daar onder die huid huisden. Het late opblijven, de ochtend zien beginnen, in een park stoned zitten met een groep vreemden. Ik had verliefdheden, veroveringen en ruzies gekend. Ik had uitzinnige momenten beleefd en de liederlijkheid van de mens bezongen. De Korsakoff was voor een tijd de culminatie van al het echte leven. Toen ik stopte met blowen en andere drugs bleef enkel de alcohol over en dat stroomde in die plaats overvloedig. Elke stad heeft wel zo’n plek gekend. Elk dorp kende zelfs zo’n plek. De Korsakoff is veranderd en de tijden veranderen als de bedding van een rivier en dit soort commerciële vrijplaatsen verdwijnen langzaam of worden opgenomen in de echte harde maling van oog om oog en tand om etc. Ik heb er nog eens een tand stuk geslagen op het voorhoofd van iemand. Geheel per ongeluk. Ik zal de plek niet echt missen, maar wel dat gevoel van doordeweeks op een fiets springen en me even te warmen aan de waanzin van eenzame avonturiers op een dansvloer.


Korsakoff

Door de poort van donker naar donder
met zwalkende pas stoer langs goden
stenen mannen in vlees geschroeid
muren van een schitterend slangengroen
schubben in zwart-wit over de vloer geveegd
Rechts kolkt er mede met baard in glazen schedels
gegoten door Walkuren van leder en chromen nagelen
Terloops langs de wand staan ridders met maliën van hertenhaar
en gevallen heldinnen in het spoor van Freya en haar trollen

Aan het eind ontploft licht
in fragmenten lichaamsdelen
Een arm slaat de atmosfeer
Een voet schept het linoleum
Rul dragen de mensen hun lach
Het is een Pools boudoir in rook gevat
De stemmen zacht
ruisend als de radio tussen zenders
Schepen zullen zinken waar deze muziek gaat

Wij kennen hen allemaal
van horen en zeggen, van fluisteren en kijken
van het witte vlees dat als een kwal tegen de stroom indrijft
van het zwart dat niet voor begrafenissen is bedoeld
Dit is wat de ziel doet ruften van pijn
Het alleenzijn tussen anderen
Twijfel als de stank van een urinoir
Gesprekken die de slag van de maat missen
Het opdringende naakt van de machteloze

Daar is waar zij zit aan de andere kant, broedend
Een luipaard in achterdocht gehuld
Poten streng en gespierd, soms klaar om open te slaan
wanneer ze het lichaam wil losmaken van vooroordelen
een dans soepel met slome kracht, aantrekkend
al de losse mannen die geen thee kunnen zetten
en mijn lichaam dat haar soepel naspeelt
godin van die avond


Het frappante toeval wil dat mijn eerste expositie met deze schilderijen in Soundgarden was, een kroeg nauw verbonden met de Korsakoff, al was het maar door muzieksmaak en een aantal van dezelfde klanten. Het bandje dat met mij debuteerde was The Last Attraction.

Hier te zien: Blauwe lippen, Der Engel (iemand waar ik erg lang verliefd op was, waar geen contact mee was te krijgen, maar die ik nog steeds beter zou willen leren kennen), De ijzeren rijder (triomfantelijke aankomst bij de Kors), tweemaal Het laatste uur, tweemaal de Tatoeage (let op de vogel op zijn arm en op die van Blauwe lippen, een vogel van de vorige fase ‘Grotestadslyriek’ en een symbool dat ik ook lustig op school bij druktechnieken had gebruikt), Rammstein (een dame die veel indruk op me had gemaakt en nog steeds maakt als ik haar zie), enkele schetsen.

Meer schilderijen op ozymantra.nl.













donderdag 13 mei 2010

Beeldverhaal Hoofdstuk 5 - De grotestadslyriek – 1997-98

Met de amuletten was ik zo ver mogelijk weg van het verleden als voor mij mogelijk was. Dat ik al in geen jaren meer mensen had afgebeeld was een beetje in de angst voor striptekenaar uitgemaakt te worden. Mijn kunde bij bijvoorbeeld modeltekenen werd vaak enigszins neerbuigend verklaard als dat ik al ervaring had met strips. In tegenstelling tot wat ik dacht was ik niet veel schilderachtiger geworden. Mijn verfbehandeling had een unieke niet aan strips noch aan kunst gerelateerde eigenschap gekregen. Kleur was gevoel, maar ook symboliek, ervaring en herinnering. Vlak en structuur waren alleen afhankelijk van mijn gevoel en mijn ingeving, maar niet noodzakelijk van wat ik ‘mooi’ vond. Ik gebruikte geen lijn want dat zou teveel strip worden. Ik tekende geen mensen of mensendingen om dezelfde reden. Ik tekende geen ruimte, maar suggereerde die door kleurverschillen. Sommige kleuren komen dichterbij, andere staan verder van ons af en dat was hoe ik diepte schiep. Daar was ik heel puristisch in.

Norm Bleac en ik waren uit Zeezicht naar een ander atelier verhuist in het Juliana Ziekenhuis bij de Kinkerstraat aan de Bilderdijkkade. Ateliergebouw Zeezicht (bij het IJ in Oost) was een fantastisch avontuur geweest, waar elke schoolverlater enkel van kan dromen. We hadden een atelier naast elkaar en speelden elke dag schaak. Ik raakte betrokken bij het bestuur, was deel aan het afzetten van het bestuur en mocht me vervolgens bestuurslid noemen. We organiseerden enkele legendarische feesten, bouwden met zijn allen in een dag een bar en ik hield ook nog eens een toespraak waar men sprakeloos van was. Good times! Maar omdat het gebied ontwikkeld zou worden, men wilde de grond gebruiken voor rijkere huurders en onze alternatieve plannen werden niet gewaardeerd, moest iedereen een nieuw plekje vinden. Via via geraakte ik in het Juliana Ziekenhuis (waar ook mijn toekomstige vriendin woonde) en vroeg of Norm mee wilde.

Natuurlijk klooide ik nog wat aan met de Poort naar waar en met de amuletten, maar eigenlijk wilde ik iets nieuws. Een leraar op de Witte Lelie had me eens de Grotestadslyricus genoemd omdat ik allerlei spookachtige constellaties van Amsterdamse grachtenpanden als achtergrond liet figureren. Ik wilde af van al dat mystieke zweven. Ik voelde een oprecht verlangen de wereld om mij heen op te nemen en weer te geven. Mijn kompaan maakte de mooiste vreemde schilderijen van heel landelijke uitzichten en vierkante manen en ik wilde verder. Alcohol als enige drug liet me niets anders dan verrukt te raken over de schoonheid van een drukke zinderende stad brandend in de heerlijkste zon die ik sinds mijn kindertijd had mogen aanschouwen. Ik probeerde nieuwe manieren te vinden om mens, ruimte en idee uit te beelden. Ik voelde mij uitgedaagd en gestimuleerd frisse eigentijdse beelden te vinden en te delen.

Hier te zien: De zinderende stad (met nog steeds een spoor van de Poort naar waar in de grote gele leegte boven de mensen), De vogel en de stad (met een zelfportret van achteren, zittend aan de kade en in het midden het Juliana Ziekenhuis zelf in grijs & wit), Een mooie dag, Zijn gade, Red Light Geisha (voorstudie en voorafschaduwing naar een heel andere fase), De vroege ochtend (gedeeltelijk geïnspireerd door Marco Rump’s schildpad), Hete zomer I & II + wat schetsen.

Voor meer afbeeldingen ozymantra.nl.















woensdag 12 mei 2010

Beeldverhaal hoofdstuk 4 – Amuletten – (±1997)

Het is vast te zeggen dat ieder mens wel eens twijfelt aan zijn of haar plaats op aarde en dus ook de kunstenaar en zo ook ik. Het lastigst voor de kunstenaar is misschien wel dat wat we doen voor onszelf is, omdat we het leuk vinden, omdat we niets anders zo goed kunnen of omdat we hopeloze dromers zijn, maar dat de maatschappij vaak denkt weinig aan ons te hebben. Wat is het nut van kunst, wordt maar al te vaak gevraagd. Voor een schilder komt daar nog het probleem bij dat deze geld, tijd en ruimte nodig heeft. Het is een veeleisende hobby, als het al een hobby te noemen is wanneer men er dag & nacht mee bezig is. Nou ja, ik zag eens een man met een huis volgestouwd met Simpson-prularia en daar zou hij ook vast dag & nacht mee bezig zijn. Maar scheppen uit het niets is iets anders dan het verzamelen van iets. Een kunstenaar verzamelt indrukken, momenten, gevoelens, gedachten, overwegingen, alles dat immaterieel is, om dat op de een of andere manier te laten materialiseren. Rangschikking, vormgeving, opsomming, al dat soort woorden zijn maar een onderdeel. Daar komt natuurlijk bij dat school stopte/gestopt was (vergeef mij onheldere momenten in de herinnering) en dat ik bovendien een leefstijl van jaren (vooral wiet en wat LSD/paddestoelen) moest ombuigen. Ik twijfelde hevig… Ik nam nog eens een tripje, deze maal in IJmuiden en stond daar achter een bosje, uit het magnifieke industriële licht, kleine cirkeltjes lopend, met in gedachten mijn leven. We hadden de zon onder zien gaan als een schijf van roodkoper in een zee van gesmolten lood. Mijn vriend had zo zijn eigen demonen om mee te spelen, maar ik overdacht, oh, wat overdacht ik veel. Het leek zo logisch. Schilderen en dat soort zaken waren onzin. Niks voor mij. Ik moest maar stoppen, want ik kon er toch niets van. Geen van deze gedachten voelden bitter aan. Het was een pure, vrolijke, rustgevende beslissing. Het spel was gespeeld, de dag was voorbij, het was tijd voor de echte wereld van mannen en vrouwen met bescheiden doelen en verlangens. Ik zou stoppen met schilderen. Ik zat in een roes in de tram naar huis, een afgeleefde zolder op de Jan van Galenstraat. Ook dat zou voorbij zijn, het leven in tekorten. Ik zou beschaafd mijn geld gaan verdienen. Anyway, thuisgekomen zag ik dat doek op de ezel, dat doek waar ik al dagen of misschien wel weken mee bezig was geweest, en begon er op mijn gemak aan. Ik deed dingen met olieverf die ik tot dan nooit had gekund of gedurfd en alles ging zo makkelijk en relaxed als in een droom.

Ik noemde het schilderij ‘Bondgenoot’, naar bepaalde wezens uit het tweede Castaneda boek (daar was ik best van onder de indruk geraakt, het abusievelijk voor echt aanziend) en het werd het eerste doek van een serie amuletten. De gedachte was tegenovergesteld aan de Poort naar waar. In plaats van een leeg midden met vaagheid eromheen werd het een vaag kronkelen temidden van leegte. Het waren de objecten die ik uit Waar had gehaald. Magische amuletten om ons te beschermen tegen bedreigingen van de echte wereld.

Te zien hier: Bondgenoot, De gesloten ego I & II (toch een soort zelfportret), onderwatergeest, Rituelen, Losgebroken, Dat wat in je ooghoek zit en enkele schetsen uit mijn schetsboek van die tijd.

Meer afbeeldingen op ozymantra.nl

















woensdag 5 mei 2010

Beeldverhaal: hoofdstuk 3 – Poort naar waar (1995-97)

Hoewel men de gedachte zou kunnen krijgen dat mijn beeldverhalen ontstaan uit een idee is dit meestal niet het geval. De schepping van een nieuw schilderij gaat er meestal aan vooraf, dat dan de gedachtentrein aan de gang zet en een opeenvolging van beelden en ideeën schept dat dan weer een verhaal maakt. Zo ging het zeker met mijn afstudeerproject Poort naar waar.

Ik maakte dus een poort vol vage vormen, in een stijl geïnspireerd door een eerder project waarin ik bezig was met Keltische kunst. En toen kwam het idee. Ik wilde dat de kijker in de vage vormen dingen zag en in het vlak in het midden zou dan een soort van rust komen, een mythisch een-zijn. Ik was ooit gegrepen door een verhaal van Allen Ginsberg over een ervaring met een schilderij van Cézanne (een van zijn Mont St. Victoires) waarin de aaneenschakeling van lijnen en vierkantjes hem meesleepte naar een soort van totaal nulpunt waar alles in het schilderij om draaide. Ik denk te weten dat Cézanne geen mystiek botje in zijn hele lichaam had, maar heb dit mystieke verdwijnpunt ook geobserveerd in enkele andere van zijn werken.

Ik moest een afstudeerproject ontwikkelen. Er moest een punt achter de opleiding worden gezet. Een opleiding die grotendeels in een roes van drugs en, welja, honger was geleefd. Vage dingen, vage mensen, vage gedachten. Het zwaard verhitten en er steeds harder op slaan tot het onbreekbaar en flexibel was, dat was het beeld van mijn geest dat ik in die tijden had. Het was ook de tijd van het zoeken naar mijn verhaal. Miller & Burroughs hadden een verhaal en ik wilde er ook een hebben. Misschien zoekt iedereen in zijn en haar leven wel naar een eigen verhaal. Ik had het gevonden, dat was duidelijk, maar de manier waarop was niet duidelijk. Alles aan mij stond open en uit die openingen blies een stomend hete wolk van onbekende aard. Mensen om mij heen werden verschroeid en ik mag best zeggen dat er ook enig leed aan mijn kant bij kwam te kijken. Poort naar waar was niet enkel een mystiek nulpunt in de drukte, maar ook de weg die deze etherische stoom volgde. Eigenlijk gaat het alleen om de verschillende Poorten, maar ik besloot ook het land erachter vorm te geven, allemaal in datzelfde kronkelige, felgekleurde Jugendstilschrift. De vorm werd nooit echt vloeiend of uitnodigend. Ik bleef de vlakken maar overdoen en verstillen in de gedachte dat ze zo een prachtige harmonie zouden vormen, maar alles eraan versteende. Gelukkig vonden de leraren het goed genoeg en mocht ik weg. Nog een jaar school had me vast gek gemaakt. Bij de derde Poort rookte ik twee jointjes vol zwarte hasj achter elkaar, merkte dat het werkelijk geen ene zier meer toevoegde aan mijn creativiteit en stopte met roken. Zowel van hasj als van sigaretten. Waarom zou je nog sigaretten roken als je geen hasj meer gebruikte? Sander Tuijp had gehoopt dat we samen op het Demorfisme zouden afstuderen en ik denk dat deze keuze van mij hem geen plezier deed. Het –isme was ten einde, de Poort wachtte.

Het einde van school maakte niet dat ik stopte met de Poort. Mijn eerste atelier in DeClerqstraat werd al snel gevolgd door het grote avontuur in Atelier Zeezicht waar mijn longtime buddy en bondgenoot Marco Rump zich verschanst had in een zeer levendige gemeenschap. Ook een andere klasgenoot, Norm Bleac, zat daar. Ik pielde nog wat aan met allerlei Poort-oplossingen, maar de geest zat er niet echt meer in. Op het laatst maakte ik zelfs twee geometrische versies, als om aan te duiden dat de ratio het weer geheel had overgenomen. Misschien was het gebrek aan drugs hier de oorzaak van of misschien was het idee wel uitgekauwd. De weg verder was niet duidelijk, terwijl het leven in Atelier Zeezicht de heerlijkste en mafste vormen aannam.

Hier te zien: De eerste drie poorten nog gemaakt op school. Brug der verdoemden. Kerk van de waanzinnige liefde. Het woud van compassie. Droomvogel, over een meisje waar ik zo intens verliefd op werd na een droom waarin ze als vogel verscheen. Vollemaandans 1 & 2. Alesia. De dronken stad. Maanvanger en een nieuwe versie. En dan wat zaken van na school, nieuwe poorten, De paddestoelen. Waar heerst. Vele schetsen. Een poging Poort naar waar commercieel te maken. Ik was zelfs bezig met het verzinnen van een t-shirtlijn! De vierkante poort. Waar heerst – tryptiek, het laatste dat nog serieus als Poort naar waar te beschouwen is, waarin de techniek eindelijk vloeiend en suggestief genoeg is zoals het altijd had moeten zijn. Het leek een nieuw begin, maar was dus een afsluiting. Nog een schetsje naar aanleiding van mijn India-reis met toch een poortje, deze keer van bomen en met een truck die op ons afkomt. Geen rust meer, geen mystiek over. Het echte leven riep en sloeg met stalen hamers op de wanden van mijn hoofd.

Meer schilderijen te vinden op ozymantra.nl