woensdag 27 januari 2010

Overpeinzing over het afwijkende van het normale

of Over het normale van afwijken.

Waarschuwing: in deze tekst is sprake van grove simplificering.


Het vreemde van een wereld waarin alles afwijkend is, waarin alles interessant is en elke opvatting onderhevig aan de kritiek van de betweters, dat niets van het afwijkende nog afwijkend is. Eigenlijk zou het verhaal zo afgelopen moeten zijn, want dan is het afwijkende verheven tot de norm.

Het vreemde aan de mens is helaas, of misschien is dit niet vreemd, maar gewoon gezien vanuit de ogen van de afwijkende, dat wat men normaal vind niet wezenlijk veranderd en dat als het afwijkende normaal is het genoegen moet nemen met een veel kleinere groep van aanbidders dan wanneer het niet afwijkend is.

Natuurlijk, de normale mens neemt van alles over. Het hoeft niet meer zo figuratief, niet elke kleur hoeft te kloppen en protagonisten hoeven niet enkel en alleen de voorgeschreven 'normale' emoties te ervaren. De kunstenaars op de rand en die daarover zijn gegaan trekken wat 'normaal' wordt gevonden altijd iets op. Binnen de matrix van het gewone leven is absoluut meer mogelijk dan onze voorouders ooit hadden gedacht.

Toch kom is het vreemde aan de mens dat zij die helemaal naar de grens en erover reizen graag denken dat alle anderen te langzaam of te dom zijn, dat ze niet durven of geen smaak hebben. Zij, de uitzonderingen, zetten de maat. Alles dat op het eerste gezicht vanzelfsprekend en normaal is, moet anders, kan interessanter, of dit nou beter is en de massa ten voordele strekt of niet. Een kant en klare waarheid kan nooit waar zijn, want deze is niet interessant genoeg. Niets is wat het lijkt.

Een wereld waarin het uitzonderlijke verheven is en het gewone niet meer geaccepteerd laat een leegte achter. De leegte van de doorsnee smaak. Deze leegte wordt vervolgens gevuld door de meest gemene deler, de laagste die men kan vinden, want er is niemand meer die er toezicht op houdt, niemand meer met smaak en intelligentie. Er is niemand over met gevoel voor wat goed is en algemeen, die zijn of haar reputatie als zijnde intelligent of talentvol op het spel zet voor de doorsnee.

woensdag 20 januari 2010

Canto VII (het laatste)

Terugdenkend aan traag dalende rivieren
land balancerend in lagedrukgebieden
mijn buren van onbesproken gedrag
een handje helpend met de winkelwagens
toen tv-kleuren nog rijk en overdadig waren
het onbesproeide zand van nieuwbouwwijken
hoop op maakbare tomaat onbegrensd

zeg ik tegen allen die luisteren:
de wereld kent geen muren van paspoortfoto's
buren mengen liefdevol zonder recept te verliezen
zij en de ander leven op onze ene planeet samen
waar golven van kust naar Anatolische kust golven
basketbalpetjes en fezzen op dezelfde kapstok hangen
moskee, kerk en tempel dezelfde belasting betalen
Kira en Ninjat mijn naaste buren waren
Stiekem verlangde ik haar caramellen huig
zijn Indosnor voorbeeld voor mijn mannelijk zijn
Opa en oma reisden in een blik en blozend de ganse wereld over
gaven hun huis een oosters aanzien in polderstijl
Waar pisang ambon, kretek en nasi goreng nieuwe woorden zijn
net als quattro staggione, tamarindesap en döner kebab
Kijk eens naar wat een voetbalploeg drijvende houdt
aan taal en invloed op elkanders stijlfiguur
Een grensloze wereld waar allen geloven in zichzelf
zij die allen geloven in dezelfde God, Mens
in al zijn gedaantes aanbeden op elke hoek
een duvelstoejager zonder aanblik andante
meanderend langs breed bewuste kanalen



Openigszin een parafrasering van het bekende Marsmangedicht. Ik weet het, al zo vaak gedaan, maar in dit geval acht ik het extra toepasselijk en wrang. Maakbare tomaat een samentrekking van actie tomaat en maakbare samenleving. Alsof we door te protesteren tegen het onrecht in de wereld een betere wereld kunnen maken in plaats van er iets aan DOEN. Anatolië is de oude naam van Turkije en als je van hier over de zee naar Turkije reist kom je zo’n beetje langs alle landen waar ‘onze allochtonen’ vandaan komen. Behalve natuurlijk Suriname en de Antillen, maar wie wil mensen die daar vandaan komen nou allochtonen noemen? In Hilversum hadden wij buren waarvan de moeder Nederlands was en de vader Indonesisch en een twinitg miljoen talen kende. Ik overdrijf. Hun kinderen heetten Kira en Ninjat. Kira was zo ongelooflijk mooi, het was bijna niet voor te stellen dat ze gewoon onze buren waren. Nadat we op mijn vierde verhuisden kwamen we nog vaak langs. Die hele jeugd was ze doelwit van verliefde gevoelens. Ik verwijs naar de vader en moeder van mijn vader, die in Indonesië woonden voor en tijdens de oorlog en daarna veel door Europa en de wereld reisden. Met deze voetbalploeg wordt de Franse bedoeld die in 1998 het wereldkampioenschap won en overigens ook het Nederlandse van die tijd. Het Nederlandse team heeft sinds die tijd veel aan kleur ingeleverd. Andante = muziekterm.

Zo, dat was het dan weer. Dit verzorgen kostte meer tijd en aandacht dan verwacht. Ik hoop dat jullie er plezier aan hebben gehad. Hier wil ik dan nog even de aandacht vestigen op twee van mijn andere blogs, Ozymantra over de drempel, waar teksten staan die ergens anders op het net zijn gepubliceerd en Ozymantra schreef zich rot, waar enkele van de verhalen en gedichten op staan die in literaire tijdschriften zijn verschenen.

Dit is het laatste deel van het langere gedicht The Black Angel’s Death Song, dat in Kaalslag in de Lage Landen werd geïntroduceerd en in 2004 werd geschreven.

maandag 18 januari 2010

Canto VI

In de luidruchtige delta neergestreken
gevlucht voor armoede en dorpse waanzin
leven Özlem en Azzam schoonmakend
de goten en kantoren van strakke overhemden
ongezien vluchten ze in ochtendlijke uren
een toekomst bouwend voor Berkant en Rachida
vijf keer biddend naar oost, alleen in gedachte

Bij de Ka'aba wachten ze volgzaam als allochtoon
gescheiden zolang ze "een zwarte
van een witte draad kunnen onderscheiden"
hier als Nederturk en Nedermocro
onder de schaduw van de zesde zuil
in handen van de baardige vijanden
op een onverdeeld suikerfeest met ons allen, samen

Trotse jongemannen in djellaba en nike-shirt
statige moslima's in modieuze hijab
woedend werkend om gelijk te zijn
aan de verwende boeren en boerinnen
levend op hun jachtterreinen van erwten
Altijd alleen maar gelijk aan de schurken
die metro's opblazen met afgeladen lichamen

Ik staar naar de kleurige straten en vraag:
Wat is het dat ons van de ander scheidt?
Wie zijn deze vreemden die mijn buur zijn?
Hoe smaakt de baklava op de hoek?
Waarom niet "Vrede over u, over u zij vrede"?



De namen die ik hier heb gekozen zijn opzettelijk Marokkaans & Turks. Het vijf keer bidden naar oost is niet precies oost, want Mekka ligt natuurlijk iets zuidelijker ten opzichte van ons. ‘Een zwarte van een witte draad…’ heeft iets met de ramadan te maken, maar het leek me ook een aardige verwijzing naar het vermogen goed van slecht te onderscheiden, leugen van waarheid, vooroordeel van oordeel, etc. Nederturk & Nedermocro zijn mijns inziens beter dan het verzamelvat ‘allochtoon’ waar de regering al jarenlang mee schermt. Het is mijn ervaring dat mensen er niet zoveel op tegen hebben in een culturele groep gezet te worden, maar wel als ze opgeteld worden bij vele anderen waar ze weinig tot niets mee delen. Zie Fries & Hollander. De zesde zuil verwijst naar die van de Jihad en dan specifiek naar de interpretatie die sommige heren aan dit woord geven als zijnde een naar buiten gekeerde oorlog tot bekering. Derde strofe gaat over het feit dat veel van onze Medelanders (ook zo’n woord) de troep opruimen voor het Nederlandsche Volk. Ze zijn er oorspronkelijk voor uitgenodigd, maar goed, soms schaam ik me enigszins als het vuil op het station weer door besnorde en gekleurde mannen wordt opgeraapt, terwijl de bleekneuzen het achteloos laten vallen. Helaas gooit iedereen achteloos vuil op straat, bleek of gekleurd. dDat is dan ook weer jammer. En, tja, tijdens sport niet zo handig, in de rechtszaal misschien niet gepast, maar waarom zouden vrouwen niet een hijab mogen dragen? De Spaanse aanslagen gebeurden blijkbaar in hetzelfde jaar als de moord op Theo. Was ik alweer vergeten. ‘Vrede over u…’ had ik ergens gevonden als gezegd in de Islam, maar helaas, ik kan de betreffende pagina niet meer achterhalen.

Dit is het zesde deel van het langere gedicht The Black Angel’s Death Song, dat in Kaalslag in de Lage Landen werd geïntroduceerd en in 2004 werd geschreven.

zondag 17 januari 2010

Canto V

en ik voel het mes in zijn rokersborst steken
gewoon bestek, van met die kartels bot
S.O.S. aan allen op bleekwit papier
Hij kermt en ik gedenk zijn kind alleen
'Ik weet zeker dat jij, O Nederland, ten onder gaat.'
di omen avertant de laatste belletjes kuchend
wanneer Djahim ontstoken wordt als een sigaret

Gevat in een driest verlangen naar toen
toen geluk heel gewoon was en sneeuw nooit smolt
toen men goud uit hooi kon spinnen en namen almachtig waren
Nog nooit is een bruiloft zo wit geweest als tussen hemel
en “ik doe wat ik zeg en zeg wat ik doe…”
wat we niet laten kunnen, vuile naffers

"you can’t handle the truth,” schreeuw ik
schitterend geschetst in oranje kronen
als alles dat geldt de optie de ander te honen
en ik heb er zin an achterdocht en angst te zaaien
want zij die wind zaaien oogsten stormen
al probeert men de beste toon te zetten
zullen kaffers & kazen elkaar nooit vertrouwen

en ik zucht teder tegen concrete muren:
waar is het washandje van de gouwe ouwe tijd
wie lag te dromen in bed voor de ochtend aanbrak
hoe bakte oma haar hemelse appeltaart al dansend
waarom sta ik hier met een vuist vol modder en turf?



Met dit gedicht komen we in de diepte van de hel terecht. Djahim, ofwel het Arabisch voor hel, als woord ook gebruikt in de brief die Mohammed Bouyeri met een mes in de borst van de dode Van Gogh plantte. Geen kartelig boterhammes inderdaad, maar voor de inhoud leek me dat beter. Laten we niet al te letterlijk worden. Di omen avertant. Even weer de VanDale opengeslagen: Latijn voor 'mogen de goden het voorteken afwenden'. Had ik een klassieke opleiding genoten was dat openslaan natuurlijk niet nodig geweest. Dan wist ik vast ook waar deze spreuk vandaan komt. Van Gogh was een berucht roker en had een zoon. ‘Ik weet zeker dat jij Nederland…’ etc. stond op dezelfde brief. In Venray werd al snel in 2004 een aanslag op een moskee gepleegd. Stommelingen zitten er dus blijkbaar in elke bevolkingsgroep. ‘Ik doe wat ik zeg…’ waren de gevleugelde woorden waarmee Pim Fortuyn de politieke macht wilde overnemen. Hij had ook de neiging om ‘aan’ heel geaffecteerd als ‘an uit te spreken. De hele zin waar dit in plaats vindt is een mengeling van affectatie en Amsterdams. ‘You can’t handle…’ was weer eens een van die briljante momenten van Jack Nicholson. Naffer = Noord-Afrikaan. Er was een site toen die nogal wat stof deed opwaaien. Als u er tegen kan, probeer dit ook eens: blog. Je blijft het gevoel krijgen bij die laatste site dat er een soort van burgeroorlog hier wordt uitgevochten en misschien is dat ook wel zo in de ogen van een aantal, in beide kampen. Moeten wij hier aandacht aan besteden, of het negeren, zoals de media over het algemeen geneigd is? Ik weet het niet echt. Hier nog iets over zaaien & oogsten, wat zover ik kan herinneren een bijbelse achtergrond heeft. Het racistische woord kaffer komt dus blijkbaar uit het Arabisch, en het wordt Kaas is een denigrerende term voor de Hollander, vast van Kaaskop.

Dit is het vijfde deel van het langere gedicht The Black Angel’s Death Song, dat in Kaalslag in de Lage Landen werd geïntroduceerd en in 2004 werd geschreven.

zaterdag 16 januari 2010

Canto IV

Op elke zeepkist in het land staan omroepers
welluidend klagen ze “allow me to introduce…”
De polder roept om het hardst dat iemand vallen moet
“that we got to fight the power” van de tabula rasa
dat ze Lucifer onder ons nooit moeten vergeten
niet de waskracht van Witte Reus onderschatten
“the power that be” kan ook de ander zijn

Scholen en kerken vallen ten prooi aan de rechtschapene
Vergeten wordt het web dat ons samenbrengt
Wat de engel deugt doet doch ook niet, beleefd
voelt hij demon naast dit verdriet
want allen zijn gelijk geschapen, ook de vuist
die moet zorgen voor lammeren en schapen
is van gods hand, “the beautiful beat of black feet

in white powered sneakers” danst men over transen
en de engel ziet een luchtloper genaamd Luuk
in de spiegel genieten als mens in de massa dwazen
van alle remmingen vrij, de maatschappij
Een jungle om te ravotten, zeg ik
…eindelijk kan ik mezelf zijn en alles omver slaan
wat heilig en zacht is en wat de ander betreft

Daarom schreeuw ik met een hoofd vol bloed:
nu is het tijd de tulbanden af te rollen
nu is het tijd de buurman uit zijn huis te jagen
nu is het tijd de wereld op haat te dragen
dit is de tijd van Armageddon, “get it on, get it on!”



Het gedicht begint met een schets van Nederland als vol met schreeuwende mensen die ieder hun mening belangrijker vinden. Citaat Sympathy for the devil, van The Rolling Stones, van het album Beggars Banquet. Het laatste album met Brian Jones. Verwijzing naar een wasmiddel, gevolgd door een citaat van Public Enemy nummer Fight the power, uit de Spike Lee film Do the right thing. Witte reus had vroeger altijd zo’n leuke reclame met een gigantisch wit laken waar iedereen op liep en at, wat vervolgens met een helikopter in een wasmachine werd gedaan. Ik had in die tijd een grote hekel aan wasmiddelenreclames, aangezien ze op elke zender waren en telkens hetzelfde. Behalve deze dan. Beautiful beat of black feet, uit het nummer Society is a hole van Sonic Youth’s album Bad moon rising. Een collega in De Rode Hoed merkte eens op dat alles aan dat album vals klonk, maar hij wist dan ook niet dat de band altijd op uniek gestemde gitaren speelde, waarvan ze er op een gegeven moment zo’n 23 hadden. Sonic Youth werd door één van hun programmeurs in het begin van hun carrière eens de ‘whitest band ever’ genoemd. ‘Luuk Luchtloper’ = Luke Skywalker, van Starwarsroem. We eindigen met het nummer Get it on van T-rex.

Dit is het vierde deel van het langere gedicht The Black Angel’s Death Song, dat in Kaalslag in de Lage Landen werd geïntroduceerd en in 2004 werd geschreven.

vrijdag 15 januari 2010

Canto III

Jan, Piet, Joris en Corneel die hebben baarden, die hebben…”
gespreidt in een bed gelegen, Jan en Piet
klimmen angstig de ramen uit als de engel nadert
want normaal gedrag de enige norm om waarde te tonen
buiten en binnen de sponde, echt, dat huwelijk niet
niet vergeven voor Corrie, Jans of Pieternel
zegt de enige god deze wereld rijk: Jahweh, Allah, whatevuh…

de engel kan betere dagen herinneren
weken dat grenzen niet gesloten hoefden worden
maanden dat deus ex machina zijn habijt werd aangenomen
vriendelijke jaren toen ellende alleen inwendig zeurde
nadat Sodom en Gommorah bekeerd waren met zwavel en vuur
na de laatste devianten tot zoutpilaren verstarden
gunstige tijden verteerd tot een moesson van afwijken

weer is het verval alom en Eden’s prieel vergeten
weer leeft Sapiens in twijfel over óf Gods granieten woord
óf de eigen wijze, spreekt men van mirakels der techniek
(maar twijfelt men aan Gods Woord)
en de engel ziet hun roetzielen in twijfel branden
als ware het vagevuur waarin geworpen
de altijd zekere Aartsengelen, Cherubijnen en Tronen

en de engel roept hortend om houvast:
nu is het tijd om het enige echte woord te omhelzen
nu is het tijd alle ketters als insecten te verdelgen
nu is het tijd de perverten van hoge torens te gooien
tijd de onreine zwijnen af te slachten



Jan, Piet, Joris etc’ Oud-Nederlands liedje, wordt gespiegeld in de de vrouwelijke versie. Sodom & Gomorrah komt uit het Oude Testament. ‘Aartsengelen etc.’ heb ik eens over gelezen in Milton’s Paradise Lost. Er blijken dus heel wat verschillende engelen te zijn, niet allemaal erg ‘engelachtig’. Torens en homofilie, een vreemde relatie. Je zou bijna denken dat het iets Freudiaans is, om een toren te gebruiken om van afwijkende seksualiteit af te komen.


Dit is het derde deel van het langere gedicht The Black Angel’s Death Song, dat in Kaalslag in de Lage Landen werd geïntroduceerd.

donderdag 14 januari 2010

Canto II

De engel is verbaasd over wat daar verglijdt
tijdens de vlucht langs spaghettidijken
ingedamde rivieren gelegen aan musea en pretpaleizen
bevolkt door offers aan biergenot, kunst en kitsch
dansend tot de zon de zwarte zwerk openbreekt
wat nog lang duren zal, weet hij
Deze duisternis reikt van over heel de wereld naar hier

al sinds het begin der tijden toen het woord god was
toen twaalf stammen verenigen moesten
a long time ago, in a galaxy far from here)
zei een cowboy: “hell’s coming for breakfast”
Rond de tijd dat pralende Lucifer zijn plaats vergaf
opinieloos achtergelaten in luxe kou
God tevreden neuriede, giechelde Gabriel “asjemenou!”

Sinds die tijd hangt er een klamboe van Het Ware Geloof
over de smaragden parel vol fossielen
sinds die tijd vecht boerennuchter schuchter voor adem
is elke kritische teug die men krijgen kan
afrekening met al het bijgeloof
is twijfel het enige voor de eenzame vader
dat verlossen kan van Zijn verantwoordelijk amen

en de engel spreekt aarzelend deze woorden:
nu is het een eind te maken aan ons beleg
nu is het tijd afstand te nemen van blind vertrouwen
nu is het tijd de troon van boven naar beneden te halen



Kleine verwijzing naar de twaalf stammen van Israël, gevolgd door de intro van alle Starwars films. Het citaat ‘hell’s coming for breakfast’ komt uit de film The outlaw Josey Wales, een lekker smerige Clint Eastwood-film uit de jaren ’70, toen films maken nog iets voor schurken en tuig was en zowel recensenten als publiek een slecht eind niet onoverkomelijk vonden. Natuurlijk komt de ‘asjemenou’ van Loekie de Leeuw, icoon van de reclameblokken van mijn jeugd, toen ik nog niet doorzapte zodra een wasmiddel werd aangekondigd.

Dit is het tweede deel van het langere gedicht The Black Angel’s Death Song, dat in Kaalslag in de Lage Landen werd geïntroduceerd.

woensdag 13 januari 2010

The black angel’s death song: Canto I

Er waart een engel op lederen vlerken door ons land
Zijn fijn gehouwen gezicht als een Griekse faun
gluurt masterdcardhard over verhit asfalt
Zijn zwaard schittert thirty inch rims verblindend
Schoonheid ongeëvenaard, zelfs door Hollywood
Wemelende vleugels als priesterhanden
beantwoordt gebeden van al die zielziek zijn

“Everyday a nigger is born with no soul,” fluistert
wind over rietkragen en plassen
“and that’s a damn shame,” in veiligheidswijken voor rijken
Door het trammelant raakt iedereen verloren
(everyday…) een kind, een moeder, een vader, ze vragen
Bezien de irisscan van daders
“to speak Dutroux or not Dutroux, that’s the…”

Almachtige god is Vader in Darth van kleed, hurkend
op Zijn troon van chroom en vergiffenis, al is vergif
in elk van Zijn woorden kenbaar als Zijnde van Hem
luistert de wrekende engel Oost-Indisch
naar de mummelend oude man
de weg volledig bijster, seniel
wachtend op zijn zoon op een kruk

De engel fluistert een mantra van welbehagen:
nu is het tijd de handen ineen te slaan en te schreeuwen
nu is het tijd vredeswoorden te laten vloeien over lanen
nu is het tijd de graal te reiken aan ieder die meezingt
het is tijd de andere wang te keren voor een bakkie thee




In dit eerste gedicht wordt de protagonist opgevoerd, de engel uit de titel. Wemelen is een soort van nerveus bewegen of flikkeren. Het citaat komt uit een film waar ik nu even de titel niet van herinner. Het zou best eens The Bluesbrothers kunnen zijn. Laat het in ieder geval duidelijk zijn dat dit citaat oorspronkelijk door een Afro-Amerikaan werd uitgesproken met als bedoeling te zeggen dat er elke dag wel iemand geboren wordt zonder gevoel voor muziek, oftewel Soul. In deze citatie wordt het beruchte N-woord gebruikt als metafoor zoals bijvoorbeeld John Lennon doet met Woman is the nigger of the world. I.a.w. wij zijn allemaal slaven van dit bestaan en elke dag wordt wel iemand zonder ziel (soul) geboren. De verwijzing naar Dutroux is een vage inaccurate speling met het bekende Hamlet-citaat To be or not to be. In de derde strofe een verwijzing naar de Starwarsschurk Darth Vader.

Dit is het eerste gedicht uit het langere gedicht The Black Angel’s Death Song, dat 10 januari in deze blog werd geïntroduceerd.

zondag 10 januari 2010

Kaalslag in de Lage Landen


Na de moord op Fortuyn vroeg een vriend of de hel zou losbreken wanneer de moordenaar een moslim bleek te zijn. Dezelfde gedachte was bij mij opgekomen en ik antwoordde er bang voor te zijn, dat de moordenaar dat geloof aanhing. Mensen kunnen best ongenuanceerd reageren en voelen. Toen Van Gogh werd afgeslacht was er geen vraag meer. Ik maakte nog de misplaatste grap, net aankomend op mijn werk, dat het nooit Van Gogh kon zijn, zo vroeg in de ochtend. In mijn verbeelding leidde de filmmaker een kunstenaarsleven. Zover als ik ooit in verbeelding met hem bezig was. Ik heb nog wel eens een sigaret van hem aangenomen, tijdens een geënsceneerde Lagerhuisdiscussie over roken. Ik werkte toen in De Rode Hoed. Overigens werkte ik daar ook tijdens het evenement waar Joost Zwagerman Ayaan Hirsi sprak en blijkbaar de connectie tussen haar en Van Gogh gelegd werd

We hadden net het podium opgebouwd, hetzelfde als voor Het Lagerhuis van de VARA, dat daar toen werd opgenomen. In die tijd rookte ik en was dus makkelijk overtuigd van Van Goghs argumenten. Het was een Gauloise zonder filter, die ik geheel ontwend was. Zijn argumenten verloren kuchend snel aan kracht. Ik moet zeggen enigszins verrast te zijn dat hij zich leende voor zoiets commercieels. Verder leek het een aardige pief.

Mensen zijn vaak best oké, heb ik gemerkt. Mensen hebben ook geld nodig en iemand als Van Gogh had altijd geld nodig. Die films maakten zich niet zelf. Ik neem aan dat hij daarom dit soort klusjes deed. Ik neem aan dat hij daarom wel eens wat scherper formuleerde dan wenselijk is. Aandacht kan geld betekenen voor de aandachttrekker. Velen zijn met hem in dit aspect. Ik ben zeker niet de enige geweest die een soort van opstand of rellen verwachtte na de moord. Nederland was al een tijdje onrustig. Nederland IS al een tijdje onrustig. Ik haat het hoe men tegenwoordig in het Journaal en de kranten de zaken rond zijn moord afdoen als iets van het verleden. Alsof de ressentimenten die heersten plots weg zijn gegaan omdat Cohen en enkele anderen verstandig reageerden. Ik haat het hoe men de opkomst van Wilders & co maar wat graag presenteert als losstaand van 2 november 2004. De misère die dat allemaal losmaakte zat er al lang en het is precies hetzelfde gebleven.

Mijn eerste artistieke reactie werd in dit gedicht gevat:

Het woord vermoord
in de vorm van een lachend big
Hofnar der Neêrlandsche Staat
sprak spugend en kwijlend
Zijn Waarheid
in Zijn Stad
Nu ligt ie plat op de kouwe straat
kucht waarheid en bloed tegelijk

Duisternis niet meer af te wenden
De lange reis begonnen, alleen
zijn wij gelaten

Een radeloos gevoel kwam over mij in de eerste week na de moord. Twee politieke moorden tijdens mijn leven. Sinds Balthasar Gerardts hebben we dit niet meer gezien. Ach, vele moorden, vuig en gewillig, zijn er gepleegd binnen het politieke bestel, Van Oldebarneveldt en de Gebroeders de Witt, maar een man van buiten, van het volk? De eerste twee weken keek ik met achterdocht naar mijn buurtgenoten. Toevallig wonen er hier bovenmatig veel moslims. Ze kunnen er ook niets aan doen. Deze buurt was toen ze hier kwamen goedkoop en is dat nog steeds. "Give me your tired, your poor, your huddled masses yearning to breathe free, the wretched refuse of your teeming shore. Send these, the homeless, tempest-tossed to me, I lift my lamp beside the golden door!" Zo was het hier, toen de eerste immigranten uit de Maghreb kwamen. Een belofte van geld en veilige terugkeer. Niemand had durven dromen dat deze immigranten plaats en geld van de minder gefortuneerden zouden overnemen, of dat dit in ieder geval als zodanig gezien zou worden. Niemand had durven dromen dat de Verenigde Staten aangevallen zou worden door moslimterroristen.

Ik weet dat Van Gogh absoluut een klootzak kon zijn, maar ik wordt altijd zo boos als iemand suggereert dat het kwetsen van mensen met woorden op welke manier dan ook een moord zou rechtvaardigen. Ons land kon mensen gebruiken die ongenuanceerd en schofterig zijn (dat is tegenwoordig misschien weer anders). Hij en Fortuyn stonden hier alleen in, gedurende een tijd. Ben ik echt de enige die het opvalt dat zij beide ten strijde trokken tegen de burgerlijke gezapigheid en door nog extremere buitenstaanders zijn getroffen, terwijl de mannen en vrouwen op het pluche gewoon door kunnen gaan? Gewoonlijk, als er al zoiets gewoons aan is, worden aanslagen op zittende politici gepleegd. Zo was het ook met Willem de Zwijger. Ik wil niet suggereren dat de kogel van links kwam. Van Gogh en Fortuyn waren zowel links als rechts. De kogel werd afgeschoten op degene met het hoofd boven het maaiveld en buiten het kader. We zijn echt iets in Van Gogh verloren, nog afgezien van een mens. Hij was een uitzonderlijk filmer.

Maar goed, waar het om gaat in deze blog is een ander gedicht vrij snel na het vorige schreef, een die uitzonderlijk minder kort was en ook minder toegankelijk. Het bestaat uit zeven afzonderlijke gedichten die in opbouw met elkaar overeenkomen, maar ieder een stukje van de situatie probeert te vertalen. In vele opzichten is het vast geen geslaagd gedicht. Het moest tegelijk klassiek zijn, in de trant van oude protestgedichten uit de jaren vijftig, maar er moest ook vrolijk postmodern geciteerd worden. Nou ja, eerlijk gezegd gebeurde dat allemaal vanzelf. Dat soort realisaties komen meestal later, na het begin, na het afvuren van de creatieve kogel. Nu al is het gedateerd, omdat de situatie alsmaar gecompliceerder is geworden, met meneer bleekmiddelpruik jagend op aandacht. Ook is het ongewoon hoopvol, op het naïeve af, maar eerlijk gezegd vind ik dat een van de reddende kwaliteiten. Een kunstwerk probeert altijd boven de situatie, gedachte of het gevoel uit te stijgen. Daar hoort naïeve hoop ook bij. Het is een oprechte en directe tekening van mijn gevoelens en observaties.

Ik wist niet waar het geplaatst moest worden. De meeste literaire bladen ontlopen relaties met de hedendaagse werkelijkheid graag. Zeker als ze met een enigszins dramatische en licht hysterische lading worden gebracht. Ik heb nog geprobeerd het te passen in een bestaande eigen bundel, maar dat was niks en om het ding op zichzelf uit te brengen, daar is het te klein voor. Grappig genoeg kan ik door de opzet gedichten blijven toevoegen zonder de structuur ooit echt aan te tasten, maar dan zou ik het spontane gevoel van het begin kwijtraken.

De titel, Black Angel’s Death Song kwam als vanzelf, omdat een engel de hoofdrol vervult, maar enige andere connectie met het lied van The Velvet Underground ontbreekt. Misschien dat er iets in de situatie zat dat verbonden werd met het gevoel uit de tijd dat ik vaak naar The Velvet Underground luisterde. In de jaren zestig was een muziekluisteraar Beatles of Rolling Stones, maar ik ben altijd Velvet Underground geweest, de eerste band waar Lou Reed in zat. Het is de derde smaak die lang onder het tapijt is geveegd.

Ik koos voor de benaming van de gedichten als canto’s, omdat Ezra Pound en Lord Byron hun gedichten in het grotere gedicht zo noemden. De connotatie ontbeert elke diepgang. The black angel’s death song is doorspekt met citaten en parafraseringen van uiteenlopende soort. Ik wil de eerste keer dat men dit leest niet alles uitleggen, maar onderaan elk gedicht zal ik een tipje van de sluier oplichten. Later maak ik misschien een versie met hyperlinks naar pagina’s met informatie. Alsof weten wat iets betekend genoeg is om een gedicht te begrijpen. In de loop van de week post ik zo’n beetje elke dag een canto.

dinsdag 5 januari 2010

Spaarzaam behagen

In de goede oude tijd, toen oma nog leefde en opa op de bank zat, toen de enige kachel in huis in de woonkamer stond, een gaskachel gevormd als kitscherige openhaard met nephout brandend in volle glorie, toen Ron Brandsteder nog voor leuk doorging en Jos Brink voor intellectueel, toen ik overduidelijk veel jonger was en het jaar tweeduizend als sciencefiction klonk, logeerden mijn zusje en ik op een ijskoude kamer, met echte lakens en dekens, met een plat onvermurwbaar kussen, omarmd door een doodse donkere lucht zinderend van teentop tot koele kruin, vol genot over de kleine tijdreis naar een plek waar geen centrale verwarming werd toegelaten, een plek niet verder dan een autorit van twintig minuten. Dat was best een lange zin, maar daar gaat het niet om. Gerard Reve beschrijft een vrij hilarische vondst in een van zijn beroemde brievenboeken. Het klinkt hilarisch in onze oren door zijn ongerijmdheid. Een man die op brommer van Hilversum naar Amsterdam rijdt, een haas vindt in de vrieskou en besluit die mee te nemen. Stel je voor, een haas tussen Amsterdam en Hilversum (of, wat dat betreft, met de brommer naar Amsterdam, in plaats van met de auto)! Ik neem de trein niet zo vaak deze dagen, dus weet het niet zeker, maar huppen er nog steeds konijntjes langs het spoor bij Diemen? Mocht ik ooit een bevroren dier in deze kou aantreffen, zie ik het als onwaarschijnlijk om het lijk mee te nemen en klaar te maken voor voedsel. Zulke dingen doen we niet meer. In Reve’s tijd was het waarschijnlijk ook al niet vanzelfsprekend. Niettemin gebeurde het in de eeuwen ervoor vast vaak. Waarom ook niet? Die man op de brommer was natuurlijk Reve zelf, nog voor hij ‘van het’ liet vallen en volksschrijver alsook aardappeleter werde. Een rare en vermakelijke snijboon, dat zeker. Mijn huidige huis is uitgerust met een tonkachel die op gas brandt. Zo zie je dat niet vaak meer. Op Facebook klaagde laatst iemand dat toen de stroom uitviel de kachel het ook niet meer deed. Ik daarentegen maak me toch wel enige zorgen over de rekening wanneer gas schaarser zal worden. Zo heeft iedereen probleempjes, nietwaar? Ach, wat is het lekker in een koud huis wakker te worden, snel uit bed te piepen om de kachel aan te zetten en dan weer terug, soezend van verwachting.

In het Amerikaanse blad RAW uit 1989, met als ondertitel ‘Open wounds from the cutting edge of comix’ (comix in deze kwestie als het artistiek verantwoorde alternatief voor comics, waar over het algemeen enkel superhelden in figureren), stond een tekening op de voorlaatste pagina door Georganne Deen van een akelig hip type die net uit haar superslikke voiture stapt, de sleutels nog in de hand, de blik arrogant en blank, met als ondertitel ‘The single-minded pursuit of more’. Ik was negentien en het getoonde riep afkeer op. Wij waren niet arm, maar ook niet rijk. Ik wist niet wat men nu wel weet en misschien al jaren wist, ook toen al, dat meer krijgen nooit voldoening geeft, al krijg je meer, al koop je meer, het zal nooit voldoening geven. Het was een beeld uit een heel andere cultuur, een doordrenkt van het meer krijgen. De vrouw zag er niet alleen buitenaards uit door de tekenstijl, maar ook doordat het uitgedrukt me volkomen vreemd voorkwam. Ik was opgevoed met als ideaal genoeg te hebben aan wat ik had. Mijn ouders kochten nooit echt meer dan waar ze geld voor hadden. Niemand die ik kende deed dit. Zoveel mensen kende ik natuurlijk ook weer niet. Vast en zeker was het toen al normaler om te lenen en te kopen dan ik dacht. Ik vond toen, en vind dat nog steeds, dat alles dat ik nodig heb genoeg is. Meer dan dat zou toch indruisen tegen bepaalde biologische grenzen. In de boeken van Winnetoe waren het de cowboys die meer pakten dan nodig was. Altijd meer en meer van het land, van het goud, van de bizons, tot er geen bizons meer waren, het goud alleen met bloed was te ontginnen en land van de indiaan werd gestolen met verraad en bedrog. Schattig, toch, hoe die simpele verhaaltjes van Karl May zulk een vanzelfsprekende moraal in mij hebben doen ontstaan? Ik heb er nooit vragen bij hoeven te stellen. Het voelde, en eigenlijk nog steeds, als een goed uitgangspunt om volgens te leven. Natuurlijk heb ook ik tegenwoordig meer dan nodig is. Hoe kan het ook anders, in een wereld van overvloed als de onze?

Ik vroeg het meisje in de Etos naar neusdruppels en zij antwoordde daar een probleem mee te hebben, met de neusdruppels. Natuurlijk is en blijft het vreemd iemand te horen spreken alsof de zaak henzelf is en zijzelf de zaak zijn, maar goed, ik maak me daar ook wel eens schuldig aan. Waar het hier om gaat was het specifieke ‘probleem’. Niet dat ze geen druppels meer had, maar dat de keuze zo beperkt werd tot gewone druppels, een zoutoplossing en kinderdruppels, noopte haar tot deze formulering. Die fantastische spuitflesjes waardoor men rechtop zittend de neus kan verlichten waren op! Alleen het minste en laagste, de ouderwetse soort, die overigens in mijn tijd nog standaard in glas werden uitgevoerd en niet in plastic zoals tegenwoordig, was tot mijn beschikking! Nou ja, het is ook handig om te hebben, zo’n omhoogspuitflesje (hoe noemt men een object van gemakzuchtige liefde?), en ik had het vast gekocht als het beschikbaar was, al kost het dan weet ik veel iets van twee euro meer. Voor mijn opa en oma was het een kamillestoombad en een doorgesneden ui naast het bed, maar vroeger was niet alles beter, dat weten we ondertussen wel. Niettemin mag men zich ook afvragen of we nog werkelijk iets te klagen hebben. Is er een reden tot mopperen als we alles tot onze beschikking hebben, als we geld kunnen lenen als water, als we de verwarming de hele dag aan kunnen laten staan ook al zijn we niet thuis en we drie tot vijf keer per dag kunnen douchen omdat we dat lekker vinden? Werkelijk waar, zouden we alleen maar spaarzaam met het milieu moeten omgaan omdat we en passant ijsberen en dolfijnen uitroeien? Nog steeds is niemand tevreden, nog steeds weegt het persoonlijke ongeluk zwaarder dan het algemene gewin. Iemand die ooit eens kijkt naar ‘How it’s made’ op Discovery Channel WEET hoeveel tijd en energie gaat zitten in het maken van zelfs het simpelste als plastic wegwerpborden. Weet men eigenlijk nog wel, en met ‘men’ probeer ik vooral generatiegenoten en jongeren aan te spreken, hoe rijk deze wereld van ons is? Nu men nauwelijks nog boeken leest, zeker niet die van vroeger die eens voor de klassieken doorgingen, en nu men geschiedenis voornamelijk ziet als iets voor sukkels, nu men met genoegen kan zeggen dat het verleden hen niets interesseert, want dat gebeurde allemaal voor hun tijd, nu men de media laat vertellen hoe de wereld in elkaar zit en films over slechtere tijden voor vermaak verslijt, weet men eigenlijk nog in welke overdaad wij leven? Zou het iets uitmaken voor ons, voor hen, voor hen aan de andere kant van de wereld in dat verdoemde werelddeel Afrika, of wij met minder genoegen nemen? Is dit een blog die gaat over de schuld die we moeten voelen over wat wij in rijkdom en gemak van anderen afnemen, of gaat het om de verantwoordelijkheid die we zouden moeten voelen voor onze behaaglijke positie? Tevreden zijn met je zegeningen. Een individu kan er niets aan doen, dat spreekt voor zich. Ongelijkheid is een zaak van grotere machten. Toch ben ik liever als de indiaan die spaarzaam gebruik maakt van de wereld, dan als de cowboy die maar pakt en pakt omdat er nooit genoeg is en vergeet dat het land op een gegeven moment niet meer kan delen. Bovendien is het best leuk om spaarzaam te zijn.