vrijdag 31 december 2010

Vrolijkheid

Ik ben vandaag zo vrolijk, ja, dat kan je zien. Maar dat nummer zingt niet door mijn hoofd, nee, terwijl ik de laatste boodschapjes voor het weekend doe. In plaats daarvan schreeuwt Nine Inch Nails een wanhopige I don’t know I don’t know. Ik weet namelijk niet waarom ik zo vrolijk ben. Ik kan er helaas niks aan doen de hele tijd te glimlachen. Er is niets bijzonders waardoor ik zo vrolijk ben, maar de glimlachjes blijven opborrelen alsof ik de een of ander drug heb genomen, alsof ik al een glaasje nepChampagne heb genoten, alsof de hele wereld teruglacht. Ik kijk even scherp naar de mensen om me heen… Nee, de wereld lacht niet terug. Het is een geluksgevoel dat geheel en al van mijzelf afkomstig is. Misschien is het de vrije tijd die maar niet lijkt op te houden of dat kleine beetje extra geld waarom ik me geen zorgen hoef te maken, of misschien een sterk gevoel dat er allemaal beloftes ingelost gaan worden. En nee, ik heb geen geweldig Oud & nieuw feestje voor de boeg. Gewoon een beetje chillen met wat vrienden.

Bij terugkomst kom ik de benedenbuurman tegen, een zanger van het Amsterdamse levenslied en een andere buurman van ik weet niet hoe hoog die ik eigenlijk nooit eerder echt heb gezien. We hebben het over de buurt aangezien onlangs op nummer 30 was ingebroken. Blijkbaar, volgens de zanger, zijn er in ons stadsdeel de grootste hoeveelheid inbrekers opgepakt. Wel 400. Ik maak de opmerking dat dit niet echt verrassend is gezien de samenstelling van de buurt. We weten allen waarover het gaat, maar niemand, zelfs de zanger, benoemt het. Het is niet alsof dat iets verandert. Soms noem ik onze buurt schertsend Klein Islamadam. Bij het de trap oplopen wordt ik eerst boos omdat een hele groep mensen het zo makkelijk maakt om onderscheid te maken. Is er dan geen van die schavuiten die bij zichzelf denkt dat het zo wel heel makkelijk wordt om mensen weg te zetten? Dan wordt ik boos over hoe makkelijk het is om een hele groep weg te zetten. We weten allemaal dat er ook blanke en zwarte Nederlanders tussen die 400 zitten, maar de eerste gedachte gaat uit naar de Marokkaanse Nederlanders. Of is ik het die dit soort gedachten heb en niet mijn buren? Ik denk er niet lang over na. Al snel komt de glimlach weer terug. Die glimlach komt van binnen en van nergens anders. Geluk komt nergens anders vandaan.

zaterdag 18 september 2010

Beeldverhaal epiloog - 2010

Dan is de zoektocht ten einde. Ik wilde striptekenaar worden, werd schilder, deed aan poëzie en schreef een boek. Ik onderging verschillende fases in mijn werk, zowel in proza, poëzie als in de beeldende kunst en nu ben ik klaar. Fini. Tijd voor tabula rasa. Er zijn enkele vragen opgeworpen. Eén daarvan is vrij simpel: waarom kunst? Dit is een vraag die direct in het verlengde ligt van: waarom leven we? Misschien is het net zo’n nutteloze vraag. We leven omdat we op aarde zijn gezet en er verdomd veel moeite mee hebben onszelf om te brengen, al zullen enkele pessimisten denken dat we aardig op gang zijn onszelf uit te roeien. De vraag waarom we leven draait meer om de gedachten die deze vrijmaakt dan om het antwoord en zo is het ook met de vraag waarom kunst. Zoals Kerouac al zei, het gaat niet om het bereiken van de bestemming maar om de reis er naartoe. Misschien hebben andere schrijvers en filosofen voor hem wel iets soortgelijks beweert. We weten tenslotte allemaal wat er aan het einde van die reis is: de dood. Het grote vergeten. Geen gedachte gedacht, geen pennenstreek gezet, geen kwast gehanteerd, geen veldslag gevoerd of deze zal worden vergeten. We houden ons gaarne voor de gek en houden graag vast aan de illusie dat sommige zaken voor eeuwig zijn: Napoleon, Hitler, Churchill en Tinbergen, Reve, Cage, Bach en Polak, Attila, Thorbecke, Jagger & Aguilera, noem maar op. We denken graag dat we er altijd zijn zullen, ons voortplantend, onze liefdes en haat dragend, onze redelijkheid en argumenteren, ons neuspeuteren en nagelknippen, maar ook dat zal op een gegeven moment verdwijnen. De wereld zelf zal aan stukken worden gescheurd, de zon zal ontploffen en in elkaar zakken, het universum zal zichzelf ten einde brengen en wat komt er daarna? Misschien niks. Misschien komt God langs met Zijn heirscharen en de doden voor het laatste oordeel. Dat zal nog een drukke bedoening worden als we er even vanuit gaan dat God niet enkel de mens, maar ook de rest van de schepping die zijn best heeft gedaan uitnodigt op deze laatste barbecue. Misschien is dat Godsgebeuren wel een hersenspinsel en waar blijven wij dan met die kunst, wat stelt die voor en waarom zoveel energie en tijd? Bent u ook al depressief van dit verhaaltje? Ik niet. Ik heb vertrouwen in en begrip voor het vlietende van onze verlangens. Ik hoef geen ander doel dan mij gezet in dit leven. Gelukkig leven een hoop mensen zo. Ook ik wordt wel eens bekropen door de ogenschijnlijke hopeloosheid van ons lot, maar ach. Misschien moet een mens een soort simpelheid van geest hebben om zich daar telkens overheen te zetten en misschien heb ik dat. Ingewikkeld denken is prima, zolang het maar tot een oplossing leidt.

Deze zware materie, de dood van lichaam en geest, het verval van alles tot op de atomen en verder, is natuurlijk niet iets dat een normaal mens de hele tijd met zich kan meedragen. Als je kind bent zie je de dood niet. Je bent vol vuur als een pasgeboren zon, de ruimte om je heen zo oplichtend dat de duisternis geen kans krijgt. Als kind is de wereld voor jou geschapen, in een oogwenk, met elke oogwenk die je maakt. Naarmate we ouder worden en het licht van onze geest, van ons bewustzijn, steeds zwakker wordt, nadert de duisternis onweerstaanbaar. De stilte die rond ons schreeuwen heerst wordt langzaam verstikkend. In de ruimte is geen geluid en al snel drijven wij het luchtledige in. Hoe houd je dat gevoel vast dat het leven er voor jou toe doet? Hoe maak je elke dag weer dragelijk? We rennen van hot naar her voor afleiding. We krijgen kinderen, maken ruzie, falen en overwinnen, de hele tijd die zware gedachte ontwijkend: alles sterft. Ik ga dood. Niet nu, maar snel. Ons leven is nog niet eens een uur in het leven van de kosmos. We springen op, kopen een boek, gaan naar een feestje, kijken een soap, drinken tot onze levert barst, gaan op vakantie, doen van alles, orgasme na orgasme, in onze sprong voorwaarts. We proberen de tijd stil te zetten, maar slagen er enkel in het tikken van de klok onhoorbaar te maken. Er is een tijdgevoel binnenin dat vertraagd of versneld kan worden. Ik maak graag gebruik van deze mogelijkheid, en het help wel een beetje, maar ook dat is tijdelijk. Telkens als iets je overweldigt, een grote ramp of geluk, dan valt alles even stil van binnen. Dan is er geen tijd. Dan ben je als een dier in het wild: tijdloos vastgelegd op het pad van de aarde. Einstein, en met hem nog veel andere wetenschappers, heeft betoogd dat tijd net als ruimte is, maar hoewel het mogelijk is in de ruimte heen en weer, van daar naar hier, te lopen is dit niet mogelijk met de tijd. Deze kruipt en schuift alsmaar sneller vooruit. Naarmate we ouder worden, hangen we meer aan herinneren dan aan verwachting. Kunstmatig verlengen we dit verwachten door een hoop op het paradijs. Wie weet, maar niemand kan het dan ook echt weten en om je leven in te zetten op deze vage hoop lijkt me een grote, misschien wel te grote gok. Wat we zeker weten is dat dit leven zo weer voorbij is. Je hoeft maar de tv aan te zetten en langs de kanalen te zappen om al de verschillende mogelijkheden te zien die we beoefenen om te vergeten, om een warme illusie te creëren, om te vergeten dat alles wat we zijn ooit wordt vergeten. De enige die de herinnering aan ons enigszins staande houdt zijn wij en wij doen er alles aan om te vergeten.

Het is prettig om te vergeten, dat is een feit. Het is heerlijk om weg te dromen bij een simpel boekje met de leukste plaatjes, de mooiste rijtjes woorden, bij de lach van je kindje, bij haar eerste stapjes of op een feestje met een drankje en een goed gesprek. Er is geen twijfel aan. Denken aan de dood of alles dat daar direct mee verband houdt is zwaar en trekt aan ons. We staan niet helemaal meer in het leven als we al te druk zijn met de dood. Het leven, tenslotte, is iets dat barst van de energie, iets dat de hele tijd geeft terwijl je het leeft. Maar al die zaken, al die verstrooiingen kunnen niet verhullen dat we er steeds meer van nodig hebben om hetzelfde te bereiken. Net als drugs bouwen verstrooiingen een tolerantie op. Dat Burroughs de junkie als metafoor nam is zeker niet zomaar gekozen. Al zat zijn leven vol van de drugs, hij wist dat het zo werkte. We krijgen promotie en in plaats van tevreden te zijn willen we er nog een. We verdienen een beter uurloon dan bij de vorige baan en in plaats van dat dit ons vrede geeft klagen we over de werkomstandigheden. Niks van dit geeft echt soelaas, geeft ons die noodzakelijke rust. Liefde, daar wordt altijd over gesproken alsof dit het wel zou zijn. Zeker die eerste paar maanden, maar de meeste relaties stoppen ook weer, of bloedden langzaam dood. Van liefde naar liefde, als een eeuwige stroom van exaltatie, van geestelijk orgasme naar orgasme, van hier naar daar, het stopt niet meer. Eigenlijk is er maar een ding dat me altijd de echte rust geeft. Dat is een bepaald boek in mijn kast. Ik hoef er alleen naar te kijken en ik ervaar weer dat boven-orgastische. Alsof je buiten jezelf stapt, jezelf ziet, weer in jezelf terugstapt en er vrede mee hebt dat de wereld is zoals die is. Het is ook een bepaald schilderij dat ik maar hoef te zien, al is het een plaatje ervan, ik hoef er zelfs maar aan te denken en het doet dat weer met mij. Soms is het maar een nummer op een album vol andere geweldige nummers. Steeds hetzelfde object, in vlammen gezet door het vuur van zijn schepper. Welke verstrooiing kan daarmee concurreren? Er is geen honger na het aanschouwen van zoiets. Natuurlijk, het gewone leven gaat verder, de dood loopt rustig met ons mee, deze zal niet zomaar verdwijnen, maar dat moment en vele erna, zonder dat ik hiervoor van hot naar her hoef te rennen, die momenten zijn rust, vergeving, extase, hoop en liefde ineengerold. Het mooiste is nog dat de ervaring die men met zulk een stukje kunst heeft zich uitbreidt naar het echte leven, zodat een bepaalde blik van iemand, de bocht die een weggetje maakt, het ruisen van bomen bij dat huis, de configuratie van de wolken of dat zinnetje dat de taxichauffeur uitspreekt opeens ook deze klaarheid en diepte kunnen krijgen. Niet omdat ze deze vanzelf zouden hebben, maar omdat je er klaar voor bent, omdat je er open voor staat. Het is er pas als je het kan zien, op elke hoek van elke straat.

Het is niet te zeggen hoe dit wordt bereikt. Een toevallige samenloop van omstandigheden in het brein van de kijker, luisteraar, lezer, wie zal het zeggen. Dat ik de behoefte kreeg om werken als dit te maken, al was het maar het pogen zoiets te doen, kan toch niemand verrassen? Iedereen die even door het licht wordt geraakt verlangt er voor eeuwig naar de bron te vinden en er zich voor de rest van zijn of haar leven aan te laven. Iedereen probeert het om dan in alle bescheidenheid te realiseren dat het hem of haar niet is gegeven. Misschien brandt het vuur wel in ons allen, maar blijkbaar kan niet iedereen het omzetten in een materiële evenknie. Misschien is het gebrek aan talent, misschien aan uithoudingsvermogen of gewoon aan de rust. Sommigen zijn niet simpel genoeg, anderen te complex. Bijna niemand wil de verstrooiing er echt voor opgeven. Toen ik begon met scheppen wist ik hoogstens dat het niet voldoende was mijn voorbeelden na te doen. Ik moest met iets nieuws komen. Niet omdat iets nieuws perse goed is, maar omdat ik een ander was dan zij en omdat zij al hadden verdiend wat ze verdienden en ik dat op mijn eigen manier moest doen. Niet zijn als mijn voorbeelden, maar van hen leren, van hen jatten, hen imiteren en aanpassen. Ik wist niets van mooi & lelijk, maar kreeg al snel door wat De Schoonheid in zou moeten houden. Min of meer, enigszins, bij benadering. Niemand weet tenslotte hoe De Schoonheid echt in elkaar zit. Bijna altijd is het een soort van verschrikking, of het nou het hoge of het lage benadrukt. De verschrikking zit in het feit dat wij er niet bij kunnen met ons hoofd, dat wij niet begrijpen wat het met ons doet. Het is te groot voor ons en toch voelen we ons verwant. Het zegt iets over ons dat we altijd wisten, maar nooit zo ervaren hadden. De kunstenaar verfijnt, sublimeert, herschept, ordent, noem maar op. Ik begon zonder eigenlijk te weten aan wat, maar voelde de behoefte vooral het ongezegde, het vuil van de straat, het geraas van de storm, het geratel van een nieuwslezer, uit te drukken. Alles dat aan de onderkant van ons gewone leven kleeft trok mij en trekt me nog steeds. Ik kan buitengewoon genieten van de hoge hovaardige kunst die de sterren bespeelt en de mooiste vrouwen uitbeeldt, maar als ik zelf moet scheppen komt het er uiteindelijk eerder aan op verbeelden hoe het innerlijk van die ster atomen uit elkaar trekt en een mens verzengt, komt het eerder aan op de schaamstreek van die vrouw en haar zweet aldaar of de duistere gedachten die ze draagt gebukt als ze gaat onder al die adoratie. Ik kwam altijd graag in België omdat de huizen daar zo prachtig vervielen, terwijl wij in Nederland geen huis kunnen laten vervallen omdat deze dan uitzonderlijk lelijk wordt. De Schoonheid van een Godslasterlijke wolkenkrabber boven dat gezellige pleintje in Alkmaar. Geen nostalgie, maar vuil en kunststof. De verf en niet de imitatie.

Elk hoofdstuk in het Beeldverhaal was een nieuwe poging om aan te sluiten bij mijn voorbeelden, om ze te verbeteren, om mijn weg te vinden, om te zien wat ik kon, om die verdomde Schoonheid te vinden! Nog niet zolang geleden las ik over het grootste probleem met junkies en ander aangespoeld juttersbuit van de mensheid. Namelijk dat ze hun verhaal niet meer consistent kunnen maken. Ieder mens schijnt een innerlijk verhaal te hebben dat zijn of haar leven een samenhang geeft, dat motivatie oplevert en rechtvaardiging voor daden en ondaden, de dingen die we laten. Mijn Beeldverhaal was zo’n poging vorm en samenhang te geven aan mijn leven. In ieder geval als kunstenaar, maar eigenlijk, opgeteld bij de andere zaken die ik doe, zoals schrijven en dichten, als mens. Elk hoofdstuk vertegenwoordigt een onderdeel van mijn leven en bij elkaar opgeteld vormen ze in zekere zin ook mijn leven. Geen wonder dat ik me niet schaam voor de mislukkingen en misbaksels. Degene die ik niet heb vernietigd zijn verkocht of staan in mijn rek. Mijn leven staat daar uitgestald. Het zijn allen kinderen van de geest die wachten op een leven buiten het atelier. Pas als ze in het bezit van iemand anders zijn kunnen ze groeien, in de ogen en woorden van de toeschouwer. Telkens weer probeerde ik iets te verwerken, iets te verbeelden, ergens werkelijkheid aan te geven en nu is het Beeldverhaal af. Of is dat zo? Houd ik mij voor de gek te zeggen dat de nieuwe kunstwerken niet een nieuw hoofdstuk vormen? Ik zou graag denken dat ik dat achter me heb gelaten. Niet omdat ik die hoofdstukken van verdwazing en bevlieging zo vervelend vond, maar eerder omdat ik denk eindelijk de totale vrijheid te hebben gevonden. De vrijheid die ik aankan en waar ik naar verlang. Deze mag heel anders zijn dan die van andere kunstenaars, maar daar doe ik het mee. Geen rode lijn meer, geen verhaal an sich, maar enkel een zoektocht naar De Schoonheid. Nog steeds zal alles dat ik doe een autobiografische achtergrond hebben, maar het beeld zal nog opener worden. Er zijn geen andere regels om te volgen dan degene die ik per werkstuk afkondig en dan weer breek. Alles kan, er hoeft geen samenhang te zijn. Die komt vanzelf. Ja, wie weet, misschien is dit wel heel anders dan wat er vooraf is gegaan. Misschien is het Beeldverhaal wel echt afgesloten. Ik schilder, dat is het belangrijkste!

Het lustige stel, 2010, olie of doek, Marcel Ozymantra


Marc (muzikant), 2010, olie op doek, Marcel Ozymantra


Lucifer redux, 2010, olie of doek, Marcel Ozymantra


Faces of my mind (uit de serie), 2008-09, inkt op papier, Marcel Ozymantra


What we all want, 2010, olie op doek, Marcel Ozymantra

zondag 18 juli 2010

Beeldverhaal hoofdstuk 12 – Rising out of chaos – 2008-09

Uiteindelijk lukte het om mijn huis zo om te bouwen dat het mogelijk was een atelier op zolder te hebben. Om verschillende redenen ging dit allemaal heel traag, onder andere omdat dat ik bijna constant bij PCM aan het werk was. Voor de grote dingen moeten we altijd veel tijd vrij maken. Misschien was het ook omdat ik lang met de kans rekening hield, bewust & onbewust, dat mijn toenmalige vriendin misschien zou intrekken. Met een atelier en een stellage om de schilderijen op te bergen was er eindelijk weer ruimte voor grote projecten. Ik was niet geheel ontevreden met die paar schilderijen en besteedde ook veel tijd aan gedichten, maar niets leek me leuker en uitdagender dan iets nieuws te beginnen. Een schilderij specifiek bleef mijn aandacht trekken: Monkey see. Het ontstond vrij eenvoudig. Een gekleurd vlak, een soort van lijst van dezelfde kleur, een oranjerood gekleurd figuur en wat nog meer? Ja, ik besloot er een geometrisch figuur in te plaatsen. Op zo’n manier dat het er geplakt uitzag. Er moest een verbinding zijn tussen het figuurtje en de vorm, alsof er een strijd plaatsvond tussen twee uitersten, waarvan de meest voor de hand liggende in dit schilderij die van emotie en ratio was. Ik schilderde daarna nog een ander in deze trant: Mr. Skeletondude, gebaseerd op een krabbeltje die ik eens gedachteloos bij de schrijfgroep maakte, waar ik toen al een tijdje deel van uitmaakte. Ik heb dat wel vaker gedaan, krabbels als basis voor schilderijen gebruikt. Kijk maar eens naar ‘Reaching for Valhalla’ (vorig hoofdstuk).

Zoals dat wel vaker gaat had ik me een vakantie als wortel voor de neus gehouden om de maanden van werk bij PCM door te komen. Alleen als er uitzicht is op iets goeds, liefst een vakantie, kan ik dat soort misère verdragen. Het was zo gepland dat het samenviel met het opheffen van de afdeling, maar bij nader inzien bleek dit niet het geval. Maar dat is niet van belang! Wat wel van belang was is dat ik het vliegtuig terug miste en een extra nacht in New York moest doorbrengen. Tijdens een wandeling van mijn hostel in de avond kreeg ik een ingeving over wat de volgende stap zou worden. Ik wist eindelijk wat mijn nieuwe project ging worden! in eerste instantie zou ik vrouwen schilderen waarmee ik een sterke emotionele connectie had. Het ging er niet om dat ik een relatie met ze had gehad of dat ik ze zeer intiem kende, het mochten ook vrouwen zijn die ik eenmalig had ontmoet en aldus een toch een sterke herinnering hadden opgeroepen. Zoals iemand wel eens op straat naar je kan kijken en dat die blik nooit meer vergeten wordt, iconografisch vastgeklonken aan iets in het hoofd, resonerend met diepere verlangens, weerkaatsend tegen allerlei lang verborgen herinneringen. Dat was het uitgangspunt, maar al snel kwamen daar andere onderwerpen bij en natuurlijk heb ik dit evengoed mijn hele schildersleven al gedaan, zij het wat minder precies. Ik zou ook vrienden en andere mannen in dit schilderen betrekken, ik zou ook groepjes afbeelden die een directe connectie tot mij hebben. Dit allemaal op de manier dat ik ‘Monkey see’ had geschilderd. Wat wilde vlekken en strepen in kleuren verbonden met het onderwerp, een vlak dat vastheid moest geven en eenzelfde verbondenheid in kleur, een figuur en enkele elementen die directe herinneringen opriepen. Dat niet alleen, maar er zouden ook woorden in komen, klein en soms half uitgewist, maar relaterend, verder vertellend, meet associaties oproepend, met kleine streepjes direct verwijzend naar de figuren, alsof het pijltjes en blokjes zijn in een soort computerprogramma, altijd cirkelend rond de mensen, telkens van perspectief verwisselend. En inderdaad, ik schreef de letters soms in perspectief, maar dit laatste idee viel al vrij snel weg. Het zag er toch een beetje te gekunsteld uit.

Het was rond deze tijd dat een goede vriend van de Rode Hoed, Marco Depiaggi, met het idee kwam om een galerie in zijn huis te starten. Galerie Radar Architecture&Art. Ik was snel enthousiast en besloot actief mee te helpen en stelde voor dat Marc Scheelen ook ging deelnemen. Gedrieën, met Weronika, Marco’s vriendin zochten we uit hoe dat moest, een galerie uitbaten. Marc had al veel ervaring vanwege zijn opleiding tot museumkundige en ik had al veel openingen afgelopen. Dit gaf me een goede kans om dichter bij de kunstwereld betrokken te worden en bovendien, enigszins niet gerelateerd tot mijn hulp, wilde Marco ook mijn schilderijen exposeren. Zodoende had ik in 2009 mijn eerste expositie in een echte galerie. We besloten deze ‘Rising out of chaos’ te noemen, een titel die voor mij in eerste instantie verwees naar de manier waarop het werk tot stand kwam, zo vanuit een hoop willekeurige kwaststreken en een zompige herinnering, maar achteraf gezien, en ik zeg dit misschien ten overvloede, is het ook een titel die mijn vernieuwde opwaartse gang als kunstenaar beschrijft. Elk Oudennieuw dat men mij vraagt wat ik ben antwoord ik dan ook vol zelfvertrouwen: Kunstenaar.

Sinds de betreffende expositie ben ik overigens vooral bezig geweest met mijn roman en met het in kaart brengen en aan de man brengen van mijn kunst. Schrijven of schilderen, het is wezenlijk anders, maar het kan beide kunst zijn.

Hier te zien: Monkey see, Mr. Skeletondude, Entanglement, The Frenz, Cavepainting, C’est Bon, Giorgia, The ring, Cuddly, Dear Abby, Rachida, Caridad, Sunset, Self-portrait, enkele voorschetsen.

Meer afbeeldingen te zien op ozymantra.nl.



























donderdag 15 juli 2010

Beeldverhaal Hoofdstuk 11 – The search continues… 2005-08

Ik weet niet meer precies in welke volgorde deze zaken gebeurden. Het ging uit met mijn vriendin waarmee ik het misschien iets te snel had aangemaakt, want het was toen nog maar net uit met degene ervoor, waarmee ik erg heftige ups en downs had. Ik moest een echte baan vinden omdat werk bij de Rode Hoed niet voldoende was. Ik had eigenlijk niet genoeg geld om het atelier te betalen, onder andere omdat mijn partner in de huur weg ging, maar misschien was dat laatste wel omdat ik mijn deel van de huur niet meer kon betalen. Ik ging werken als leraar techniek op het Gerrit van der Veen-college in Amsterdam-Zuid. Wacht, toen had ik die vriendin nog… Mijn herinneringen van deze tijd zijn vaag en gekleurd door een gevoel van verlies. Ik had geen atelier meer en nauwelijks ruimte om mijn schilderijen op te bergen, laat staan om normaal te schilderen. Ik ging weg van het college omdat ik gek werd van het idee zo te moeten leven en startte met werk bij de Oude Kerk. Dit allemaal naast werk in de Rode Hoed. Toen ik stopte met de Hoed konden ze me niet genoeg werk garanderen bij de Kerk en nam ik een echte baan bij PCM, het bedrijf dat het grootste gedeelte van de nationale kranten uitgaf. Nou ja, ‘echte baan’… Ik kwam er als oproepkracht dankzij Marc Scheelen die er een maandje of wat had gewerkt en die ik bij de Rode Hoed had ontmoet.

Rode draad in al dit is hier overduidelijk geld. Soms verkocht ik wel eens aan vrienden, soms aan vreemden, veel werd verkocht via de website Artolive. Toen ik er in ’99 bijkwam was het nog maar net begonnen en gratis. Iedereen kon erop. Er werd overduidelijk geen onderscheid in kwaliteit gemaakt. Het duurde een jaar of twee, maar toen verhuurde en verkocht ik regelmatig. Helaas werd me nooit verteld aan wie en dus beschouw ik die schilderijen enigszins als verloren. Er kwam wel geld binnen, maar er werd geen reputatie gebouwd of klantenkring opgezet. Zij hadden duizenden kunstenaars die werk voor hun verkochten waar zij gedrieën een aardig salaris van trokken. Een oneerlijke zaak, begon me op te vallen.

PCM was een interessante plek. Iets geheel nieuws voor mij. Drie of vier dagen per week van 8 tot 4. Stapels papier in volgorde in enveloppen stoppen, aan elkaar nieten en dan de volgende stapel. Achter elkaar door, met als enige uitzonderingen extra krantenbijlagen of het instorten van het computersysteem. Een nerveus opgefokte beweging van herhaling dag in dag uit met Arrow Classic Rock op de achtergrond en gesprekken over muziek van voor de jaren tachtig. Die gesprekken met mijn collega René en met Matthijs (die helaas weg ging naar een andere afdeling) waren het enige dat me in staat stelde dit enigszins te overleven. Ik voelde me soms als Henry Miller in Tropic of cancer in de greep van een grote machine die me probeerde te vermorzelen. Nu en dan moest ik zelfs direct achter de computer plaatsnemen omdat iemand op vakantie ging of ziek was en dan de hele stroom beheren via allerlei archaïsche computerprogramma’s. Dan voelde ik me als Dostojevsky voor het vuurpeloton waarvan de geweren nooit echt afgingen.

Was het lijden? Jazeker, maar natuurlijk niet als aan een echte ziekte of als aan de honger. Ik had geen atelier en kon niet boven water komen om adem te halen. Ik moest van alles in mijn huis veranderen om een beetje te kunnen werken en was ervan overtuigd enkele schilderijen te moeten vernietigen. Zo’n dertig ging het mes doorheen. Ze waren allen van niet al te grote kwaliteit, maar voor iemand die zijn creaties beschouwd als zijn kinderen is dit op zijn minst gezegd niet plezierig. Ik heb wel een traantje moeten wegpinken. Het toppunt van ellende was dat ik op Oudennieuw tussen de journalisten, redacteuren en schrijvers stond en door iemand gevraagd werd wat ik deed en er niet eens meer op kwam kunstenaar te antwoorden.
Toch maakte ik enkele kleine schilderijen gedurende die tijd, op zijn minst om soepel te blijven, maar ook om te begrijpen waar ik mee bezig was. Deze mondden uit in enkele grotere werken waarin veel beeldende ervaring werd samengebald. Erop terugkijkend ben ik over deze dan weer zeer tevreden.

Hier te zien: Annihilating infinity (geïnspireerd op de Ultimate Nullifier uit Fantastic Four, zoals bedacht door Jack Kirby, een wapen waarmee het universum ongedaan gemaakt kon worden), Birdie, Booty, Cult of Sebek (een plotselinge fascinatie voor de Egyptische krokodillengod resulteerde in dit schilderij en een verhaal), Haat is lachen, Love is in the air, Paint is cool, Reaching for Valhalla, The appeal (waarin een alternatief Adam & Eva-verhaal wordt verteld), enkele schetsen.

Meer afbeeldingen op ozymantra.nl.


















woensdag 30 juni 2010

Beeldverhaal Hoofdstuk 10 – Regnum Femina - 2004-05

Twee dingen die al sinds een hele tijd belangrijk zijn in mijn werk werden in dit hoofdstuk extra uitgelicht, kleur en wat sinds ‘De stad droomt in bloed’ vaak werd gebruikt: het model. Dit als vervolg op de ‘Women War revolution’. Een soort uitbeelding van hoe de wereld en de hemel eruit zien als de vrouwelijke cyborgs de mannen hebben uitgeroeid.

In het vorige hoofdstuk had ik al besloten meer ruimte te geven aan kleurvlakken en minder aan zwart en wit. Ik wilde meer naar dat expressionistische kleurgebruik van Der Blaue Reiter en dat soort stromingen. Twee van mijn vrienden had ik al eens zover gekregen dat ze meer kleur zouden gebruiken, maar ik had het idee daar zelf nog niet genoeg aan te hebben gedaan. Ook bij de Women War Revolution bleef het uiteindelijk bedeesd naar mijn gevoel. Het werd tijd om een positie te kiezen, om een standpunt in te nemen, om een punt te maken. Het werd tijd om extreem te worden. Dit gevoel had verschillende oorzaken. Een daarvan was dat de moderne schilderkunst en ik zo ver uit elkaar waren gedreven. Mijn sensibiliteit was helemaal gevormd door mijn liefde voor de modernen van voor de oorlog, met een kleine toevoeging van het Abstract Expressionisme, Cobra en Basquiat. Ik geloofde, en geloof overigens nog steeds, met heel mijn hart in het onafgemaakte universum, in de rafels van verf, in de magie van het stollen van de tijd in een verfstreek. Telkens als een schilder een toets op het doek zet zet deze tijd en beweging stil. De verf wordt vastgezet en zodoende ook de beweging van dat moment. Het meest vluchtige dat er is wordt zo vereeuwigd. Dit heeft als gevolg dat bijna alles dat ik schilder iets van dat vluchtige herbergt. Geen streven naar het goddelijke en monumentale. Ik geloofde, en geloof nog steeds, ook met heel mijn hart in dat spel tussen iets uitdrukken en iets verf laten. Waar is die overgang? Waar wordt verf een object dat buiten het doek gaat leven en waar blijft dat object een verfstreek? Iets anders dat me ook altijd boeide, en nog steeds boeit, is wat ik over Edvard Munch las, dat hij zijn doeken soms weken buiten liet staan om een vervallen effect te krijgen. Dat was iets dat ik nastreefde (en nastreef). Maar nu moest dat allemaal overboord! De moderne schilderkunst had (heeft) heel andere uitgangspunten. Kunstmatigheid, geconstrueerdheid, al dat soort dingen. Virtuositeit zonder specifiek ander doel dan het behagen van het oog. De moderne schilderkunst is decadent en dat zou ik ook worden. Zodoende besloot ik tot iets radicaals, in ieder geval voor mijn doen. Ik zou maar twee kleuren per schilderij toelaten. Ik zou het werken met diepte op kleurtinten terug laten vallen. Ik had altijd al liever diepte geschilderd met behulp van kleurverschillen dan met het zacht bijmengen van een non-kleur als zwart of wit. Veel groen doet rood naar voren komen. Veel rood doet groen wijken. Ongeveer zo, maar dan preciezer en ingewikkelder. Lees Johannes Itten er eens over na. Dat zou ik in de nieuwe schilderijen extreem doorvoeren. Ja, lijn mocht, maar niet specifiek voor een horizon of perspectief. Lijn als in design, om vormen te creëren. De diepte werd voornamelijk geschapen door het ‘shaped canvas’. Dikke doeken waar het schilderij enigszins omheen viel, wel geschilderd op het eigenlijke formaat van het doek, maar dan schuin erop alsof het was misgedrukt. Met behangerstape markeerde ik de rand en soms liet ik deze zitten, zo toch dat Munchiaanse verval houdende. Het werd een meditatie op minimalisering zoals ik nooit eerder had aangedurfd.

Inhoudelijk gezien werd het een ander spel. In dit verhaaltje hadden de vrouwen gewonnen en de hemel op aarde gebracht. De schilderijen moesten allerlei momenten en plekken van dit nieuwe paradijs uitdrukken. Ik maakte erg veel gebruik van de Cosmopolitan, de Elle en dat soort bladen, want de pose van elke supervrouw moest geënt worden op die vreemde bijna pijnlijke poses van supermodellen. Ik maakte al een tijdje gebruik van foto’s uit dat soort bladen om twee redenen: 1 was simpel, namelijk omdat ik die vrouwen best aantrekkelijk vond in de foto, maar wat meer speelde was de manier waarop vrouwen in mode en reclame worden afgebeeld. Graatmagere Lolita’s met bijna onooglijke kopjes die zich in de vreemdste en minst natuurlijke posities wringen om kleding en producten aan de man te brengen die de meeste vrouwen of onzeker over hun lichaam of over hun geest maken. Ik heb vaak genoeg de pose van zo’n model na moeten doen om erachter te komen hoe dat mens eigenlijk stond en geloof me, dat was zelden een pretje. Je moet wat voor de kunst overhebben. Gelukkig weten we daar tegenwoordig heel wat meer van dankzij een programma als America’s Next Topmodel. Op de achtergrond speelde mee dat het met de originele supergirl uit was, dat het met de nieuwe vriendin niet echt lekker liep en dat het financieel steeds moeilijker werd. Ik had een nieuw atelier in Noord, bij Rump in het gebouw, met een nieuwe partner, maar we lagen elkaar niet zo goed. Er was geen echte synergie, ook al kwamen we van dezelfde opleiding. Met Norm was het altijd 1 + 1 is 3, maar met deze nieuwe jongen bleef het 2. Gelukkig was het niet slechter, zullen we maar zeggen. Het nieuwe atelier beviel ook niet zo, ver weg in Noord-Amsterdam. Misschien kon ik wel van de pont genieten, maar eenmaal daar zat ik op een industrieterrein en alle charme van even wandelen in de stad om de gedachten op orde te brengen ontbrak.

Hier te zien: Vondelpark Victorie (de eerste onzekere stap op weg naar twee kleuren en naar het achterlaten van woorden), Regnum Femina (in verschillende versies), Ozymantra’s Engelen, Groen rules, Orange can be hard, De baadsters (last resort), Cold city, Drie koninginnen, Lisa’s droom, Bird’s eye view, Sunset, Vondelparkblues, schetsen (waarin te duidelijk te zien was dat ik meer dan ooit voorwerkte).

Meer afbeeldingen op ozymantra.nl.




















donderdag 17 juni 2010

Beeldverhaal Hoofdstuk 9 – Women War Revolution – 2001-03

Naar aanleiding van het hitje Supergirl van het bandje Raemonn raakte ik geïnspireerd door de mogelijkheid van een wereld zonder mannen vol superheldinnen. Ik vond het een leuk speels romantisch nummer en stelde me helemaal dat het over mijn toenmalige vriendin ging. Het was ook de tijd van het grote succes van Sex and the city, een serie die ik overigens met veel plezier keek. Verder was er ook weer een nieuwe Feministische Golf, geloof ik. Van vrouwen werd al een tijdje verwacht dat ze alles deden: zichzelf, man, kind, werk, vrienden en dan graag allemaal zo goed mogelijk. Het blijkt nog steeds dat de dames daar prima toe in staat zijn, maar dat dit wel enkele gevolgen voor de relatie met mannen heeft. Of in ieder geval voor wat mannen van zichzelf denken. Als zij alles kan en doet, waar past die man dan in? Moet hij de rol gaan vervullen die zij al die eeuwen heeft vervult? Wordt het een wraakoefening van de seksen? Is het vrouwelijk lichaam werkelijk mooier dan het mannelijke gewoon omdat het van een vrouw is, ronder is en iedereen haar wil, inclusief de vrouw zelf? Hebben vrouwen genoeg aan zichzelf, moet de man zich maar aanpassen, kan er een balans gevonden worden, gaat het hier om gelijke kansen of om wie de lakens mag uitdelen? Is de mannelijke schoonheid, die van spieren, kracht en hoekigheid onappetijtelijk en kan een museum zonder? Is het Y-chromosoom echt zo nutteloos en is X wat de klok slaat? Is de zachtheid van mannen aantrekkelijk en de baard uit den boze? Kan de man eigenlijk wel zorgen en streven tegelijk? En wordt de wereld er echt beter op als deze door vrouwen zou worden geleid volgens de vrouwelijke aard? Veel vragen die natuurlijk menig mens al bezighoudt. Geen vragen die beantwoord worden in de nieuwe serie schilderijen en tekeningen die ik was begonnen. Het begon allemaal met het schilderij The Women War Revolution, waarin een wereld wordt getekend waarin vrouwelijke cyborgs met elkaar strijden om de macht. Het is nooit de bedoeling geweest met deze schilderijen een discours op te zetten waarbinnen deze vragen werden behandeld. Het is leuk genoeg vrouwen te schilderen zonder erg diep te gaan. Het was nog leuker om supervrouwen te scheppen die geheel niet mooi hoefden te zijn. Het sprak mijn stripneigingen aan en zodoende is het ook veel verhalender dan de muurtekeningen of het volgende hoofdstuk.

Ik was de modderigheid van mijn kleurgebruik zat. Teveel zwart en wit, te weinig puur. Ook al dat vlekken en vegen, al dat schuren en die ongedefinieerde vormloze vlakken was ik zat. Ik wilde wat helderheid scheppen en kwam al snel tot dit gebruik van grote velden waartussen de figuur een weg moest vinden. Om toch nog iets van mijn vroegere werk te behouden maakte ik veel gebruik van bijvoorbeeld behangersplakband om simpele sjablonen te maken.

Hier te zien: Women War Revolution, Godin, Mechanic Madonna, Female Christ, The savior, Million Dollar Maiden, Supervrouw, Rocksteady (ja, een man! En graffiti!), Rossellini (met de prachtige Isabelle als uitgangspunt, al wist ik niet dat ik haar hoofd al eens eerder had gebruikt in een ander schilderij), Givenchy Vercingetorix en wat schetsen voor onder andere I, Claudia. Dit laatste schilderij en twee anderen simpel Model genaamd vormen de overgang naar het volgende hoofdstuk.

Meer te zien op ozymantra.nl.















donderdag 3 juni 2010

Beeldverhaal Hoofdstuk 8 – Writing on the wall – 2000

(het begon met een krant aarzelend
als op tenen sluipend door de straat)

Een getergde meeuw krijst nieuws van gister
plastic kransen spiralen in decemberwind
natte blaren, de stad vol
kotsplassen lachende potloze regenbogen zonder pot
in portieken liggen papieren gralen
vertrapt naast de vuilniszakken puisten

(kon de arme buitenwijker het niet meer aan?)

De duif strompelt wrang langs de rauwe kade
happend naar het draad om haar poot, klauwend
naar houvast talen kale letters
naar antraciethemel. Hij herkent haar overal
op muren vol grotgedichten
in alle tags gedaan herkent hij haar naam.
Hij trekt zijn nek traag in de kippenvellen kraag
en het vuil fluistert reikend
tot alle bewoners zuchten, het vuil zo hoog
gestapeld tot aan de onzichtbare sterren

gedicht uit de ongepubliceerde bundel ‘Sterrenplantsoen’


Norm en ik hadden een nieuwe vorm van schoonheid bedacht: anesthetiek. Het was tegenovergesteld aan esthetiek, waarin het er juist om ging de lelijkheid op te zoeken, met net zoveel vuur als een gewone kunstenaar de schoonheid zocht. Anesthetiek gaf ruimte voor die angstige kant van Schoonheid. Anesthetiek was het Gevaar dat op de loer kon liggen in een razend verflandschap. We deden het ieder op onze eigen manier. Hij gebruikte Bob Ross-truukjes, waar hij bijzonder goed in was, en mengde deze met een heel directe plompe manier van verf aanbrengen en kleurkeuze. In mijn geval ging het de richting op van graffiti. Natuurlijk was ik al bekend met Jean-Michel Basquiat, Keith Haring en hield ik erg van de Amerikaanse Expressionisten zoals Pollock en DeKooning, dus toen ik eindelijk de durf had mezelf helemaal aan het Gevaar bloot te stellen kwamen deze invloeden omhoog drijven. De totale oorlog aan de goede smaak was geopend. Wat is Gevaar in schilderen? Geen grip hebben over wat je doet? Heb je ooit grip over wat je doet? Er is altijd dat onbenoembare gevoel dat al je handelen geleid wordt. Je geeft je over aan het palet en de kwast. Je volgt impulsen die nooit helemaal te benoemen zijn. Het Gevaar begint wanneer je opzettelijk je impulsen tegenwerkt. Telkens als iets in je zegt ‘ja, dit is mooi, dit is goed’ moet je het vernietigen met iets waar je zeker van denkt te zijn dat het niet mooi is en niet goed. Het gaat erom dat je jezelf in de waagschaal zet, dat mensen het niet mooi zullen vinden, dat je schilderijen zullen vervallen tot stof en dat niemand al je pogen, al je verlangen, al je angsten en liefdes zal herinneren, eren, belonen of wat dan ook. De overgave aan het grote niets. Je kan zelfs invloeden van Cy Twombly onderscheiden, een kunstenaar waar ik nog maar een of twee dingen van had gezien, maar onmiddellijk van onder de indruk was. Over anesthetisch gesproken.

Ik had de stad geschilderd zoals ik die kende. Ik zou de muren van die stad schilderen alsof mijn canvas die muren zelf waren. Ik zou een graffitiartiest op mijn werk worden. Ik zou ook de overspuiter, de afplakker, de posterjongen, de krasmaniak, de wind en regen worden. Ik werd alles dat een muur kon bewerken. Als extra uitdaging voegde ik daaraan toe dat waar ik in de stadsschilderijen foto’s inplakte ik deze op de muur netjes zou naschilderen, zo goed als kon en ze dan zou vernietigen. Mijn kwast werd een god van de chaos. Het was ook nog eens een moeilijk jaar, waarin iedereen met de ellebogen leek te werken en ik de hele tijd onder spanning stond. Ondertussen waren we naar een ander atelier verhuist binnen de Oude Tramremise, waar de synergie tussen Norm en mij steeds slechter werkte. Waarschijnlijk stopte mijn uitkering toen ook en moest ik allerlei baantjes naast de WIK nemen. Ik denk dat het spoor hiervan helder is te volgen.

Hier te zien: Writing on the wall, Christie (met een van mijn favoriete modellen Christie Turlington), Stamgeest (gekocht door een Zwitser die het in een raam zag hangen en het in een krant gewikkeld meenam), Pippi Langkous’ wraak, Wiske’s vlucht, Jaws (even kwam mijn stripheld om de hoek kijken), Legalize dope, Baissons mon derriere, Clash of the titans, Vrouwenstem, enkele schetsen.

Meer afbeeldingen op ozymantra.nl