zondag 20 december 2009

De droom van internet

Het afsluiten van een brief van dertig pagina’s lang met een postscriptum van eenzelfde lengte moet voor de meeste hedendaagse lezers een ongewoon soort plezier opleveren. Niet alleen is het helse karwei geklaard, ook is dan eindelijk de vervulling gekomen dat enkel het eind van een stuk kan geven. De brief staat in The books in my life door Henry Miller en is gericht aan Pierre Lesdain, een vriend uit België. Gek genoeg zag ook ik er tegenop deze brief te lezen, maar zoals gewoonlijk wist Miller mijn enthousiasme levend te maken en te houden. Hele werelden van inzicht op Walt Whitman en Dostojevsky werden geopend. Een hele cultuur van lezen die nooit in mijn jeugd aanwezig was en die ik ook niet ken van vrienden. Zoveel boeken en schrijvers om te lezen, maar ook om over te praten. Universums van kennis en ervaring verstopt in dikke lagen opeen gebonden papier, hoogst waarschijnlijk met de simpelste omslagen. Niets van dat prachtig gefotografeerde en in fullcolour uitgevoerde zoals we tegenwoordig zien. Althans, dat is zoals ik het me voorstel. Als je wel eens over een boekenmarkt struint valt bij nader onderzoek op hoe simpeler boeken eruit zien naarmate ze langer geleden zijn gepubliceerd. Heerlijk hoe een oudere man zoals Miller met veel smaak vertelt over wat hij las, leest en nog wil lezen. Geweldig hoe het allerlei herinneringen bij mij losmaakt, hoezeer ik ernaar verlang in dat fantastische leven van papier te kunnen leven. Even kom ik los van mijn wereld, even vind ik het afschuwelijk nog niet zoveel gelezen te hebben en zoveel tijd verdaan te hebben met andere media, zoals televisie, films, muziek en internet. Ach, was ik maar een eeuw eerder geboren. Tja, was het maar zo, was de wereld maar weer simpel en overzichtelijk.


Zal ik dit moment van nostalgie maar aangrijpen om over de huidige tijd te vertellen? Precies! Eerst nog even dit: vind u het ook niet geweldig hoe zo’n beetje elke aflevering van The Simpsons begint met een kluwen van richtingloze gebeurtenissen om pas na drie of vier minuten bij de eigenlijke verhaallijn te komen? Ondanks de gele mannetjes weten ze een suggestie van realisme te creëren dat je maar zelden ziet bij series met ‘echte’ mensen. Ik begin hierover omdat mijn stukje over iets anders gaat dan het begin suggereerde, namelijk over internet en haar geïmpliceerde droom. Ooit was er een volk, één waar enkel de mythen van spreken, dat dacht als één, gedroeg als één en elkanders gevoelens kende alsook respecteerde. Ooit was de mensheid als één in God of welk ander karakter, want dat deed er niet toe, het karakter van dat waar men één mee was, want men was zó. Uit die tijd komen de dromen en mythen. De Aboriginals van Australië hebben, of hadden, het ligt er maar aan in welke mate alcohol en de Westerse invloed hen heeft gecorrumpeerd, een begrip genaamd Droomtijd. Dit was de collectieve herinnering versmolten met dromen en verlangens, opgeslagen door de geschiedenis heen, van het verre verleden tot in de verre toekomst. Zij zagen de tijd als een horizontaal ding waar door gelopen kon worden. Dat tijd net is als ruimte werd pas de afgelopen eeuw door Einstein in het moderne westen geïntroduceerd, al hadden de mystici van de grote religies vast ook zo hun ideeën over dit concept, u weet wel, God die alomvattend is en zo. In deze Droomtijd behield het volk haar samenhang. De o zo populaire Aboriginal Art is in feite niets anders dan een tijdelijke reflectie van Droomtijd. Dat wij die schilderijtjes nu kunnen kopen is vast het beste teken dat Droomtijd verdwijnt, want niets daaruit mag vastgelegd worden, aangezien alles eraan in constante beweging is.


Droomtijd, mijn beste vrienden, is wat wij in het westen nastreven met onze moderne media. Althans, dat denk ik dan maar graag. Alles in de media is een weerspiegeling van de menselijke geest, van onze verlangens, hoog en laag, van onze hoop en liefde, van onze woede en angst. In elk televisieprogramma krijgen we te zien wat men denkt dat we willen, maar ook wat we echt graag willen zien. Films, van Hollywood tot Bollywood, vertolken onze meest flagrante wensdromen, de Europeaan toont over het algemeen liever decadente schoonheid of het tragische emotionele misvuren van geliefden of families. De wereld is vol van mogelijkheden: op het scherm. De geest blijft maar vertaald en hertaald worden, in alle vormen van laag en hoog. Zo wanhopig zijn we op zoek naar bevestiging dat we ons gek gaan gedragen of kleden in de hoop dat een camera of journalist ons oppikt en ons intieme eigen belicht. Ja, er wordt veel over geklaagd, maar zelden realiseert men zich dat dit allemaal eigen is aan iedereen, ook aan de hoitie toitie artsy fartsies en de opa’s en oma’s. De mens is een kuddedier en we dromen onze kudde bij elkaar op het scherm. In welke zin is internet dan zo anders dat mensen er bang van worden, een afkeer van krijgen en denken dat de wereld kouder en angstwekkender wordt DANKzij internet? Er wordt gesproken van zogenaamd trolgedrag, mensen die er opzettelijk op uit zijn een ander te kwetsen met woorden. Of over kinderlokkers en pedofielen, zijn die ondertussen één en hetzelfde? Mensen worden steeds minder gewend aan persoonlijk contact doordat er altijd een filter tussen hen en de ander staat. Internet zou oude stamverbanden verbreken en het medegevoel nadelig beïnvloeden. Het zou een wereld van asociale narcisten creëren. Iedereen zijn eigen spiegel, zijn eigen wereld. Met de druk op een knop wordt de ander genegeerd of de vreselijkste beledigingen toegedaan. Auteursrecht wordt verkracht, geen artiest of bedrijf is zijn inkomsten nog zeker. De jeugd wordt verleidt tot het kwaad. Ik neem aan dat ik zo vast nog wel een pagina of tien door kan leuteren. Angst is tenslotte een machtig middel, maar in wiens handen wordt de angst voor internet gebruikt en tot welk doel?


Misschien ligt het aan mij, al die genoemde punten zouden best van groots belang kunnen zijn en men moet er dan ook zeer zeker iets aan doen, maar in mijn ogen is internet een stap in de richting van de reïntegratie van het mensenras. Wat ooit een kleine stam was die uit Afrika trok op zoek naar nieuw voedsel heeft zich in elke hoek en naad van de wereld gepropt, en ik weet dat er velen zijn die klagen over deze alomtegenwoordigheid van het mensdier, maar internet, naast de andere media, is een mogelijkheid de droom van eenheid te herstellen. Dat ik kan spreken en overeenkomsten vind met iemand uit een cultuur aan de andere kant van de wereld, ondanks die verdomde tijdzones, mag ook gezien worden als vooruitgang. Dat de beste muziek, tv-series, films en boeken nu overal te vinden zijn en zelfs tegen hogelijk gereduceerde prijs tot niets, mag best gezien worden als iets zeer bijzonders, want het is dan niet enkel meer weggelegd voor de rijken om te proeven van schoonheid. Nog nooit eerder is kennis zo makkelijk te verkrijgen geweest. Het enige dat een mens nog nodig heeft om de wereld te kennen is een kabelaansluiting (of antenne), een computer en een niets onziende nieuwsgierigheid naar het leven van de medemens. Alsook een dikke huid en wat verstand, maar gaat dat ook niet op voor het gewone leven buiten de ether? Komt het verlangen naar de echte ervaring en daarmee ook het vermogen om empathie en sympathie te voelen niet uiteindelijk evengoed bovendrijven als we geconfronteerd worden met de ander in levende lijve? Misschien kunnen we niet meer zo prachtig praten over de mooiste boeken en de beste schrijvers, misschien is de wereld wel uitgedijd tot proporties die de meeste mensen pleinvrees geeft, maar is er niet ook een wereld van mogelijkheden geopend om onszelf en de ander opnieuw en misschien nog beter te leren kennen?

zondag 6 december 2009

Het ondoorgrondelijke spoor van leven in mijn herinnering

Onlangs speelde het eerste album van The Raconteurs op mijn computer, Broken Boy Soldier uit 2006, en ik moest denken aan de film The Science Of Sleep, van de Franse regisseur Michel Gondry. Deze gedachte bracht ook Eternal Sunshine Of The Spotless Mind naar voren, de film met de prachtige handen van Jim Carey. Waarom benoem ik alleen zijn handen? Omdat de man niet als de eeuwige komiek was te herkennen. Zijn handen, zo streng en benig, zo lenig en articulerend, riepen geen van de talloze flauwe, maar tegelijk ijzersterke grappen op uit Me, Myself and Irene. Waarom dacht ik aan The Science Of Sleep bij het horen van de Raconteurs? Ben ik zo onder de indruk van die band en dat album? Zeker niet. Het is wel aardig, maar lang niet zo sterk als Jack White’s andere project, The White Stripes. En daar lag de connectie. Michel Gondry die voor The White Stripes een videoclip regisseerde, The Hardest Button To Button. Een heerlijk nummertje zoals we van die band verwachten. Hard, afgekloven en toch catchy. Een bijzonder leuke en simpele clip overigens. Is het een idee om bij alles dat hier genoemd wordt linkjes te zetten? Ik zal u er niet mee vervelen. De hele tijd doorklikken ergert mij ook. Het is maar de vraag hoe belangrijk deze link is voor het verloop van de rest van de tekst.

Maar wat bracht die herinnering aan The White Stripes vooral teweeg? De tijd dat ik nieuwe muziek ontdekte is altijd de zoetste en mooiste tijd. Zoveel bands die zich dan opdringen en schreeuwen om aandacht, luisteren, oordelen, genieten, dansen! Dat soort periodes zijn zo vluchtig doch zo diepgaand. De laatste keer is alweer een tijdje geleden en dat spijt me oprecht. Het is overigens blijkbaar niet zolang geleden als met de meeste hippies het geval is. Beatles… Ha! Sure. Anyway. White Blood Cells, Dead Leaves And The Dirty Ground, uit 2001. Een videoclip van bewegende legoblokjes als mannen. Ja, dat roept het één en ander van mijn jeugd op. Maar wat werkelijk onmiddellijk naar voren komt is een pijnlijke periode waarin bleek dat een liefde niet werd beantwoord . Een meisje waar ik verliefd op werd toen een vriend haar aan me voorstelde en waarmee ik zwijgend arm in arm heb gedanst op I Want You van Elvis Costello. Een liefde die een paar jaar stil moest blijven en gekoesterd werd als smeulende sintels in een dode haard. Twee nummers van dat album. Offend in Any Way en I Can’t Wait met als prangend refrein ‘I Thought you’d made up your mind’ (zoiets dan). Het was namelijk uit met haar vriend en ook tussen mij en mijn vriendin. Dit beide overigens geheel toevallig. Ik dacht eindelijk een kans te hebben en begon haar best serieus het hof te maken. We hebben nog één keer uitzinnig gekust en gedanst in Perdu, maar al snel werd duidelijk dat ze enkel vrienden wilde zijn. Trots als ik was, dom en gekwetst, vol onvermogen om de situatie te aanvaarden, angstig om altijd in deze verliefdheid te blijven hangen, moest ik het contact met haar verbreken. De hele situatie kleeft nog steeds aan me als een kwade geur. Alles eraan roept om spijt. Dat soort verleden is rottige bizniss en helaas kan ik alleen in de toekomst de zaken beter doen. Gevoelens, hè?

Is zo’n bespreking van een gefnuikte liefde een waarheidsgetrouwe ontboezeming of half ware anekdote en doet dat er voor de lezer toe? Ik ben niet geneigd zoiets te verzinnen voor een column, ook niet op het alomtegenwoordig liegende internet. De loop van mijn gedachten, opgeschreven van de hak op de tak, van de ene associatie naar de andere, deed me denken aan het beroemde koekje van Marcel Proust. In zijn Op Zoek Naar De Verloren Tijd eet hij een koekje en die doet hem ergens aan denken welke gedachte een blijkbaar legendarische zoektocht naar het functioneren en de werking van de herinnering ontspint. Als ik het goed heb begrepen. Eerlijk gezegd ben ik nog niet aan deze klassieker toegekomen. Zoveel te lezen, zoveel te zien. Wat ik wel heb gelezen en van wie ik een groot liefhebber ben, is Henry Miller, ook wel de Proust van het echte leven genoemd. Of van de zelfkant, het is maar hoe je het bekijkt. Een schrijver die vreselijk populair was in de jaren vijftig en zestig, voornamelijk omdat hij in zijn boeken realistisch en zonder poespas over seks schreef en aldus in de VS werd verboden. Kreeftskeerkring, Steenbokskeerkring en Zwarte Lente werden eerst in Frankrijk uitgebracht, in die tijd een land met aanzienlijk meer vrijheid dan waar ook. Uiteraard heeft deze fixatie van de lezer op de seksuele zijde van de boeken Miller geen goed gedaan. Toen seks weer enigszins normaal genoeg werd om over te praten is de schrijver op een zijspoor gezet en aan zijn diepere boodschap over het leven is men geheel niet toegekomen. De schrijver Arnon G. haalde in de Volkskrant Steenbokskeerkring aan als een van zijn favoriete boeken ooit, om doodleuk op te merken dat er geen verhaal in zit en men op elk plekje in de tekst kan beginnen. Ik vraag me af of u, de lezer, eenzelfde gevoel heeft bij dit stukje en als dat niet zo is, wat ik met enige reden verwacht, hoe we dan Steenbokskeerkring zouden moeten lezen. Achterstevoren en binnenstebuiten? Heeft een schrijver zoveel tijd aan iets besteed om het zo frivool weg te laten zetten?

Mijn herinneringen gaan evengoed verder. Ik moet denken aan een nacht in Parijs met een klasgenoot van die tijd. We dronken wijn uit een fles waarvan we de kurk hadden ingedrukt bij gebrek aan trekker. We waren getuige van een steekpartij. We filosofeerden lopend door de straten en zaten op de Montmartre, met uitzicht op magnifiek schitterend Parijs, een stad waar Miller zo vaak had gelopen, zoveel plezier had gekend en waarin hij zulke grootse boeken had geschreven, en we filosofeerden over Nirvana en hoe geweldig dat was, om er bij een komma achter te komen dat mijn klasgenoot sprak over de Boeddhistische ‘hemel’ en ik over de band van Kurt Cobain.