donderdag 22 april 2010

Beeldverhaal: hoofdstuk 2 -The Bosbaan experience (1994)

Een van de redenen dat ik minder aangetrokken werd door het Demorfisme was simpelweg een verandering in mijn sociale situatie. Tot dan blowde ik graag en zat ik vaak in coffeeshop De Tweede Kamer, maar een andere klasgenoot, Sander Bongers, werkte in coffeeshop The Fatal Flowers en daar werd ik vaste klant. Ik werd er verliefd op het meisje van een ander en raakte bevriend met onder andere een redelijk gestoorde Zuid-Afrikaan genaamd John Musgrave. Hij verkocht me enkele trips die microdots werden genoemd. Deze uiterst potente pilletjes leken wat op salmiaksnoepjes en gedurende een paar maanden consumeerde ik ze alleen of in het gezelschap van anderen. De eerste van die trips was met John en vond plaats in het Amsterdams Bos. Er is toen iets gebeurd dat me op vele niveaus heeft beïnvloed, ook visueel, maar wat uiterst moeilijk is te beschrijven. In ieder geval dwong het me afstand te nemen van de beheersing die ik tot dan betracht had en ook van de objectieve benadering. Als ik niet al in een subjectieve wereld leefde dan werd dit enkel verergerd. Allerlei symbolen, waaronder de volle maan, begonnen steeds meer een particuliere waarde te krijgen. Ik zat toen diep in het midden van een mystieke cycloon waarvan enkel de rafelige randen aan te duiden waren. De wereld was een tunnel waarin elke gebeurtenis uitvergroot werd. Ik las Burroughs, Castaneda, Miller, Kerouac, Ginsberg en luisterde veel naar Kyuss, Sonic Youth, The Stooges en allerlei andere luide voor velen onplezante muziek. Het had de perfecte introductie tot de hippie kunnen wezen als mijn gevoel niet zozeer was samengegaan met ernstige megalomanie, eenzaamheid en een bijna Blakesiaanse verwachting engelen aan te treffen. Alles had de smaak van metaal. Mijn wereld was een smidse waarin ik mijn geest smeedde. Ik woonde op een eiland in de weiden bij Purmerend, Purmerland genaamd, volkomen afgesloten van de door Nederlanders gedeelde werkelijkheid. Ik introduceerde Sander Tuijp, mijn kompaan in het Demorfisme eens in de coffeeshop, maar hij vond het maar een onaangename plek. Niet genoeg zon en kleur.

Hier te zien:
Een plaatje met een paar klanten van de coffeeshop inclusief uw schilder zelf en op de voorgrond John Musgrave. De zogenaamde Meltdown Experience, waarin ik volkomen onbewust mijn versmelting met John probeerde te tekenen. Het melkwitte pad in het Amsterdams Bos dat tussen de duistere bomen de hemel in steeg. Een schets van de UFO. Paddestoelen in een apocalyptisch landschap. Een inktschets uit mijn hoofd van het meisje waar ik verliefd op was. De Deathtrip: op de fiets de muil van de stad in. Het ziekbed en de bloedfee: bezocht door het meisje, terwijl ik ziek was en monsters uit de stad mijn bed bestormden. De generaal en zijn mannen nemen de stad in bij de volle maan: een van de barmensen in de shop die een onuitwisbare indruk van plezier had achtergelaten. De wereld schudde bij de wortels, maar ik was de enige die het merkte. Ik had al eens eerder LSD genomen en dat had me losgebroken van het verleden, maar dit was iets anders. Er was nu een voor en een na. Dit was de genesis van een groots verhaal.

Meer afbeeldingen te vinden op ozymantra.nl








woensdag 21 april 2010

Beeldverhaal: hoofdstuk 1 – Het Demorfisme (1993-94)

Mijn klasgenoot Sander Tuijp toonde me een tekening in zijn schetsboek van een wijnfles gespiegeld in het kromme raam van een dubbeldekkertrein. Het was niet bepaald een ongewoon beeld, maar het deed mij iets op een fundamenteel niveau. Ik had namelijk niet zo veel eerder in Parijs een kleine gouache gemaakt naar aanleiding van wat schetsen van een storende televisie. Het was niet een geheel gelukkige vakantie geweest gezien de grote eenzaamheid (de afwezigheid van mijn Franstaligheid) en het gebrekkige bereik van mijn portemonnee. Sander en ik, het is werkelijk onmogelijk om erachter te komen wie ermee opkwam, bedachten ter plekke de stroming van het Demorfisme. Natuurlijk moest dat, want iedere kunststudent moest toch uiteindelijk een stroming verzinnen? De basis was vrij simpel: de werkelijkheid werd verstoord door iets, dat mechanisme moesten wij onderzoeken en vervolgens toepassen op een eigen beeld. Zo versplinterde water, verdraaide een lepel of vervormde een storende televisie iets en hoe dit gebeurde was waar wij mee werkten. Het resultaat werd dan gepresenteerd als op zichzelf staand. Na verloop van tijd kreeg deze stroming in onze geesten een steeds grotere en meer uitgebreide betekenis. Natuurlijk dachten wij iets van de werkelijkheid bloot te leggen dat diep was. Het was alsof we de waarheid achter dingen probeerden te tonen. Stoned als we waren, hij ook van de hypo’s (suikergebrek bij een diabetespatiënt), waren er geen grenzen aan het belang van wat wij bedachten. Eerlijk gezegd vond ik zijn schilderijen briljant, maar mijn tekeningen interessanter. Hij trok meer naar waterspiegelingen, ik naar tv-storingen. We tekenden een spiegeling in dezelfde frisse kleuren als het ongespiegelde, ongestoorde origineel en draaiden het resultaat om. Dit kreeg soms een interessant vervreemdend effect. Eén van mijn series had als basisvervorming wat er met de perceptie gebeurd als men LSD nam. Dit gegeven ontbeerde natuurlijk de ‘objectieve’ basis die we zo prettig vonden als uitgangspunt.

Hier te zien:
De eerste gouache in Parijs. Een serie van drie waarin een concert van The Rollins Band (gezien op het Lowlands Festival) vervormd wordt door een LSD-ervaring. Overigens had ik dat niet bij het concert genomen. Een foto van twee voetballers ondergaat een tv-storing in drie fases. Een verliefd gezicht in een lepel. Een zelfportret in een metalen oppervlak met de letters Sarajevo en een portret in een wasbak met doorgesneden polsen. Verder vele schetsen van spiegelingen in allerlei soorten objecten. Mijn schilderijen bestonden in die tijd uit Hollands heldere vlakken kleur en waren vrij schematisch. Het idee had de overhand. De redding van de mensheid en het denken was belangrijker dan de verf. Het verhaal dat verteld moest worden had op alles voorrang. Maar potverdrie, wat een verhaal was het! En wat liepen we met de goden in de hand door een duister Parijs, een fles wijn en een joint, vol gesprekken over Nirvana de band en Nirvana de eindbestemming! De wereld lag aan onze voeten want we waren zo verliefd op ons denken, onze dronkenschap, onze behoefte de wereld te redden! En eerlijk gezegd denk ik ook nu dat we iets bijzonders in elkaar hadden gezet. Een elegante en overtuigende manier om onze ideeën over te brengen die vast had kunnen slagen als we niet zo naïef waren geweest en als anderen mee hadden gedaan. Het stopte omdat een ander idee mijn aandacht trok.

Meer is te zien op ozymantra.nl.











donderdag 15 april 2010

Beeldverhaal: proloog – De vroege jaren (1992-95)

Zoals vaker het geval blijkt de start van een nieuw boek moeilijk en traag. Wat is het onderwerp, wie is de hoofdrolspeler, waar speelt het zich af en waar gaat het naar toe? De hoofdrolspeler in 1991 was striptekenaar Marcel die graag sciencefiction, William Burroughs, Henry Miller en de Engelse romantici las. Hij wist niets van de wereld der edele kunsten. Zijn referentiekader werd gevormd door Starwars en Lego. Hij had ook een half jaartje Engels gestudeerd op de lerarenopleiding. Dat was waar zijn eerste jointje werd gebruikt. Eigenlijk wilde hij naar de kunstacademie of de etalageschool, maar had niet voldoende laten zien om ze te overtuigen. Ik zag me niet mijn hele leven wijden aan de Engelse letteren, hoe leuk ik die taal ook vond. Het werd dus de lerarenopleiding tekenen in Amsterdam. Zo viel de hoofdrol samen met het onderwerp, want die waren één: mijn verhouding tot de wereld, mijzelf en tot wat ik toen abusievelijk voor kunst hield. De plek waar het zich afspeelde was op de grens tussen kunst en strip, maar ook in de klas en waar mijn klasgenoten en ik naar gingen. Verhalen te over.

Het is allemaal bescheiden en doet misschien wat ouderwets aan, maar al snel voelde ik de adem van de grote voorgangers. Wat speelde er in de beelden? Een aardige poging om het begrip ‘the sublime’ te schilderen. Een van de vroegste, misschien zelfs van voor school. Het geheugen schiet te kort. The sick rose, naar William Blake. De voyeur fotografeert een erectie. Zelfportretten vol zelfmedelijden onder dekking van de ellende in Sarajevo. Ik heb toen een paar jaar geen journaal meer gekeken uit afschuw over wat er in Joegoslavië gebeurde. Na een miljoen keer pogen de leraar te overtuigen van iets waar ik zelf nog niet van overtuigd was kwam het eerste ‘meesterwerk’: Kubie geeft de geest. Een manier om mij af te zetten tegen de analytische benadering van de kunst. Ondertussen maakte ik al lang niet meer mijn werk per week, maar weken vooruit, zodat ik kritiek van de leraar kon verwerken en hem kon verrassen. Natuurlijk legt dit bloot waar het in die eerste jaren echt om ging: wat is kunst en kon ik wel goed genoeg tekenen? Tenslotte was het een tekenopleiding, niet een kunstopleiding. Een ander ‘meesterwerk’: de schaatsers. Achteraf gezien had ik het misschien bij schetsen moeten laten. Die waren soms niet mis. Het schilderij heeft wel iets speciaals, maar verzakt in stijfheid. Teveel analyse. Ook nog wat portretten, onder andere voor de cursus beeldhouwen. Een van die modellen ging er met mijn toenmalige vriendin vandoor. Het was geen leuke tijd. De weerman als ziener. Vogelkoppen. Een stripfiguur die boos was omdat ik hem leek te zijn vergeten: Jaws. Pacman in love. Teveel wiet & hasj, maar de echte gekkigheid moest nog komen.

Meer afbeeldingen op ozymantra.nl.


woensdag 14 april 2010

Over het kijken naar kunst

Natuurlijk heeft iedereen zo de eigen manier om kunst te aanschouwen, maar gezien hoe mensen zich tegenwoordig gedragen in musea wil ik hier graag het een en ander opmerken. Om te beginnen lijkt het heel respectvol om op twee meter afstand van elk schilderij te staan, maar echt, dan kan je net zo goed een foto bekijken.

Kunst gaat pas leven als het op verschillende manieren wordt gezien. Ga er heel dichtbij staan en wordt overgenomen door de helderheid van het pigment en de scherpte van de toets en als het om een sculptuur gaat, kijk naar de structuur van het materiaal. Zuig het in je op. Zelfs als het computer of video is, zelfs als het oppervlak glad als een kegel is, zuig het in je op. Neem dan afstand. Gemiddeld een meter. Je hoeft het werk nog niet in zijn geheel te zien. Een heel groot schilderij veroorzaakt een soort van weeïgheid, een soort duizeligheid op deze afstand. Laat het toe, geniet ervan. Op die afstand convergeren de lijnen in een Barnett Newman en wordt je een beetje duizelig. Bij kleinere schilderijen zie je het stuk nu in zijn geheel. Observeer lijnvoering, perspectief, vorm van doek, structuur, compositie, verhouding, etc. Neem voor de grote schilderijen dan de juiste afstand om het in zijn geheel te zien. Zuig het op. Ga naar het volgende schilderij.

Neem voor elke actie niet al te veel tijd. Je wilt de anderen niet ten laste zijn. Loop kriskras, volg niet de route die ze aangeven. Ga naar waar weinig tot geen mensen staan, luister niet naar die verdomde koptelefoon. Achtergrondinformatie had je al van tevoren moeten opnemen, maar kan makkelijk achteraf. Het is niet zo belangrijk. De meeste kunstenaars hebben heel veel tijd en aandacht besteed aan het maken van iets, dus kijk naar dat maken, zie de kunstenaar aan het werk. Gebruik je verbeelding. Probeer te volgen hoe iets is opgezet. Hoe heeft de kunstenaar gemaakt wat er voor je staat of hangt? Meestal worden bedoeling en achtergrond vanzelf duidelijk. Ga verder naar het volgende schilderij.

Loop de zaal nog eens door en kijk vluchtig van een afstand. Proef de kleuren en geuren, de structuren en lijnen nog eens. Blijf hangen als iets je plotseling duidelijk wordt. Het is zo grappig hoe dingen in het voorbijgaan plotseling duidelijk worden. Kijk vanuit vreemde hoeken, kijk van boven naar beneden en vice versa. Kijk wat voor licht er hangt. Praten is niet nodig, maar als je het toch doet, het liefst tegen een ander en het liefst over waar je van houdt, over wat je leuk en bijzonder vindt. Mocht je een schelle stem hebben, houd dan alsjeblieft je mond. Ach, en Picasso heeft niets met voeten. Goed, ook zulke dingen zou je van me horen. De man kan er niets mee. Iedere kunstenaar zo zijn makke. Maar ik zou je ook wijzen op die andere zaken, die geheimen van het vak. Misschien zie jij ze ook en wil je ze me meedelen. Misschien zie jij nog meer dan ik! En ja, beste 'toerist-in-de-kunst-', ik ben die vervelende man die de hele tijd voor je neus opduikt en in je zicht staat, maar is het niet achterlijk op twee meter afstand te staren en te luisteren naar een stem in je oor? Dus fuck you. :)








Deze tekst is geschreven naar aanleiding van het zien van de blockbusters 'Matisse tot Malevich' in de Amsterdamse Hermitage en de Paul Gauguin tentoonstelling 'Doorbraak naar de moderniteit' in 2010. Voor het eerst sinds tijden werd het wereldberoemde schilderij 'De dansers' van Henri Matisse in Nederland geëxposeerd en men vond het blijkbaar nodig een rij van stippen met alarm te plaatsen op een meter afstand van het schilderij. De meeste mensen bleven toch al op twee meter afstand staan, maar mijn plezier werd vergald. Wat vroeger gezien werd als schuimbekkende lastering van het oog was aldus verhoogt tot de status van een symbool voor rijkdom en bankzaken. Vast iets dat voor velen al aan musea kleeft. Op mijn weg uit het museum zag ik de winkel en had het gevoel dat de schilderijen er alleen hingen om de boeken te verkopen.

donderdag 8 april 2010

Beeldverhaal


Ooit wilde ik striptekenaar worden. Dit was niet moeilijk in die tijd, want voor striptekenen bestond geen school, dus het enige dat men ervoor moest doen was hard werken. Ik heb nooit eerder zo hard gewerkt als in de tijd dat ik striptekenaar probeerde te worden. Er valt heel wat af te dingen aan mijn strips van die dagen, één van die dingen was waarschijnlijk dat mijn tekenen wel heel erg onbeholpen was, maar er valt zo ook wat goeds te zeggen, namelijk dat ik een verhaaltje aardig kon vertellen, dat ik de karakters met elkaar kon laten acteren en dat er een zekere innovatie was als het om kadrering ging. We brachten zelfs een stripblad uit genaamd Project uhmm… Met zeker vijftien tekenaars en aanverwanten! Toen ik de tweedegraads lerarenopleiding tekenen ging volgen was dit met de intentie beter te leren striptekenen. Het verlangen om te tekenen kwam natuurlijk niet alleen daarvan. Voorheen, op de middelbare school, nam ik altijd ook tekenen in mijn vakkenpakket. Niet in de laatste plaats omdat het meestal gezellig en ontspannen was tijdens zulke lessen. Niettemin zat ik niet op de lerarenopleiding om te leren lesgeven. Het valt moeilijk uit te leggen hoe zowel de verhalen over als het doen van schilderen mijn fantasie snel in een greep kreeg. Er is iets met de kwast dat ik nooit uit een potlood kan krijgen. Alsof het samenvattende, het overmoedige, het versmeltende en het oppermachtige van de verf waarin schaduw en vorm één zijn, waarin lijn niet belangrijker is dan vlak, waarin een transsubstantiatie plaatsvindt van materie in leven, iets van mijn binnenste weerspiegelde. Het was rond deze tijd ook dat ik begon met dichten. Misschien iets eerder. Natuurlijk was het eerste dat ik met schilderen deed verhalen vertellen. In de eerste plaats dramatisch puberaal en anekdotisch, op den duur meer verbeeldend, maar wel altijd met mijn leven als leidraad. Alsof ik moest getuigen van iets. Dit laatste is nooit echt veranderd, maar naarmate ik meer schilderde en meer met mijn neus op de technische kanten van het schilderen en op de enorme geschiedenis van dit medium werd gedrukt besteedde ik meer en meer aandacht aan formele aspecten en kregen deze formele aspecten steeds nadrukkelijker een persoonlijke en zeg maar gerust autobiografische inslag. Sommige dingen deed en doe ik geheel en alleen in referentie tot deze persoonlijke wereld.

Het zal niemand verbazen dat mijn schilderwerk nog steeds sterk door strips wordt beïnvloed. Jarenlang was dit commentaar van anderen iets waar ik niet blij mee was, was het iets dat ik op een gegeven moment als Geuzennaam ben gaan beschouwen en tegenwoordig is het iets waar ik trots op ben. Strips hebben in Nederland een aureool van kinderlijkheid. Striplezers ontvluchten de werkelijkheid en als je ouder wordt kan je er maar beter mee stoppen. Tenslotte worden strips pas kunst als een bekende roman wordt verstript of wanneer iemand zich autobiografisch uitstort. Het grote verschil tussen striptekenen en ‘kunsttekenen’ ligt voor mij in de repetitie. Een striptekenaar kan nog zo goed zijn, en geloof me, er zitten een paar talentvolle rakkers tussen, hun tekeningen moeten van plaatje tot plaatje dezelfde kracht hebben. Lijnvoering, houding, uitdrukking, dat alles is onderhevig aan het grote geheel, aan het verhaal dat verteld wordt. Van een schilder of andersoortige kunstenaar wordt verwacht dat één plaatje alles vertelt over het hele oeuvre. Zoals gezien kan worden bij Warhol en Picasso is dat een ijdel verlangen, maar goed, zo staat het: alle intentie in één kunstwerk. Voor mij ligt hier ook een vergelijking tussen proza en poëzie, waar in de eerste het woord onderhevig is aan het geheel en zodoende enigszins ondersneeuwt en bij de tweede het woord primair de brenger en verpersoonlijking is van het gedicht. Natuurlijk is er nog een ander belangrijk verschil: de striptekenaar beschikt over een heel arsenaal van standaardoplossingen voor tekenproblemen. In de kunstwereld noemt men dit wel clichés of verstarde vormen. Het is schier onmogelijk een stripverhaal te maken en telkens een nieuwe oplossing te bedenken voor hoe een schittering valt of hoe het profiel van een schoen of de rimpels van iemands knokkels zijn. Bij kunsttekenen, en zeker als men werkt naar de observatie, is men gedwongen op intuïtie, inzicht of wat dan ook, steeds nieuwe oplossingen te vinden. Dit is ook een van de dingen waarom zulke tekening, of schilderijen, individueel de aandacht blijven eisen. Elk onderdeel van zo’n plaatje is nieuw en verlangt van de kijker dat deze terug blijft komen. In de kunstwereld heeft men ook de vrijheid gezocht een beeld alleen uit formele aspecten te laten bestaan, zoals structuur, lijn, materie, vlak, noem maar op: de zogenaamde non-figuratieve kunst. Deze is beter niet te verwarren met abstracte kunst, waarin eigenlijk enkel sprake is van abstraheren, een soort vereenvoudigen van de ‘werkelijkheid volgens bepaalde ‘regels’. Veel van wat wij mensen als kunstenaar van welke soort maken is geabstraheerd, weinig is non-figuratief. Zo bekeken kunnen strips ook abstract worden genoemd.

Het steeds naar oplossingen moeten zoeken, het steeds de uitdaging aangaan om te vinden en ontdekken hoe iets verteld moet worden is wat mij uiteindelijk zeer aantrekt aan de benadering in de kunst. Ik zou niet kunnen vertellen wat het precies is dat ik probeer uit te drukken, kon ik dat wel dan was het misschien niet zo’n uitdaging en zou ik het kunnen afdoen met de achterkant van een bierviltje, maar deze eindeloze zoektocht, deze reis langs intuïtie en ervaring, dit in kaart brengen van een duister continent, dat is wat mij eindeloos fascineert. Misschien als ik dood ga, zo’n beetje vlak voor de laatste ademhaling, krijg ik een inval en valt alles samen, al die aarzelingen en al die noden, al die stappen ondernomen en misschien snap ik dan waar ik op heb gejaagd als een roedel wolven in de steppes van Gogols Rusland. Mijn konijn, mijn rendier, is dat niet simpel ‘De Schoonheid’? Ja, met hoofdletters graag, want zo zien wij dat het liefst. Want als het enkel ging om oplossingen & uitdagingen dan konden we ons net zo goed bezighouden met een Sudoku-puzzel. De Schoonheid, niet te verwarren met ‘mooi & lelijk’. De Schoonheid als van ouds, als het Sublieme gepostuleerd door de mythische Longinus en verder uitgewerkt door de romantici van eind 18de eeuw. Niet enkel mooi & lief, of een wereld waarin dingen lelijk zijn, nee, een wereld waar ook het lelijke ‘mooi’ kan zijn, namelijk De Schoonheid. Hoe vaak heb ik voor een schilderij gestaan, of met een boek in handen gezeten, rillend van dat niet te benoemen gevoel dat me overweldigde, dat niet te beschrijven valt, waarin alles met alles samenvalt, maar waarin bij nadere analyse de losse stukken uit elkaar vallen omdat de losse stukken enkel dat oproepen omdat de kunstenaar ze zo heeft laten samenvallen. De Schoonheid: niet voor beginnelingen, maar voor iedereen bereikbaar. Soms blijkt het dat hoe meer moeite voor iets wordt gedaan hoe groter de beloning is. Het oplossingen zoeken in naam van de onnoembare, zeg maar gerust romantische, Schoonheid (en wat is kunst anders dan de opperste Romantiek en is het niet uiterst koddig kunstenaars naar objectieve niet-romantische kunst te zien streven? Al is dat misschien een ultiem romantisch streven), dat is waar mijn werk uiteindelijk ook om draait. Dit is iets waar ik ook in strips toe had kunnen komen, ware het dat ik niet tegen dat eindeloze repeteren kan. In ieder geval niet als ik het zelf moet doen. Laten we wel wezen: het huis van de kunst kent vele kamers, waarin strip & schilderij, poëzie & sculptuur, hiphop & merengue allen dezelfde gang delen.

Verhalen vertellen is wat ik graag doe. Ik lees ze ook graag en zoek naar een verhaal in wat ik observeer. Alles leent zich daarvoor, maar sommige verhalen worden te abstract, te non-figuratief. Wij zijn er geen deel meer van. Dat zijn de geheime verhalen, de verhalen die boven ons uitstijgen en als een fijn netwerk van verbindingen onder de andere verhalen liggen. Mensen als Donald Judd herleiden het verhaal tot zijn atomen en tonen die ons. We lachen erom, we fronzen in ergernis, zijn verbluft over zoveel lef, maar hoeveel van ons zien daar uranium, helium en hydrogenium en hoeveel van ons weten hier het verhaal uit op te bouwen? Meestal gaat zulke kunst hand in hand met een lange uitleg. Het staat te ver van ons af, zulk elementair vertellen. Met woorden gebeurt dit ook, maar spaarzaam. Voor elke 100 Donald Judds is er 1 schrijver. In stukken van Finnegans Wake, van Lucebert, Lucas Hüsgen of Samuel Vriezen vinden we deze elementaire delen terug, maar vaak gaan ze gebed in een soort van narratief. Een plaatje zegt niet meer dan duizend woorden, het vertelt een geheel nieuw verhaal. Waarom men beeldend met de totale abstractie verder komt dan met woord blijft natuurlijk een interessante vraag. Misschien is dit wel omdat we om een beeldend werk heen kunnen lopen (of er langs), er misschien op kunnen zitten en er tegen aan kunnen praten, waardoor er nog zoveel meer communicatie mogelijk is. Deze verhalen zijn niet slechter dan andere, maar voor mijn praktijk mist er toch wat. Het is alsof ik de ingrediënten en het recept krijg, maar het koken zelf moet doen. Ik heb plezier aan dat koken, maar zelf zet ik graag verhalen op tafel met iets meer. Als een Indiase kok op LSD gooi ik ingrediënten op het doek, in de hoop dat het iets wordt. Het begon bescheiden en megalomaan tegelijk. Er was de hoop een breuk te helen of misschien een ravijn te overbruggen, tegelijk ging het enkel over mijn besognes. Naarmate ik meer bezig raakte met de kunst raakte dat autobiografische enigszins zoek, al blijft het overal sterk doorschijnen. Het is nu een van de elementaire deeltjes geworden waar mijn beeld uit is opgebouwd. Door de aard van mijn interesse wordt alles een verhaal, maar elk medium is daar geschikt voor en ze inspireren elkaar ook. Tegenwoordig span ik mij meer in voor proza, wat voor zich zou moeten spreken. Kon ik het maar bij één ding houden, kon ik maar enkel schrijven, dichten of schilderen, maar in het verhaal zijn ze allen even belangrijk.

Dit stuk gaat dus voornamelijk over het schilderen en mijn ‘beeldverhaal’. Tot nu is er sprake van zo’n dertien perioden, met ieder als uitgangspunt één die vrijwel naadloos volgt op de vorige periode. Er zit weinig repetitie binnen de perioden en soms spelen deze zich grotendeels met andere middelen af (doch geen tekst pur sang) en niet in olieverf, wat mijn normale materiaal is. Een thema wordt aan de hand van enkele motieven uitgewerkt en als er vrede mee is, als ik het gevoel heb genoeg verteld te hebben, als mijn leven verandert, als ik meer weet over mijzelf en over de schilderkunst, dan schuiven we door naar de volgende periode. In de komende maanden wil ik graag deze schilderijen en schetsen met jullie op Facebook delen, chronologisch, begeleid door een kleine uitleg, misschien zelfs van een manifestje of twee. Uiteindelijk moet dit alles op mijn website een meer permanente, toegankelijke en overzichtelijke vorm vinden. Ik zal in dit blog hiervan beknopt getuigenis geven.